Zoeken

zondag 28 februari 2016

Je kunt geschiedenislessen niet vervangen door Google search

In de nieuwe VARA Gids staat een artikel over rapper Typhoon dat ik twee keer heb gelezen zonder te snappen wat de auteur nu precies bedoelt. Het kan namelijk ook dat hij een artikel over "ironie" heeft willen schrijven en dat heeft opgehangen aan de succesvolle rapper die gisteren in een mooie documentaire te zien was op televisie. Hoe dan ook: ik begrijp niet goed waarom het nodig is om iets aardigs te schrijven over zijn teksten zonder meteen weer allerlei onaardige dingen te gaan roepen over babyboomers en mijn generatie.

Voor alle duidelijkheid: ik heb Typhoon behoorlijk hoog zitten. Sterker nog: in mijn kast staat een cd van hem uit een tijd dat zijn naam vooral associaties opriep met tropische wervelwinden. In 2009 kenden alleen liefhebbers van (Nederlandse) hiphop hem en journalisten die een beetje met hun tijd meegingen. Ik denk trouwens niet dat veel van zijn huidige fans hier chocola van kunnen maken, want de nadruk op dit mini-album ligt wel erg op jazz.


Toch vind ik het belangrijk om te vermelden dat ik (1961) al zeven jaar een album in de kast heb staan van Typhoon voordat Robert Gooijer een artikel over hem schreef in de VARA Gids. Ik noem mijn geboortejaar daarbij ook nog even expliciet, omdat babyboomers en de daarop volgende Generatie X volgens het intro ernstig zouden moeten wennen aan het gebrek aan ironie in de teksten van Typhoon. In eerste instantie dacht ik dat bedoeld werd dat er eindelijk (en dus tot onze grote verrassing) weer eens een artiest op het toneel was verschenen die ergens voor staat en zich niet verschuilt achter dit veelgebruikte stijlmiddel.

Dat was veel te positief gedacht van mij, want het artikel wekt de indruk dat Typhoon zo ongeveer de eerste na-oorlogse artiest is die de ironie durft los te laten. Nu noem ik hem zelfs in De omgekeerde werkweek omdat ik hem hoog heb zitten en veel herken in zijn kijk op het leven, maar dat is toch echt te veel eer. Als je het heel breed wil trekken kun je best volhouden dat ironie zijn intrede deed in de popmuziek in de jaren tachtig, maar babyboomers zijn juist opgegroeid met artiesten voor wie alles vaak bittere ernst was. Dat geldt ook voor mijn generatie (na 1955 geboren) die van zijn zakgeld singles kocht van The Clash en The Sound.


Nu is het bon ton om babyboomers te bashen, of het nu gaat om hun rijgedrag op de racefiets of hun vermeende rijkdom, maar in dit geval worden ze er nodeloos met de haren bijgesleept en geeft de auteur blijk van bedroevend weinig muziekkennis en onvoldoende historisch besef. Dat zie je vaker bij jongere journalisten en schrijvers voor wie de opkomst van Nirvana in Seattle net zo makkelijk kan samenvallen met de oprichting van de Sex Pistols in Londen, terwijl daar bijna een hele generatie tussen zit. Dat laat zien dat de plannen om gedegen geschiedenisonderwijs te vervangen door Google search alleen maar zullen gaan leiden tot nog meer gaten in het collectieve geheugen.

Zelf heb ik niet zo veel met "ironie", dus ik zou wel eens samen met Robert Gooijer willen luisteren naar Fortunate Son van Creedence Clearwater Revival uit 1969 dat gericht was tegen de Vietnamoorlog en dat het lijflied werd van de protestgeneratie. Daarna zette we dan Missiles op van The Sound uit 1980, geschreven tijdens het hoogtepunt van de Koude Oorlog. Als Adrian Borland dit nummer op het podium zong, meestal als afsluiter van een optreden, kwam de tekst uit zijn tenen. Zijn geworstel met de wereld was ook niet gespeeld, want veel later zou hij zwaar depressief voor de metro springen. De enige ironie die ik daarin kan ontdekken, is dat hij zelf een einde aan zijn leven maakte, terwijl er allang geen Russische kernraketten meer op ons gericht waren.