Zoeken

zaterdag 4 augustus 2018

Néé, een vliegvakantie is geen mensenrecht

Enkele weken geleden schreef ik in mijn wekelijkse column op de economiepagina van het Reformatorisch Dagblad dat het geen enkele zin heeft om je huis energiezuinig te maken als je vervolgens een paar keer per jaar in het vliegtuig stapt naar Ibiza of Thailand. De bereidheid om echte offers te brengen is gering, zelfs bij mensen die het verband erkennen tussen onze manier van leven en de opwarming van de aarde. In plaats daarvan razen - of misschien moet hier wel staan: reizen - we richting de afgrond waarvan deze gortdroge zomer slechts een voorproefje is.


Zoals eerder vermeld ben ik voornemens om volgend jaar, of misschien zelfs wel met ingang van volgend jaar, alles op de fiets te gaan doen. Zelf beschouw ik het als een avontuur, net zoals versneld aflossen achter gezien eigenlijk ook één spannende ontdekkingstocht was met allemaal verrassende vergezichten. Tegelijk besef ik dat de CO2-uitstoot van een ongemotoriseerde manier van leven heel gering is, wat je dus bij voorbaat kunt beschouwen als een bijkomend voordeel.

Datzelfde gebeurde eerder al toen we superzuinig begonnen te leven om onze hypotheek versneld te kunnen aflossen. Niet alleen zorgde die levenswijze ervoor dat we jaarlijks tussen de 15.000 en 20.000 euro extra in onze hypotheek konden storten, ik besefte ook dat we op deze manier een veel kleinere ecologische voetafdruk hadden. Je kunt ook zeggen dat we door onze zuinige lifestyle zuiniger omsprongen met de planeet en geen hypotheek namen op de aarde.


Je kunt die redenering niet omdraaien (want we zijn alleen maar gaan aflossen om zelf het hoofd boven water te houden), maar het is wel een prettige bijkomstigheid dat ons gedrag tegenwoordig minder milieubelastend is. Dat blijft ook zo, want ik ben niet van plan om ineens weer met geld te gaan smijten als we in maart 2020 écht helemaal hypotheekvrij te zijn of bij die gelegenheid vuurwerk af te steken op Bali in plaats van in de eigen achtertuin.

Natuurlijk zijn er mensen die geen waarde hechten aan alle alarmerend verhalen over de opwarming van de aarde omdat het een linkse hobby is van 'klimaatgekkies', maar laten we er voor de aardigheid eens van uitgaan dat we met onze manier van leven inderdaad een soort omgekeerde zondvloed over ons afroepen en grote delen van de aarde onleefbaar maken. Kun je dan nog wel met goed fatsoen een paar keer per jaar heen en weer vliegen naar Ibiza of heeft de hierboven afgebeelde Jan Mertens misschien een punt?


In het interview krijgt Mertens de vraag voorgelegd of vliegen inmiddels niet een soort mensenrecht is geworden, waarmee we de kern van het probleem meteen te pakken hebben. In een van mijn boeken schrijf ik dat de luxe van vandaag de standaard van morgen is, waardoor het steeds meer moeite kost om een stapje terug te doen en we hebberig op een wankele ladder naar de bovenste vruchten tasten in de bijna kaalgevreten boom der wijsheid.

Want, nee, vliegen is geen mensenrecht en zelfs geen verworven recht. Goedkope vliegreizen vormen een perversie die ons op termijn duur zal komen te staan en die je alleen als een verworvenheid kunt beschouwen als je het afmeet aan je levensgeluk op de zeer korte termijn. Zelf verwacht ik echter niet dat er veel gaat veranderen in ons gedrag en onze manier van denken, zolang we Tadzjikistan in de krant een 'fietsparadijs' noemen, terwijl we in werkelijkheid zonder het te beseffen in het enige echte fietsparadijs van de wereld wonen.

woensdag 11 juli 2018

Zorgt al dat zonnige weer ook voor een zonnig humeur?

In het Volkskrant Magazine van afgelopen weekend werd hardop de vraag gesteld of er een verband bestaat tussen 'het weer' en 'geluk'. Dat lijkt me overduidelijk, maar toch blijkt dat volgens de auteur van het artikel maar lastig wetenschappelijk te bewijzen. In het artikel wordt zelfs een sociaal-psycholoog aangehaald die beweert dat zonnig weer helemaal niet leidt tot een zonnig humeur. Rara hoe kan dat?


Als mensen vragen hoe het met me gaat, luidt het antwoord doorgaans: 'Goed, maar vraag het me nog een keer in het voorjaar.' In de wintermaanden weet ik me doorgaans ook prima te vermaken, maar dan kom ik tegelijk zo weinig buiten dat ik net zo goed op twaalf hoog in de stad zou kunnen wonen. Zodra de lente aanbreekt, gaan de tuindeuren open en slenter ik vaak al om zeven uur in de ochtend met een krant onder mijn arm naar het terras.

Het aantal mogelijkheden om jezelf te vermaken (lees: de verschillende manieren om niets te doen) stijgt dan ook exponentieel. In de wintermaanden lees ik een boek op de bank, kijk ik een film in bed of ben ik te vinden in de bioscoop. In de lente en de zomer zit ik bijna elke dag op de fiets, lees ik een boek in de tuin, eten we aan de waterkant en ben ik buiten tot het donker wordt zodat de televisie niet eens aangaat. Je kunt dus ook zeggen dat ik dan een totaal ander leven leid.


Toch kun je daar volgens de krant niet zomaar conclusies aan verbinden. Nu snap ik wel dat er in deze tijden van nepnieuws en fake-accounts behoefte bestaat aan onweerlegbare feiten en wetenschappelijk onderbouwde conclusies, maar dit lijkt me een inkoppertje waar je als socioloog niet veel aan toe te voegen hebt met een paar vragenlijsten. Toevallig merkte ik een paar dagen geleden nog tegen iemand op dat een 'omgekeerde werkweek' net zo goed kan inhouden dat je van oktober tot april fulltime werkt om vervolgens zes maanden lang te genieten van de zon.

Om het verband tussen zonlicht en geluk te onderzoeken moet je dus niet klakkeloos naar landen kijken waar de zon altijd schijnt zoals de schrijfster van het artikel doet. Elke dag zon gaat al snel vervelen, net als elke dag biefstuk of elke dag seks. In ons land genieten we juist zo van mooi weer omdat het een zeldzaamheid is. De dip van afgelopen dinsdag, met donkere wolken en zowaar een beetje motregen, leek ook alleen maar ingelast om ons te herinneren aan het feit dat elke zomerse dag een cadeautje is dat je moet koesteren.


Dat laatste blijkt volgens weer een andere krant extra lastig te zijn voor mensen die gebukt gaan onder eenzaamheid. Die voelen zich op al die lange warme dagen waarop iedereen plezier lijkt te hebben en gezellig samen op vakantie gaat, juist extra ongelukkig. Iets vergelijkbaars gaat waarschijnlijk op voor mensen die op zomerse dagen moeten werken en tandenknarsend hun tijd op kantoor doorbrengen terwijl het buiten heerlijk weer is (of die, omgekeerd, juist buiten moeten werken in de brandende zon).

Crux is dat de zon je humeur versterkt. Wie zich goed voelt, zal zich op een zonnige dag iets beter voelen en nog meer genieten. Het is geen tovermiddel, en zeker geen anti-depressivum, maar meer een soort bonus. Je moet dus al een beetje blij van jezelf zijn en in de omstandigheid zijn optimaal van het mooie weer te genieten. De schrijfster van het artikel geeft zelf eigenlijk al aan waar bij de meeste mensen het probleem zit met haar vaststelling dat in deze 'moderne tijd' bijna niemand nog buiten komt.

Sterker nog, ze verpakt het als een soort retorische vraag want letterlijk staat er: hoe vaak zijn we nu eigenlijk nog buiten? Nou, wat dacht je van de hele f*cking dag? Van half zeven in de ochtend tot tien uur 's avonds? Ik zit nu even binnen aan de keukentafel te tikken (met de tuindeuren open en uitzicht op de tuin), maar als dit blog klaar is verhuis ik als de bliksem naar mijn luie stoel onder de eikenboom met weer een ander bibliotheekboek om daar de rest van de dag te genieten van de zoveelste zomerse dag van het jaar.

woensdag 27 juni 2018

Wie zijn nou de échte slachtoffers van de pensioencrisis?

Een paar dagen na mijn vorige blog over pensioenen viel in De Volkskrant te lezen dat 'ouderen' (en ik zet dat met opzet tussen haakjes omdat het over mijn leeftijdscategorie gaat) net zo goed achter het net vissen als het om dit onderwerp gaat. De groep vijftigers die ooit de arbeidsmarkt betrad tijdens een zware economische crisis, heeft de VUT praktisch voor zijn neus zien verdampen en kan alleen maar dromen van eerder stoppen met werken. Kloppen al die verhalen over een 'verloren generatie' dan toch? Of moeten we nu eens en voor altijd stoppen met generaliseren en eens aandachtig stilstaan bij de échte pensioenkloof?


Als het artikel van Gijs Herderscheê één ding laat zien, dan is het wel dat niet alleen jongeren de dupe zijn van de pensioencrisis. Ook voor vijftigers is het een hard gelag om op het meest recente pensioenoverzicht te lezen dat ze door moeten werken tot ze 67 jaar en drie maanden zijn, zeker als ze inderdaad ooms of vaders hebben die al op hun 55ste konden stoppen met een aantrekkelijke regeling. Zijn verhaal benadrukt ook dat vijftigers niet op één hoop gegooid moeten worden met de gewraakte babyboomers, omdat die in de meeste gevallen allang met pensioen zijn.

Voor vijftigers is die hogere pensioenleeftijd zelfs extra wrang, omdat ze zijn opgegroeid met commercials van een zongebruinde Kees Brusse. Elke vijftiger is ooit een twintiger of dertiger geweest die zijn eerste vaste baan kreeg met ergens in het achterhoofd het besef dat je uiterlijk op je 57ste kon gaan genieten van een zwitserlevengevoel op een palmstrand. Jongeren rekenen vaak helemaal nergens meer op, terwijl vijftigers heel lang geloofden dat zij later (en niet eens zoveel later dan hun ooms en vaders) óók met de VUT konden of een andersoortig vroegpensioen.


Gijs Herderscheê is dus geen Holle Bolle Gijs of een Gijs Geluk, maar een pechvogel uit de verloren generatie met het verkeerde geboortejaar. Weliswaar probeert hij zichzelf moed in te praten met de mededeling dat hij 'het leukste beroep' heeft en de dooddoener dat hij 'niet zo nodig met pensioen hoeft', maar de kans is klein dat hij 'nee' zou zeggen als zijn chef hem morgen een goudgerande regeling aanbood waarmee hij eerder kon stoppen. Langer doorwerken lijkt nog niet zo'n onoverkomelijke ramp als je van 1959 bent en dit jaar 59 wordt, maar het voelt straks heel anders wanneer je op je 68ste met een zucht de deur van het kantoor achter je dichttrekt en tot je grote schrik beseft dat je al bijna 70 bent.

Opvallend is dat in het verhaal van Herderscheê bijna alleen maar slachtoffers voorkomen: of je hebt een baan en moet noodgedwongen doorwerken tot je 68ste óf je bent in de crisisjaren je baan kwijtgeraakt en moet nu je spaargeld opsouperen, je huis opeten en een bijstandsuitkering aanvragen. Dat er ook mensen zoals ik bestaan die zelf een soort VUT in elkaar hebben geknutseld en genoegen nemen met een veel lagere levensstandaard (met als bijkomend voordeel dat vliegveld Lelystad zelfs helemaal dicht kan), lijkt hij niet te beseffen of te willen weten. Maar die kloof is er dus alvast: tussen koppige spaarders en slachtoffers.


De ongemakkelijke waarheid is dus dat er niet één pensioenwaarheid is die voor iedereen opgaat. Er zijn in het oog springende verliezers (mensen met zware beroepen die al op hun veertiende begonnen zijn en op hun 61ste als een wrak in de ziektewet belanden), maar veel interessanter is de vraag waarom de journalist Herderscheê (1959) nog een jaar of negen moet werken terwijl ik (1961) op maandagmiddag op mijn gemak een sciencefictionroman zit te lezen onder de eikenboom in mijn achtertuin. Om uit te vogelen hoe dat kan, zou je niet alleen de (oude) loonstrookjes met elkaar moeten vergelijken, maar ook de pensioenvoorwaarden, de hypotheekakte, de vaste lasten en de levensstijl.

Iedereen beweert in deze discussie de échte kloof te hebben gevonden, terwijl het vaak een groot grijs gebied is dat alles te maken heeft met spaargedrag en de bereidheid de tering naar de nering te zetten. Dat ik op mijn 55ste met een soort deeltijdpensioen kon, heeft alles te maken met de deeltijdbaan van mijn vrouw maar ook met het besef dat het vaak kiezen of delen is. Niet voor niets stel ik in Leven van de lucht hardop de vraag of ik bereid zou zijn om nooit meer op vakantie te gaan (met uitzondering van een fietsvakantie) in ruil voor 365 dagen vakantie per jaar. Stel jezelf die vraag straks ook maar eens voor de lol op een zonovergoten terras in een of ander warm land, als je zit te mijmeren over de toekomst, en besef dat alles afhangt van het juiste antwoord.

woensdag 20 juni 2018

Eerder stoppen met werken wordt een luxe en een statussymbool

Vanmorgen las ik in de krant dat er sprake is van een groeiende 'vroegpensioenkloof'' tussen laagopgeleiden en hoogopgeleiden. Nu zet het dagblad in kwestie alles altijd wat zwaar aan, maar in dit geval is er sprake van een dusdanig minimaal verschil dat het niet eens in jaren kan worden uitgedrukt. Veel schokkender vind ik zelf dat het volgens de bijgevoegde grafiek nog niet eens zo heel lang geleden is dat iederéén zo rond zijn zestigste kon stoppen met werken.


Volgens het bericht zouden hoogopgeleiden gemiddeld tien maanden eerder kunnen stoppen met werken. Nu is die tijdspanne best lang voor een wereldreis, maar niet als je het afzet tegen een heel mensenleven - of tegen iemands werkzame leven. Om een idee te geven: jij bent op 1 januari van dit jaar al gestopt en zit nu prinsheerlijk in de tuin, terwijl je buurman nog door moet ploeteren tot 1 november. Nu is elke dag er waarschijnlijk één teveel wanneer je lichaam op is, maar feitelijk is het een verschil van niks want van dit nieuwe jaar is alweer bijna de helft verstreken.

Vanuit mijn optiek gezien is het zelfs een bijna surrealistisch bericht, want ik ben op mijn 55ste met plakbandpensioen gegaan en schrik er juist van hoe verschrikkelijk snel de tijd voorbij gaat. Mijn laatste boek Leven van de lucht is een soort dagboekverslag van de eerste twaalf maanden van dat experiment en inmiddels zijn we alweer ruim een jaar verder. Veel schrijnender dan wat de krant meldt is dat laagopgeleiden soms al op hun zestiende zijn begonnen met werken, terwijl het voor mensen van mijn generatie niet gek is dat ze pas op hun zesentwintigste hun eerste baan kregen. Bij die tien maanden moet je in veel gevallen dus nog eens tien jaar optellen.


Volgens het krantenartikel wordt vroeg stoppen met werken 'een luxegoed'. Dat voorzag ik al toen ik in 2015 Het plakbandpensioen schreef en daarin voorspelde dat eerder stoppen met werken hét 'statussymbool' van morgen zou gaan worden. Sindsdien is de feitelijk leeftijd waarop mensen afzwaaien alleen maar gestegen, terwijl tegelijk de arbeidsparticipatie onder 60-plussers fors is toegenomen. Er zijn meer mensen aan het werk en ze moeten ook steeds langer doorwerken. Zelf krijg ik waarschijnlijk ook pas AOW als ik 68 jaar ben, dus pas over elf jaar. Daarmee vergeleken is tien maanden langer doorwerken natuurlijk een lachertje, zeker als je je hele leven de tijd hebt gehad om te sparen en af te lossen.

Begrijp me goed: ik vind het onmenselijk dat mensen met zware beroepen door moeten werken tot ze 68 zijn of ouder, want ik sprak niet zo lang geleden een hovenier van 28 die nu al kampt met beroepsgerelateerde rugklachten, terwijl hij nog minimaal 40 (!) jaar voor de boeg heeft. Boven een bepaalde leeftijd zouden mensen ook helemaal geen nachtdiensten meer moeten draaien en de kans moeten krijgen om een of twee dagen minder te gaan werken met behoud van een deel van het salaris. Maar dat neemt niet weg dat ik vind dat je een sloot niet al te snel een rivier moet noemen en een minimaal verschil niet zomaar moet bombarderen tot een enorme misstand.


Er zijn dus genoeg problemen in de wereld om je druk over te maken, maar het is een bijkomend probleem dat we tegenwoordig alles heel snel bestempelen als probleem (of als onrecht, of als een kloof, of als discriminatie of als een misstand of als scheefgroei of als een groot schandaal). Zo las ik vanmorgen een artikel over jongeren die 'buiten de boot vallen' als het om de huizenmarkt gaat. Nu is het bepaald lastig om als jongere betaalbare woonruimte te vinden of als starter ergens een hypotheek los te peuteren zonder eigen geld, maar wie het artikel aandachtig leest ontdekt dat er ook iets heel anders speelt.

Veel jongeren (en dan hebben we het in dit geval over 25-jarigen) willen na het behalen van hun diploma graag in hun studentenstad blijven wonen en stuiten daarbij op torenhoge huren en onbetaalbare koophuizen. Vroeger zou je dan je schouders ophalen en elders je heil zoeken, maar nu lees ik dat een van de woningzoekenden in het artikel haar verontwaardiging over de overspannen situatie op de Utrechtse woningmarkt kracht bij zet met de uitspraak: 'Ik weiger op deze leeftijd in een rijtjeshuis in Driebergen te gaan zitten, of het nu huren of kopen is'.

Daar heb ik dan verder ook niet veel meer aan toe te voegen.

zaterdag 16 juni 2018

Ah, natuurlijk zijn het weer 'de ouderen' die de huizenprijzen opdrijven!

Vanmorgen stond ik al om half zes naast mijn bed om met een kop koffie en een stapel kranten te genieten van de fluitende vogels in de tuin en de wereld die langzaam ontwaakte. Helaas verslikte ik me al snel in diezelfde kop koffie, toen ik in de zaterdageditie van De Volkskrant las dat 'senioren' persoonlijk verantwoordelijk moeten worden geacht voor de absurde prijsstijgingen van koophuizen, omdat ze 'steeds dominanter worden op de woningmarkt'. 


Ik zal niet zeggen dat je als witte man van middelbare leeftijd tegenwoordig nog maar weinig goed kunt doen in deze maatschappij, want dan gedraag je je precies hetzelfde als al die mensen die zich wel ergens het slachtoffer van voelen. Toch kan ik alleen maar vaststellen dat dit artikel de zoveelste tendentieuze poging is om ouderen overal de schuld van te geven en jong en oud tegen elkaar op te hitsen (of beter gezegd: jongeren het gevoel te geven dat ze achter het net vissen en stelselmatig achtergesteld worden).

Grote vraag is wat je mensen nu eigenlijk precies verwijt wanneer ze een huis kopen, de hypotheek in de loop der jaren netjes aflossen, hun kinderen opvoeden en uitzwaaien en vervolgens nog een beetje van het leven proberen te genieten in datzelfde huis. De overheid wil dat mensen steeds langer zelfstandig blijven wonen, dus dat doen ze. En wie nog vitaal is en graag in de tuin bezig is, zal zich wel een paar keer bedenken voordat hij zijn woning inruilt voor een gelijkvloers appartement met een paar zielige bloembakken.


Als ik als planoloog een verklaring zou moeten geven voor de huidige gekte op de huizenmarkt, dan zou ik er allereerst op wijzen dat er in ons land nog heel veel gebieden zijn waarin de woningmarkt nog maar net hersteld is van de gevolgen van de crisis en er van gekte helemaal geen sprake is. Het is een probleem van de grote steden, van de Randstad en van een steeds verder uitwaaierende cirkel daaromheen. Als ik eerlijk ben, heeft de snelheid waarmee deze omslag plaatsvond me verrast, want voor mijn gevoel stond eergisteren nog een groot deel van de woningvoorraad onder water.

Die omslag heb ik dus niet voorzien of voorspeld, maar ik kan wel vaststellen dat er de afgelopen jaren vanwege de crisis veel te weinig is gebouwd, met als gevolg dat er nu sprake is van een groot tekort aan woningen. Daarnaast heeft de kunstmatig lage rente mensen ertoe verleid om hun spaargeld in aandelen en vastgoed te steken, omdat dat veel beter rendeert. Daar komen dan nog professionele beleggers bij en een woningvoorraad die totaal niet aansluit op de demografische verschuiving waar we nu middenin zitten.


Ouderen kunnen het in dat krachtenveld natuurlijk alleen maar verkeerd doen. Als ze in hun eigen huis blijven wonen nadat de kinderen zijn uitgevlogen, 'houden ze een woning bezet' waar een jong gezin heel blij mee zou zijn. Mochten ze besluiten te verhuizen, dan hebben ze door overwaarde en spaargeld een voorsprong op jongeren en kunnen ze veel sneller handelen en hoger bieden. In beide gevallen hebben jongeren het nakijken, maar dat betekent natuurlijk niet dat iemand iets te verwijten valt.

Dat lijkt ook de verslaggever te beseffen, vandaar dat hij terugvalt op taalconstructies die ten onrechte een misstand suggereren (zo worden ouderen volgens het artikel steeds 'dominanter' op de woningmarkt en laat hij een van de geïnterviewden zijn verhaal doen vanuit een 'luie stoel' met uitzicht op openslaande deuren). Ook wordt er verhaald van een ouder stel dat inderdaad naar een appartement verkaste en zich daar zo verveelde dat ze toen maar een huisje in Frankrijk kochten om iets om handen te hebben.


Door alleen maar blije, gezonde senioren met een hypotheekvrij huis te portretteren, wordt de indruk gewekt dat alle ouderen er warmpjes bij zitten, de hele dag in de tuin zitten te lezen en geheel ten onrechte profiteren van het vermogen dat ze gedurende hun werkzame leven bij elkaar hebben gespaard. Dat krijg je dus als je zo'n beetje alle journalisten boven de 50 de laan uitstuurt en de krant laat volschrijven door een generatie die als eerste reflex heeft dat iets 'niet eerlijk' is.

In plaats van steeds maar uit hetzelfde vaatje te tappen en de krant te vullen met tendentieuze artikelen, zou het veel verfrissender zijn om eens een interview te doen met de eventuele kinderen van Gerard en Liesbeth, Trijntje en Willem, Ans en Frits en Truus. Want wat gebeurt er als al deze ouderen die de huizenprijzen opdrijven er straks niet meer zijn? Wie erven dan die huizen die tonnen waard zijn en al dat vermogen dat ze na een leven lang werken hebben opgebouwd?

En wat zouden diezelfde kinderen er eigenlijk van vinden als pa en ma het huis verkopen en vervolgens al hun spaargeld uitgeven aan de huur van een appartement, torenhoge servicekosten, een mooie SUV met een hoge instap en allerhande leuke reisjes? Zijn de problemen op de woningmarkt dan in één klap opgelost of krijgen we dan alsnog allemaal scheve gezichten omdat de erfenis is verdampt en jongeren andermaal met lege handen staan?

maandag 11 juni 2018

Maar natúúrlijk begin ik langzamerhand een ouwe zeur te worden

Onlangs merkte iemand op Twitter op dat ik een beetje een 'ouwe zeur' begin te worden. Dat lijkt me een terecht verwijt, want toen ik zestien was in 1977 beschouwde ik iedereen die zuur opmerkte dat The Jam niet zoveel anders klonk dan The Who óók als een ouwe zeur, terwijl ik inmiddels precies hoor wat ze bedoelen en ze alleen maar groot gelijk kan geven. Wie al wat langer meedraait in deze maatschappij, wordt vanzelf die trouwe werknemer die al vijf reorganisaties heeft meegemaakt en bij de zesde poging om het wiel opnieuw uit te vinden diep begint te zuchten.


De aanleiding om mij een 'ouwe zeur' te noemen, was het kabinetsbesluit om ook leerlingen op het MBO voortaan student te noemen. Op zich vind ik dat helemaal niet zo'n belangrijk onderwerp, maar ik liep al snel tegen het feit aan dat de meeste MBO-studenten niet eens meer weten dat er een tijd is geweest waarin HBO-studenten óók nog niet zo heetten - of zo je wilt: mochten heten. Dan snap je begrijpelijkerwijs ook niet dat er mensen zijn die dit beschouwen als een verdere afkalving van een woord dat ooit echt nog iets te betekenen had.

Als onvermijdelijke ouwe zeur slaak je af en toe een diepe zucht, bijvoorbeeld als je in een interview leest dat 'twintig jaar geleden niemand wist wat de term androgyn betekende'. Dat geloof ik best, want toen zaten we juist in een periode waarin mannen nog gewoon van Mars kwamen en vrouwen van Venus. Ga je echter nog iets verder terug in de tijd, dan kom je terecht in 1973 toen de straatmode uniseks was en je in de popmuziek bijna niet meetelde als je niet een beetje androgyn was en in interviews opbiechtte of blufte dat je biseksueel was.


De beste manier om te voorkomen dat je een 'ouwe zeur' genoemd wordt - of beter gezegd: dat je een ouwe zeur wórdt - is wijselijk je mond houden en lekker in de tuin een boek gaan zitten lezen. Dat doe ik dan meestal ook, maar ik geef één keer per week mijn mening in een blog en een paar keer per dag op Twitter. Hoe ouder je wordt, hoe ouderwetser soms je opinies en hoe meer in tegenspraak met de huidige tijdgeest, al kan het omgekeerde net zo goed gebeuren want toen in in 2008 gewoon ouderwets mijn hypotheekschuld ging terugbetalen gold dat ineens als visionair en revolutionair. Het zelfde gaat op voor mijn zogeheten 'plakbandpensioen', wat in feite neerkomt op een geheel zelf verzorgde VUT op je 55ste.

Als ik in de krant lees dat een jong stel thuis een pilletje heeft geslikt omdat ze 'een leuke avond' wilden hebben, vraag ik me af wat er in hemelsnaam gebeurd is met een bak chipito's en een film uit de videotheek (zeker als dat bewuste avondje de krant haalt omdat het een fatale afloop kende). En een artikel over de jongste lichting rappers lees ik onvermijdelijk met in mijn achterhoofd de eerste lichting rappers die ik in mijn kast heb staan. Ik moet zeggen dat ik Lil Xan heel cool vind (of hoe dat tegenwoordig ook mag heten), maar tegelijk kan ik niks met mensen die voor de lol pilletjes slikken en vind ik Stetsasonic stiekem onovertroffen.


Als mens word je dus vanzelf een ouwe zeur (net zoals je als man bijna onvermijdelijk een vieze oude man wordt), maar het wordt pas een probleem wanneer je vergeet dat je ooit jong bent geweest en suggereert dat vroeger alles beter was. Natúúrlijk is dat laatste niet zo, al was het maar omdat ik vroeger nog fulltime moest werken. Ik weet nog goed dat hiphop (en dan bedoel ik het complete wereldwijde genre) niet meer was dan één houten bak met import-cd's op de balie, maar ik kijk ook reikhalzend uit naar het nieuwe album van de Jedi Mind Tricks. Op dezelfde manier lijkt het me verdraaid lastig om boeken te schrijven zonder laptop of internet.

Jonge mensen denken nogal eens dat ze in een uniek tijdsgewricht leven en zijn ervan overtuigd dat oudere generaties alles verkeerd hebben gedaan. Dat is hun goed recht en dat is een héérlijk superieur gevoel. Ouwe zeuren daarentegen draaien niet alleen The Jam, maar hebben ook een hele rits cd's van The Who en zien vaker een interessante rode draad dan een instant-revolutie. De geschiedenis is een slinger, een golfbeweging, een herhaling van zetten, een cyclus, een opeenvolging van ontdekkingen die steeds opnieuw worden gedaan en een constante wedergeboorte van nieuwe generaties die denken dat ze alles zelf hebben uitgedokterd. In die zin zijn er waarschijnlijk dus ook altijd al ouwe zeuren geweest.

dinsdag 5 juni 2018

Gezocht: een groot eiland voor een uniek experiment!

Toen ik in 1980 politicologie studeerde aan de UvA, kreeg ik daar te horen dat álle verschillen tussen man en vrouw (en dus ook elk gedrag dat we als typisch mannelijk of vrouwelijk beschouwen) terug te voeren is op opvoeding en maatschappelijke mores. Nu, bijna veertig jaar later, lijkt dat een onderwerp waarover geen discussie meer mogelijk is, terwijl er tegelijk weinig terreinwinst is geboekt. Misschien moeten we daarom maar eens een groot onbewoond eiland zoeken waar we Cordelia Fine tot koningin benoemen en waar iedereen vanaf de geboorte volkomen sekseneutraal wordt opgevoed. Zelf ben ik namelijk héél benieuwd naar de uitkomst.


Hoewel ik in 1980 pas 19 jaar oud was en nog betrekkelijk weinig levenservaring bezat (ik was zelfs nog maagd), leek me dat toen al wat kort door de bocht. Dat gevoel werd nog eens versterkt toen mijn jongste zoon op de basisschool zat en alle kinderen voor het eerst verkleed in de klas mochten verschijnen. Toen bleek dat alle jongens eruitzagen als soldaat, piraat, ridder, cowboy of skelet en alle meisjes als prinsesjes en elfjes. Natuurlijk is het mogelijk dat dat allemaal de schuld is van Walt Disney, maar het suggereert tegelijk het bestaan van een wel heel erg geraffineerd patriarchaal complot.

Ik heb heel veel aan die studie politicologie gehad, omdat ik toen geleerd heb om kritisch te denken en om vooral zélf te blijven nadenken. Dat werd niet gedoceerd, maar dat was het gevolg van alle ideologisch gekleurde onzin die ik voorgeschoteld kreeg. Sindsdien ben ik altijd op zoek naar alle zwakke plekken in elk verhaal, of het nu gaat om verhalen over aflossingsvrije hypotheken of om mythes rondom gender en testosteron. Tegelijk betreur ik het dat 1980 wel het toneel was van werkgroepjes waarin de geslachtsdaad als onderdrukkend werd bestempeld, maar niet het startsein was van een wetenschappelijk experiment waarbij kinderen bij wijze van proef sekseneutraal werden opgevoed.


Die kinderen zouden nu bijna veertig jaar oud zijn en een schat aan informatie bieden als het gaat om de maakbaarheid van de mens. In plaats daarvan herhalen jonge vrouwelijke journalisten die in 1980 nog niet eens geboren waren de zienswijze van vrouwelijke wetenschappers die stellen dat alle verschillen tussen man en vrouw te verklaren vallen door blauwe en roze muisjes op het beschuit en het 'beeld dat kinderen meekrijgen'. Let wel: dat kan best wáár zijn of tot op zekere hoogte kloppen. Maar het kan net zo goed dat het feminisme vrouwen opzadelt met de illusie dat alle verschillen tussen man en vrouw maakbaar zijn en dat je alleen maar wat aan de knoppen hoeft te draaien om een sekseneutraal paradijs tevoorschijn te toveren.

Gevreesd moet worden dat NRC Weekend over een kwart eeuw - als er dan tenminste nog kranten bestaan - precies dezelfde wetenswaardigheden meldt, zonder dat ooit een keer is gekeken of gebleken of het standhoudt. Vandaar dat ik me weleens serieus afvraag wat er zou gebeuren als je pasgeboren kinderen op een eiland consequent sekseneutraal op zou voeden. Dat moet dan natuurlijk wel een eiland zijn zonder internet, met geheel eigen prentenboeken, jeugdhelden en televisieprogramma's die een volstrekt ander beeld laten zien. IJsland is zo'n eiland, dus wat daar gebeurt is op zich al interessant. Nog interessanter zou het zijn om ergens blanco te beginnen en te kijken of mannen en vrouwen inderdaad als een soort onbeschreven blad de wereld betreden.


Mijn eigen voorbeeld laat zien dat er veel kan veranderen, zelfs binnen één generatie of een half mensenleven. Zo zijn mijn vrouw en ik allebei opgevoed met een moeder die ons na schooltijd op zat te wachten met thee en een koekje. Mijn vrouw is echter gewoon gaan werken (zij het parttime) en inmiddels hebben we hier in huis zelfs de rollen omgedraaid. Ik geloof dus ook niet dat het in de mannelijke natuur zit om fulltime kostwinner te zijn en ik geloof al helemaal niet dat het een mannelijk privilege is om veertig jaar lang veertig uur per week te werken. Sterker nog: je mag het woord kostwinner wat mij betreft  best verbasteren tot kotswinner, want ik word al misselijk bij het idee dat ik weer echt zou moeten gaan werken.

Tegelijk vraag ik me oprecht af wat we te zien krijgen als we over een jaar of vijfentwintig een delegatie wetenschappers naar dat bewuste eiland sturen. Is seksueel misbruik geheel uitgebannen? Zijn alle mannen immuun voor vrouwelijk schoon en kijken ze even neutraal naar een naakte vrouwenborst als naar een mannelijke torso? Zijn er net zoveel vrouwelijke hooligans als mannelijke of bestaat dat hele fenomeen misschien niet eens meer? Zitten mannen daar uren met vrienden te babbelen onder het genot van een high tea en zijn vrouwen zwijgend aan het vissen? En vooral: zijn alle mensen (M/V) in die misschien wel omgekeerde wereld ook echt beter af en gelukkiger dan wij?

zaterdag 2 juni 2018

Dus Generatie Z is vooral op zoek naar zingeving?

Vanmorgen keek ik snel even de uitzending van Pauw terug van een dag eerder, nadat ik op Twitter van alles en nog wat was tegengekomen over de zoon van wijlen Antonie Kamerling. Die zat daar als representant van de jongste generatie, die een gap year niet zelden vult met een gapende leegte. Nu ben ik zelf een enthousiaste pleitbezorger van Het Nieuwe Nietsdoen, maar dat fenomeen heeft echt he-le-maal niks te maken met tot drie uur in je bed liggen en vervolgens de dag blowend op de bank doorbrengen met chillen en netflixen. Grote vraag na dit item is natuurlijk of het gaat om een persoonlijk probleem (die jongen heeft namelijk nogal wat meegemaakt) of een ziekte van een generatie.


Over de 18-jarige Merlijn Kamerling werden op sociale media niet alleen maar aardige dingen gezegd. Je kunt je ook afvragen wat precies het doel was van dit televisie-optreden, al vermoed ik dat het deels een wanhoopspoging moet zijn geweest van zijn bezorgde moeder. Ik kan me heel goed voorstellen dat Isa Hoes af en toe ook niet meer weet wat ze met haar zoon aanmoet en misschien hoopt dat dit helpt als opstapje naar een baan als presentator of acteur. Wel verbaasde het me enigszins dat ze zo gepikeerd reageerde toen Freek de Jonge voorzichtig opperde dat dit misschien ook een beetje een luxeprobleem is omdat Merlijn Kamerling is opgegroeid in een geprivilegieerde omgeving.

Nu kan ik het woord 'privilige' zelf inmiddels ook niet meer horen, maar dit gezin is een duidelijke representant van een welgestelde familie uit Amsterdam-Zuid. Wellicht is dat zelfs onderdeel van het probleem, want in arme gezinnen is er doorgaans veel minder ruimte voor typisch Generatie Y-gezeik. Tegelijk wringt het woord 'privilege' nogal, wanneer je bedenkt wat hij allemaal heeft meegemaakt en vervolgens het grote portret van zijn vader ziet hangen boven zijn bed. Daar komt nog bij dat alle kinderen van een ouder die zelfmoord heeft gepleegd, worstelen met schuldgevoelens en de angst dat ze op dit vlak misschien erfelijk belast zijn.


Genoeg dus over hem. Wat het interessante was aan dit item, is dat zijn ledigheid grotendeels werd toegeschreven aan zijn geboortejaar want hij beschouwt zichzelf als een typische representant van de Generatie Z. Als je op internet op dat woord gaat zoeken, stuit je overal op dit soort foto's zodat je al snel het idee krijgt dat het om Generatie Zelfportret gaat. Deze generatie is volgens Isa Hoes zoekende en worstelt met het leven door de hoge (onuitgesproken) verwachtingen van de maatschappij en de ouders. Uit die formulering valt op te maken dat het in de eerste plaats een probleem is dat door ánderen is veroorzaakt.   

Nu is dat natuurlijk niet helemaal onzinnig, want we hebben met z'n allen de gedachte omarmd dat alles mogelijk is, dat geluk maakbaar is en dat succes voor het grijpen ligt. Door sociale media krijgt de jongste generatie ook nog eens een volstrekt vertekend beeld van de werkelijkheid, al was het maar omdat sommige jongeren er inderdaad in slagen om met weinig moeite en zonder te beschikken over een heel bijzonder talent stinkend rijk te worden. Als er dan vervolgens niets uit je handen komt en je niet weet waar jouw talenten liggen of wat je nou eigenlijk echt leuk vindt, werkt dat verlammend en voelt dat als falen.


Persoonlijk denk ik dat je heel erg voorzichtig moet zijn met generaliseren als het gaat om generaties en hun kansen, want dan kun je er net zo goed een horoscoop bij pakken als je toekomstplannen aan het smeden bent. Zelf behoor ik (1961) tot de zogeheten 'Verloren Generatie' en dat klinkt nou ook niet bepaald alsof je aan de start verschijnt met een paar kilometer voorsprong. Van dat etiket heb ik me echter nooit iets aangetrokken, met als gevolg dat ik ook nooit het gevoel heb gehad dat ik benadeeld ben, op het verkeerde moment ben geboren of net achter het net vis.

Ik denk dat het probleem ook niet zozeer is - let op - dat Generatie Z gebukt gaat onder te hoge verwachtingen van de maatschappij, maar dat juist precies het omgekeerde het geval is. Nog iets concreter: deze generatie heeft zélf zulke torenhoge verwachtingen van het leven dat het alleen maar tegen kan vallen. Je eerste verantwoordelijkheid als mens is om in je eigen onderhoud te voorzien, een bestaan op te bouwen en wellicht later ook een gezin te onderhouden. Dat is een heel ander, en meteen ook wel veel overzichtelijker en helderder uitgangspunt dan jezelf maximaal ontplooien, beroemd worden, kijken waar je gelukkig van wordt, zoveel mogelijk van de wereld zien en uitvogelen wat je nou eigenlijk echt wil met je leven om vervolgens als een dood vogeltje te eindigen op de bank.

maandag 28 mei 2018

Als thrillerschrijver had ik juist veel beter een vrouw kunnen zijn

Vorige week las ik in een van de kranten die elke dag op de mat ploffen, een interview met Corina Koolen waaruit zou blijken dat vrouwen in de literatuur nog steeds niet serieus worden genomen. Ook bij het lezen of beoordelen van literatuur zouden we ons laten leiden door allerlei stereotypen, vooroordelen en verwachtingen. Hoewel precies de helft van alle bestsellers is geschreven door een vrouw (en er dus genoeg reden is om de vlag uit te hangen), zou er volgens de kersverse doctor nog van alles mis zijn. Zo wordt het beeld versterkt dat vrouwen op alle vlakken achter het net vissen of benadeeld worden, terwijl je als misdaadschrijver tegenwoordig juist veel meer succes oogst als je een misdaadschrijfster bent. 


Dit is echter geen klaagstukje (hoewel ik me stiekem wel eens afvraag hoeveel exemplaren ik van Terugslag zou hebben verkocht als mijn uitgever Suzanne Vermeer op de cover had gezet). Dat ik nooit ben doorgebroken als misdaadauteur kan namelijk aan van alles en nog wat liggen, van mijn Duitse achternaam tot het feit dat ik als journalist werkzaam was bij een tijdschrift dat onderaan de pikorde bungelde. Het valt zelfs niet uit te sluiten dat het gewoon slecht geschreven boeken waren of goede boeken die slecht waren getimed.

Ik wil op verjaardagen nog wel eens smakelijk vertellen hoe mijn uitgever zich na het lezen van het manuscript van De Duistering hardop afvroeg 'waarom ik toch zoveel religie in mijn boeken stopte', terwijl ze jaren later miljoenen verdienden aan de Da Vinci Code. Ook was er ooit een redacteur die zuinigjes reageerde dat het onderwerp voor het boek Hypotheekvrij! meer geschikt was voor een tijdschriftartikel, terwijl datzelfde boek uiteindelijk het startsein zou vormen voor een reeks van zes boeken en in totaal 1500 pagina's. Zo zie je maar dat succes niet te voorspellen valt en falen aan van alles en nog wat te wijten kan zijn.


Zelf had ik dus om verschillende redenen moeite met bovenstaand nieuwsbericht, al was het maar omdat ik denk dat de uitkomst van tevoren allang vaststond. Er is geen enkele (vrouwelijke) academicus die promoveert op de stelling dat de emancipatie op een haar na is voltooid of tevreden vaststelt dat vrouwen een voorsprong hebben in het misdaadgenre (zelfs al zijn de boeken, zoals in het geval van Suzanne Vermeer, in werkelijkheid geschreven door een man). Ook valt er het nodige af te dingen aan de gehanteerde criteria en het door haar aangevoerde cijfermateriaal.

Erger is dat oppervlakkige volgers van het nieuws zo het idee krijgen dat het nog steeds zorgelijk is gesteld met de positie van de vrouw in de literatuur, terwijl deze column van Elma Drayer een volstrekt ander beeld laat zien en afgelopen zaterdag in dezelfde krant te lezen viel dat Corina Koole zich qua cijfermateriaal voornamelijk baseerde op een twitteraar die alleen maar ijverig turfde hoeveel boeken van vrouwelijke auteurs er in de krant werden gerecenseerde en door wie.


Probleem van het feminisme is dat het een ideologie is die alleen maar op zoek is naar bevestiging van het eigen gelijk. Mijn aanpak verschilt daar radicaal van, omdat ik niet uitga van een vooringenomen standpunt, maar in plaats daarvan voortdurend op zoek ben naar nieuwe gezichtspunten. In mijn boeken til ik elk onderwerp denkbeeldig op om het van alle kanten te bekijken in een poging zin en onzin van elkaar te scheiden. Zo kom je vervolgens tot de conclusie dat het bijvoorbeeld een mythe is dat je een dief bent van je eigen portemonnee als je extra aflost op je hypotheek (en dat misschien zelfs het omgekeerde het geval is).

Hoe misleidend het kan zijn om alles te bekijken door een feministische bril (waarbij je natuurlijk ook een ander bijvoeglijk naamwoord kunt invullen dat met religie of politiek te maken heeft), zal ik illustreren met een simpel voorbeeld. Toen mijn vrouw zwanger was van ons oudste kind, werkte ze fulltime in het basisonderwijs. Na de bevalling was ze eerst van plan om 2,5 dag te blijven werken, maar dat vond ze bij nader inzien teveel zodat ze dat al snel terugbracht tot anderhalve dag (waarmee meteen ook de omgekeerde werkweek geboren was). Ik snapte haar standpunt en begreep haar gevoelens, dus ik vond het allemaal prima.

Mocht mijn levensloop ooit worden opgetekend, dan zou een feministische biograaf over deze periode waarschijnlijk schrijven dat mijn vrouw 'zich opofferde voor mijn carrière'. Daar is geen speld tussen te krijgen, ware het niet dat het met de werkelijke gang van zaken totaal niks van doen heeft en je die redenering net zo goed kunt omdraaien. Zelf vond ik het namelijk nogal een opoffering om bijna een kwart eeuw de rol van hoofdkostwinner op me te nemen en noodgedwongen in de avonduren boeken te schrijven. Klagen doe ik echter niet, zolang mensen maar geen onwetenschappelijke of eenzijdige onzin verkondigen.

vrijdag 18 mei 2018

Wat ik als man in elk geval geleerd heb van #MeToo.

Bijna anderhalf jaar nadat de hashtag #MeToo de wereld overspoelde, zit ik nog steeds te wachten op iemand die het grote grijze gebied tussen man en vrouw in kaart durft te brengen. Dat is hard nodig aangezien je als schrijver tegenwoordig al de krant kunt halen vanwege 'seksueel grensoverschrijdend gedrag' wanneer je iemand ooit tegen haar zin op de mond hebt gekust (dat gaat niet over mij, maar zo ver gaat het dus al). Desondanks: ik heb als man een paar zinnige dingen geleerd van #MeToo, dus al die ophef heeft zeker zin gehad.


Maar eerst even over Harvey Weinstein, de man waar het allemaal mee begon. Ik kan niet naar zijn foto kijken - en dan heb ik nog niet eens de meest louche uitgezocht - zonder het idee te hebben dat het om een mugshot gaat. Anders gezegd: als je die man in een film zou casten als seriemoordenaar of kinderverkrachter, zou iedere recensent schrijven dat het er veel te dik bovenop lag. Je moet niet te snel aan typecasting doen, maar deze man zou je als rechter alleen al op basis van zijn uiterlijk kunnen veroordelen, zelfs als het bewijs rammelt en hij een prima alibi heeft.

Dat zeg ik, omdat ik nu pas goed kan navoelen hoe het is om als groep te worden aangesproken op het gedrag van een paar kwaadwillende individuen. Nu snap ik veel beter hoe vredelievende moslims worstelen met bommenlegers die zeggen te handelen uit naam van de islam. Ja, natuurlijk wil je dan best benadrukken dat je daar tegen bent, maar tegelijk heeft het helemaal niks met jou te maken. De vraag is zelfs of je als samenleving redelijkerwijs kunt verwachten dat mensen zich nadrukkelijk distantiëren van dat soort acties, want zelf beschouw ik mannen die om het hardst met #MeToo meehuilen stiekem ook een beetje als slijmballen en overlopers.


Belangrijk is om het hoofd koel te houden en alles een beetje in perspectief te blijven zien. Als weldenkend mens ben ik uiteraard tegen misbruik en seksuele intimidatie, maar ik herinner me nog heel goed het gemak waarmee Goedele Liekens op televisie de aanklacht tegen Kevin Spacey meteen maar even opschaalde van 'aanranding' naar 'verkrachting'. En ik vind het ook totaal absurd dat je als volwassen man publiekelijk door het slijk gehaald wordt wegens 'seksueel grensoverschrijdend gedrag' wanneer je zes jaar geleden een vrouw tegen haar zin op de mond hebt gekust. Als #MeToo straks van toepassing is op elke onbeholpen versierpoging, moet je niet verrast zijn wanneer mannen verstarren en bang zijn dat alles wat ze doen direct wordt bestraft of ooit wordt opgerakeld.

Tegelijk - en nu komt weer een leermomentje - zie ik dingen achteraf in een heel ander licht. Ooit was ik er als journalist op de Autosalon in Parijs getuige van hoe een uitgelaten collega met zijn mobiele telefoon in het voorbijgaan een upskirt foto maakte van een van de aanwezige modellen die al die nieuwe automodellen opluisterden. Ik herinner me nog goed de geschokte blik van dat meisje, alsof ze zojuist had ontdekt dat iemand een camera in haar badkamer had gemonteerd en haar al tien jaar ongemerkt bespioneerde. Als man denk je uit stoerheid tegenover je vrienden een leuke prank uit te halen, maar je onderschat de impact die zoiets heeft op een vrouw. Anders gezegd: hij raakte haar met geen vinger aan, maar ze keek alsof ze zojuist was aangerand.

Zelf had ik toen net een Nokia waarmee je alleen maar kon bellen, dus ik had amper door wat er precies gebeurde en vond het op dat moment misschien zelfs wel grappig. Nu, ouder en wijzer, heb ik er spijt van dat ik toen niet tegen die jongen heb gezegd dat hij een beetje normaal moest doen. Want als man heb je er totaal geen idee van hoe het is om als vrouw altijd op je hoede te moeten zijn en je onveilig te voelen. Dat is misschien wel de kern van #MeToo: het griezelige besef dat een man in theorie altijd zijn toevlucht kan nemen tot geweld om zijn zin door te drijven. Het gaat vaak om verschil in macht, maar net zo goed om verschil in kracht.

Hoe diep die angst zit, en hoe lichtvaardig je dat als man zou vergeten, ontdekte ik toen ik op een zomerse avond na een filmbezoek naar huis fietste. Het was nog licht en op straat was het door de aangename temperatuur bijna net zo druk als overdag. Ik reed op mijn stadsfiets een kilometer of 25 en hield daarbij de snelheid aan van een vrouw op een e-bike die honderd meter voor me reed. Dat deed ik zonder nadenken, net zoals je op de snelweg met je auto soms op de rechterbaan blijft rijden achter een vrachtwagen die negentig rijdt. Pas toen ze bij een groen stoplicht bleef staan en schichtig opzij keek toen ik voorbij reed, besefte ik dat je als vrouw al heel snel het gevoel moet hebben dat je gevaar loopt, dat iemand op je loert of je zelfs opzettelijk achterna zit.

Ik reed echt op een enorme afstand achter haar op een doorgaande fietsroute waar iedereen dezelfde kant uitreed, maar toch moet ze zich unheimisch hebben gevoeld en het als bedreigend hebben ervaren. Dat is dus misschien wel de belangrijkste les: dat je gedrag heel anders kan worden geïnterpreteerd en dat je als man soms zonder je het te realiseren iets verkeerd doet. Misschien moeten mannen dus nóg beter beseffen dat vrouwen altijd alert moeten zijn op gevaar en hun gedrag daarop afstemmen. Dat donkere park waar jij om tien uur 's avonds fluitend en nietsvermoedend doorheen peddelt, is voor een vrouw - en misschien wel je eigen dochter of vrouw - een duister oord waar overal gevaar loert en een plek om te mijden.

dinsdag 15 mei 2018

Wat gebeurt er als je de balans op maakt na twéé jaar met een basisinkomen?

Gisteren bevond ik mij opeens weer in een raar soort raamvertelling, toen ik op een ligstoel in de tuin een boek aan het lezen was waarin stond dat het onzin was dat mensen met een basisinkomen op zak alleen nog maar lui in een ligstoel liggen. Het leverde niet alleen een daverende schaterlach op, maar riep ook een paar vragen op. Want hoe staan de zaken er nu eigenlijk voor nu ik al twéé jaar van een soort basisinkomen geniet?  En waarom hoor je de laatste bijna niemand meer over dit onderwerp? 


Een klein jaar geleden verscheen mijn boek Leven van de lucht, waarin ik verslag doe van mijn ervaringen met een soort zelf gefinancierd basisinkomen. In dat boek probeer ik antwoord te geven op de vraag wat het met je doet - en welke keuzes je maakt - als je elke maand zomaar 1000 euro in ontvangst mag nemen. Natuurlijk kreeg ik dat geld niet van Vadertje Staat, want die doet nog niet mee met dit soort malle ideeën. In plaats daarvan had ik 60.000 euro bij elkaar gespaard, zodat ik mezelf vijf jaar lang een vast maandelijks bedrag uit kon keren.

Inmiddels zijn we nog eens een jaar verder en bevind ik me halverwege maand 25 van mijn privé-experiment. Het oorspronkelijke spaarpotje waarmee ik op 1 mei 2016 van start ging, is geslonken tot 35.000 euro, maar hoe zit het met mijn arbeidsethos? Ben ik het nietsdoen alweer zat en maak ik me op alle mogelijke manieren nuttig? Of blijkt dat gevoel van vrijheid zo verslavend dat het naar méér smaakt en is er geen weg meer terug?


Het blijkt dat er onder mijn volgers op Twitter mensen zijn - vaak beroepscoaches - die verwachtten dat dit een soort tussenjaar was. In hun ogen was het een tijdelijk experiment, een soort sabbatical om af te rekenen met de laatste spoortjes werkstress. Daarna zou ik handenwrijvend weer aan de slag gaan, misschien wel in een heel andere sector, en al dan niet betaald. Dat is een reflex die ik in mijn boeken ook wel eens heb genoemd: als je het niet naar je zin hebt op je werk, ga je op zoek naar ander werk.

In werkelijkheid bevalt mijn huidige leven me zo goed, dat het idee dat ik me ooit nog ergens vrijwillig om 9 uur zou melden, volstrekt absurd is en onbestaanbaar. Op dezelfde manier kan ik me niet voorstellen dat er op een zomerse dag als vandaag iemand is die écht liever de hele dag op kantoor zit dan op het strand of het terras (of op een ligstoel in de tuin of een racefiets of een bootje op de plassen). Vergeet ook niet dat ik 56 ben en aan niemand had hoeven uitleggen waarom ik lekker niks doe als de VUT niet voortijdig was afgeschaft.


Vandaag vraagt Peter de Waard zich in zijn column in De Volkskrant af waarom het zo stil is geworden rondom het basisinkomen. Dat was mij natuurlijk ook al opgevallen, want in de aanloop naar het verschijnen van Leven van de lucht was het even een hype terwijl je er nu nagenoeg niets meer over hoort. Als verklaring geeft hij dat economische groei en een in sommige sectoren alweer nijpend tekort aan arbeidskrachten niet goed samen gaan met het gratis uitdelen van geld aan de beroepsbevolking.

Met een basisinkomen op zak maakt iedereen waarschijnlijk andere keuzes, maar één ding is zeker: het geeft geeft je een enorm gevoel van vrijheid en van macht. Wat mij elke dag weer verrast is het opwindende gevoel dat vanaf nu alles mogelijk is en dat niets meer hoeft. Ik kan zomaar besluiten om in één jaar tijd 200 films in de bioscoop te zien of spontaan een trekkingbike kopen om lange, meerdaagse tochten mee te maken. Net zoals een kostwinner vaak een kostwinnaar is (in die zin dat hij/zij thuis het laatste woord heeft), zo ben je met een basisinkomen op zak automatisch baas over je eigen tijd.

vrijdag 11 mei 2018

Dat veelgeroemde Zweedse model is dus helemaal niet zo feministisch

Onlangs opperde ik dat het interessant zou zijn om in interviews eens aan feministen te vragen in welk land ze als vrouw liever geboren zouden zijn. Het scheelt namelijk nogal wanneer je nuchter moet vaststellen dat je nergens beter af bent dan in dit land met al zijn vrijheden. Voorspelbaar genoeg waren er toch een paar mensen die opmerkten dat het in IJsland, Zweden en Noorwegen allemaal veel beter geregeld is als het gaat om kinderopvang, vaderschapsverlof en het dichten van de loonkloof. Dat klopt waarschijnlijk, maar als graadmeter voor vrouwenemancipatie is het Scandinavische model een tikje overschat.


Er waren ook mensen die zich hardop afvroegen wat ik nu precies met die vraag duidelijk probeerde te maken. Zelf zou ik het nogal verhelderend vinden als we vast moeten stellen dat je als vrouw het geluk hebt om te mogen leven in een land waar de vrouwenemancipatie zijn voltooiing nadert en iedereen het er in grote lijnen wel over eens is dat vrouwen gelijke rechten hebben en gelijke kansen zouden moeten hebben (inclusief het recht op gelijke betaling). Bovendien zegt het antwoord ook iets over de vraag hoe vrouwen zich een feministische heilstaat voorstellen. Uit al dat gemopper op het patriarchaat kun je namelijk niet meteen afleiden hoe de ideale samenleving er in hun ogen uit zou moeten zien en hoe ver we daar nog precies van verwijderd zijn.

Het heersende idee is dat het in Nederland al aardig de goede kant op gaat, maar dat we op het gebied van vrouwenemancipatie nog een heleboel kunnen leren van Scandinavische landen als Noorwegen en Zweden. Aan dat rooskleurige beeld valt echter wel het een en ander af te dingen na het lezen van bovenstaand artikel uit NRC Weekend. Daar stonden een heleboel dingen in die ook voor mij nieuw zijn, bijvoorbeeld het feit dat er in de jaren vijftig verhoudingsgewijs veel jonge mannen vanuit Zweden zijn geëmigreerd naar landen als Australië en de Verenigde Staten. Ook werden er in dat land zo weinig kinderen geboren dat bezorgd gesproken werd over een 'bevolkingscrisis'.


Om een na-oorlogse verzorgingsstaat op te bouwen en de welvaart te laten groeien, was het noodzakelijk dat vrouwen de arbeidsmarkt betraden. Om die reden werd er een heel pakket aan maatregelen genomen waar hedendaagse feministen nog steeds vol trots naar verwijzen: gratis kinderopvang voor kinderen vanaf vier jaar, riant ouderschapsverlof voor zowel vaders als moeders, subsidies voor grote gezinnen en ga zo maar door. Letterlijk staat er in het artikel: "Kinderen moesten geen belemmering zijn voor moeders om betaald werk te doen".

Laat die laatste zin even goed tot je doordringen. Het was de Zweedse overheid dus niet zozeer te doen om de bevrijding van de vrouw of het vergroten van het individuele geluk van de helft van de bevolking, maar om het ten volle benutten van hun arbeidspotentieel. Je kunt daar een feministisch sausje overheen gieten, maar in de kern is het slechts een pragmatisch, of zelfs ronduit kapitalistisch winstmodel met als doel zoveel mogelijk belastinginkomsten te genereren. Daar profiteert uiteindelijk iederéén van, want zonder werkenden zouden wij hier ook geen AOW hebben. Tegelijk heeft het met emancipatie of vrouwenrechten net zoveel te maken als autorijden met het vermoorden van insecten.


Ik kan niet vaak genoeg benadrukken dat wij hier in huis de rollen naar volle tevredenheid hebben omgedraaid (waarbij mijn vrouw meer is gaan werken en ik meer in het huishouden doe). Dat neemt niet weg dat ik vind dat emancipatie vaak veel te eenzijdig wordt ingevuld en ook te vaak het karakter aanneemt van eenrichtingsverkeer. Zo zag ik niet zo lang geleden de film Die Göttliche Ordnung, waarin Zwitserse vrouwen niet alleen strijden om kiesrecht, maar ook het recht opeisen om buitenshuis te gaan werken. Dat is vanuit hedendaags perspectief niet meer dan vanzelfsprekend, maar tegelijk vraagt niemand in die film ooit aan de man van de hoofdrolspeelster of hij het eigenlijk wel leuk vindt om twee jaar in militaire dienst te gaan of om veertig jaar fulltime te werken als kostwinner. Hij mag dan wel kiesrecht hebben, maar hoeveel heeft hij zélf eigenlijk te kiezen?

Het Scandinavische experiment heeft blijkens het artikel in NRC Weekend nog een merkwaardig schaduwrandje doordat er verhoudingsgewijs veel huiselijk geweld voorkomt. Wetenschappers hebben daar niet echt een sluitende verklaring voor en spreken het vermoeden uit dat dat komt door "verzet tegen gendergelijkheid en woede over de relatief hoge status van vrouwen". Dat valt niet uit te sluiten, maar is tegelijk ook de meest logische uitkomst als je door een feministische bril naar de feiten kijkt. Vrouwenmishandeling hoeft lang niet altijd iets te maken te hebben met het feit dat het slachtoffer een vrouw is, maar kan net zo goed terug te voeren zijn op alcoholmisbruik en depressieve gevoelens die het gevolg zijn van die lange donkere wintermaanden. Zo blijkt maar weer eens dat iets lang niet altijd is wat het lijkt als je er op een iets andere manier naar kijkt.

maandag 7 mei 2018

Over een kleine twee jaar hebben we twéé hypotheekvrije huizen

Op 1 maart 2020 bereiken we - precies acht jaar na het verschijnen van het boek Hypotheekvrij! - een belangrijke mijlpaal. Vanaf dat datum ben ik niet alleen van mijn woningschuld af, maar mag ik me ook de bezitter noemen van twee hypotheekvrije huizen. In mijn laatste boek (Leven van de lucht uit 2017) besteed ik een heel hoofdstuk aan dat onderwerp, maar bij het schrijven van Hypotheekvrij! besloot ik ons vakantiehuis in Overijssel buiten beschouwing te laten. Persoonlijk denk ik dat er niet veel verschil is tussen iemand die een huis bezit van 3 ton en iemand anders die in een huis woont van 2 ton en daarnaast een vakantiehuis heeft van 1 ton, maar de gevoelswaarde is volstrekt anders. Gek eigenlijk, want met een hypotheekschuld van 160.000 euro had ik óók vier pandjes in Rotterdam-Zuid kunnen bezitten.


Eigenlijk is dit dus gewoon weer het zoveelste bewijs voor de stelling dat het nogal wat uitmaakt welke keuzes je als mens maakt. Toen we in 1987 ons eerste huis kochten, had dat gemakkelijk het eerste exemplaar kunnen zijn in een lange reeks waarbij je steeds iets mooier en groter gaat wonen. Het begrip 'wooncarrière' was toen nog in zwang en hield in het meest extreme geval in dat je begon in een appartement en eindigde in een vrijstaand huis. Zo groeide je woning mee met je inkomen en je gezinsgrootte en had je het prettige gevoel steeds een stapje hoger te komen op de zogeheten 'property ladder'.

Omdat wij meteen al in een (bescheiden) vrijstaand huis trokken, ontbrak de behoefte om te verhuizen. Er waren wel mensen die veronderstelden dat we bij de komst van ons tweede kind zouden verkassen, maar dat vond ik maar een onzinnige reden aangezien er ooit een gezin met elf kinderen in datzelfde huis had gewoond terwijl het toen nog een stuk kleiner was. Toch begon het op een gegeven moment te kriebelen, omdat je als mens ook wel eens iets anders wil, iets nieuws of gewoon iets avontuurlijks en verrassends. Zo kwam het dat we in de jaren negentig een vakantiehuisje kochten in Overijssel en in 2006 nog eens eentje in Taubenheim in Duitsland.


Inmiddels weet ik als geen ander dat je niet twee keer zo gelukkig wordt van twee huizen en zéker niet drie keer zo gelukkig wanneer je je onroerendgoedportefeuille nog verder uitbreidt. In Hypotheekvrij! vertel ik openhartig hoe dat huisje in Duitsland een omslagpunt markeert. Je kunt ook zeggen dat de grote ontnuchtering in ons geval al twee jaar voor het uitbreken van de kredietcrisis een feit was. Ik vond het grappig dat bij elk nieuw perceel de hoeveelheid eigen grond precies verdubbelde (van 500 vierkante meter in Overijssel tot 1000 vierkante meter in Duitsland), maar tegelijk ontdekte ik op proefondervindelijke wijze dat het waanzin is om steeds maar meer te willen. Je kunt ook zeggen dat ik op zoek was naar een ingewikkelde oplossing voor een in wezen simpel probleem.

Toen de kredietcrisis in oktober 2008 uitbrak, wist ik niet hoe snel ik naar een makelaar moest bellen om ook ons Nederlandse vakantiehuis in de etalage te hangen. Ik herinner me nog goed hoe blij het meisje aan de andere kant van de lijn klonk toen ze opnam en hoe teleurgesteld ze even later was toen bleek dat ik de zoveelste beller was die in paniek besloten had zijn bezittingen te dumpen. Als we het toen daadwerkelijk hadden weten te verkopen, had ik het aflossingsvrije deel van onze hypotheek waarschijnlijk in één klap kunnen aflossen. De kans is groot dat ik het boek Hypotheekvrij! dan helemaal niet had geschreven en er zelf ook veel minder van had opgestoken. Nu waren we wel gedwongen om het veel zuiniger aan te doen, de bakens op alle fronten te verzetten en de woningschuld geheel op eigen kracht af te lossen.


Toen ik nog fulltime werkte en elke dag in de file stond, keek ik soms de hele week uit naar dat weekendje in de bossen. Het is wel eens gebeurd dat ik op donderdag na mijn werk richting het noorden reed om in ons huisje te overnachten en op vrijdag heerlijk door de omgeving te fietsen. Een vakantiehuis neemt echter een heel andere plaats in je leven in als je met deeltijdpensioen bent, nooit meer de wekker hoeft te zetten en voor je gevoel toch al elke dag vakantie hebt. We hebben het jaren geleden al uit de verkoop gehaald, maar verhuren het nu voor langere tijd aan mensen die in scheiding liggen of hun huis verkocht hebben en wachten op de oplevering van hun nieuwe woning. Gevolg is dat mijn vrouw er 2,5 jaar geleden voor het laatst was geweest en ik er zelf ook alleen nog maar met een zakelijke blik naar keek.

Dat veranderde als bij toverslag toen we er eind vorige week even waren om de nieuwe meubels te plaatsen. Na twee decennia was de boel nodig aan vervanging toe, zodat we op de keuken na het hele woongedeelte hebben opgefrist. Met wat heen en weer schuiven kwamen we uit op bovenstaande indeling en keek ik opeens met heel andere ogen naar ons eigen huisje. Mede door het stralend mooie weer kon ik me goed voorstellen hoe we hier in de nabije toekomst een deel van het jaar zouden kunnen gaan wonen, zeker als mijn vrouw óók helemaal met werken was gestopt. Zo kan het dus gaan in een mensenleven: eerst zit je te bibberen omdat je je baan dreigt kwijt te raken en te bidden dat iemand je van deze zware last verlost, even later ben je reuzeblij dat destijds niemand heeft toegehapt en je er zelf straks misschien nog jarenlang van kunt genieten.

maandag 30 april 2018

Dus dertigers kunnen maar beter helemaal niks aflossen???

Vorige week kreeg ik deze link doorgestuurd met het verzoek of ik de schrijver van dat bewuste artikel een 'pannenkoek' wilde noemen. Nu meen ik me te herinneren dat ik financieel adviseur Paul van der Kwast gekscherend al eens een rare kwast heb genoemd, maar ook dat is wat al te gemakkelijk en niet vreselijk aardig. Daar komt bij dat ik op mijn wenken werd bediend, want kort nadat ik het dringende advies van Van der Kwast aan dertigers had gelezen om maximaal te lenen en vooral niets af te lossen, kreeg ik een mailtje van een 28-jarige vrouw die over vijf jaar al helemaal uit de schulden verwacht te zijn. Nu valt er voor elk scenario wel iets te zeggen, maar dit lijkt me stukken verstandiger en voordeliger dan wachten met aflossen tot de kinderen het huis uit zijn.


Met dit soort onderwerpen moet je natuurlijk heel voorzichtig zijn, al was het maar vanwege het feit dat ik geen gecertificeerde pensioendeskundige ben maar een politicoloog met een extra master in planologie. Ik weet dus wel het een en ander van stadsplanning, maar dat is heel iets anders dan estate planning of financial planning. In 2008 zijn wij zelfs gaan aflossen zonder ook maar enig advies in te winnen bij wie of wat dan ook, dus het is allemaal op eigen verantwoordelijkheid en voor eigen risico. Tegelijk heeft het in ons geval allemaal wonderwel goed uitgepakt, terwijl ik in het stuk van Van der Kwast juist lees dat je beter zoveel mogelijk kunt lenen en zo weinig mogelijk kunt aflossen.

Nu staan er bepaald zinnige adviezen in het artikel uit Intermediair, dus laten we daar eerst maar eens mee beginnen. Zo stelt hij dat iedereen spaargeld achter de hand moeten houden voor onvoorziene uitgaven. Dat lijkt een open deur, maar ik schrik er regelmatig van hoe weinig geld sommige mensen opzij zetten en ook hoe bedroevend weinig ze in totaal op hun hun spaarrekening hebben staan. Natuurlijk kan het inkomen zodanig zijn dat sparen niet lukt, maar in de meeste gevallen heeft het vooral met het uitgavenpatroon te maken. Zelf vind ik het prettig om minimaal 20.000 euro achter de hand te hebben, maar liefst nog veel meer. Je moet dus nóóit - en dat is ook bijna een open deur - al je geld gebruiken om af te lossen.


Sinds 2012 moet iedere nieuwkomer op de woningmarkt verplicht aflossen om nog in aanmerking te komen voor hypotheekrenteaftrek. Iedereen met een lineaire hypotheek of een annuïtaire variant weet op dag 1 dus al dat hij over vijfentwintig of dertig jaar van zijn schuld af is. Strikt genomen is het dus inderdaad niet nodig om tussendoor af te lossen, al ben ik het niet eens met het advies van van der kwast om je aflossingsvrije hypotheek ongemoeid te laten met de dooddoener 'dat komt eventueel later wel'. Als wij hadden gewacht met extra aflossen tot de kinderen het huis uit waren, was ik een jaar of 65 geweest, terwijl ik nu op mijn 47ste in actie ben gekomen en op mijn 55ste al bijna helemaal kon stoppen met werken.

Dat van die overlijdensrisicoverzekering lijkt me een solide advies, maar voor de rest druipt het egoïsme ervan af: zoveel mogelijk lenen, lekker ruim leven, de kinderen later zelf voor hun studie laten opdraaien en geld aftroggelen van je ouders. Vooral dat laatste stuit me nogal tegen de borst, omdat ik vind dat wij als ouders inmiddels wel genoeg betaald hebben voor onze kinderen. Er zal aan het einde van de rit best een erfenis overschieten, maar ik ben niet van plan om als ze eenmaal het huis uit zijn wéér mijn portemonnee te trekken. In plaats daarvan zou ik liever in natura betalen door 
op de kleinkinderen te passen zodat ze minder kwijt zijn aan kinderopvang (net zoals mijn ouders en schoonmoeder in ons geval ook hebben gedaan).


Maar eigenlijk heb ik verder geen enkel ander argument nodig dan dat mailtje dat ik ontving van een lezeres van Hypotheekvrij! die in het kort uiteenzette hoe zij en haar twee jaar oudere partner het voor elkaar hebben gekregen dat ze straks al op hun 33ste (en 35ste) helemaal hypotheekvrij zijn. Hun verhaal laat niet alleen zien dat dertigers helemaal niet achter het net hoeven te vissen op de woningmarkt, maar ook dat Van der Kwast een reusachtige blinde vlek heeft in zijn redenatie. Met een hypotheekvrij huis op je vijfendertigste kun je datzelfde trucje namelijk met gemak nog een keer uithalen met een duurder huis (en daarna misschien zelfs nog een keer). Zo woon je op een gegeven moment gratis in je eigen droomhuis, terwijl al die mensen die niks hebben afgelost in een huis wonen dat van de bank is.

Financieel advies is altijd een kwestie van maatwerk en je zult mij dus nooit horen zeggen dat mensen per se dit of dat moeten doen. In dit geval hoef je je ook alleen maar beter af te vragen wie nu precies beter af zijn: dat stel van begin dertig dat in een hypotheekvrij huis woont en misschien zelfs op dat moment pas aan gezinsuitbreiding begint of die drukke dertigers met jonge kinderen die helemaal niks aflossen, een fortuin kwijt zijn aan kinderopvang, bijna nooit thuis zijn om van hun huis te genieten en zelfs als volwassenen nog hun hand moeten ophouden bij hun ouders. Je kunt je ook afvragen of je liever luistert naar een adviseur die nog druk aan het werk is en een uurtarief hanteert van 125 euro of eentje die al lekker in een luie stoel in de tuin ligt te lezen :-)

woensdag 25 april 2018

Persoonlijk vind ik het vooral een privilege om niet te hoeven werken

Het is me al vaker opgevallen dat mensen het toejuichen als ik met een kritische blik naar de bankwereld kijk of onze overconsumptie onder de loep neem, maar terughoudend of zelfs afkeurend reageren als ik met een frisse blik kijk naar wat anno nu te boek staat als 'feminisme'. Zo vind ik het een heel interessante vraag of je mijn vrouw geëmancipeerder moet noemen nu ze meer dagen is gaan werken of dat ík juist feministischer ben omdat ik steeds meer in het huishouden doe. Dat bleek een foute vraagstelling, zo kreeg ik te horen, want bij emancipatie gaat het in de eerste plaats om gelijke kansen en keuzevrijheid. Even later was daar echter weer onze emancipatieminister die een heel duidelijk geluid liet horen: vrouwen moeten vooral hard aan de slag!


Toen ik nog fulltime werkte en - ik herhaal het nog maar een keer - elke maand twee werkweken in de auto zat als pendelaar tussen Rotterdam en Amsterdam, had ik bij sommige mensen een wat bedenkelijke reputatie. Dat zit zo: ik vond (en vind overigens nog steeds) dat het belachelijk is om als hoofdkostwinner je eigen overhemden te moeten strijken als je om zeven uur moe thuiskomt uit je werk, terwijl je vrouw de hele dag thuis is geweest. Heel veel discussies hadden we daar zelf overigens niet over, maar ik heb voor de aardigheid wel eens uitgerekend dat ik de hele bovenverdieping zou kunnen schoonmaken in de tijd die het me kostte om 's ochtends op mijn werk te komen.

Nu we de rollen min of meer hebben omgedraaid, denk ik daar nog steeds precies hetzelfde over. Hoewel ik naast het huishouden ook de nodige tijd kwijt ben aan het schrijven van columns, blogs en boeken, vind ik het niet meer dan billijk dat ik de rest van de tijd besteed aan opruimen, stofzuigen, boodschappen doen, koken, grasmaaien, strijken, was ophangen en de vaatwasser in/uitruimen. Mijn motto is dat mijn vrouw, die om zeven uur vertrekt en vaak pas om zes uur thuis is, 's avonds niets hoeft te doen wat ik overdag had kunnen doen. Het ironische is dat die uitspraak in deze context heel geëmancipeerd klinkt, terwijl het me voorheen bombardeerde tot de Archie Bunker van de arbeidsmarkt.


Vanmorgen kreeg ik op Twitter het verwijt dat ik het allemaal weer goed geregeld had, omdat ik destijds lekker carrière aan het maken was, terwijl mijn vrouw de kinderen baarde en opvoedde. Nu diezelfde kinderen zo'n beetje op eigen benen staan, hebben we de rollen omgedraaid zodat ik alle tijd heb om in de tuin te gaan zitten of naar de bioscoop te fietsen, terwijl mijn vrouw de kost verdient. Dat is een heel interessante visie, niet alleen omdat ik die wel vaker hoor maar omdat het zo lijkt alsof vrouwen altijd aan het kortste eind trekken. Dat laatste is natuurlijk een beetje inherent aan het feminisme, want dat concept impliceert dat je als vrouw altijd wel 'ergens' het slachtoffer van bent.

Laat ik beginnen met de vaststelling dat iedereen zelf op zoek moet naar de ideale rolverdeling. Zo antwoordde ik deze mevrouw dat ik het geen enkel probleem had gevonden als we vanaf het begin (lees: 1991) de rollen hadden omgedraaid. Hoe 'zwaar' het opvoeden van kinderen precies is, hangt van heel veel zaken af, onder meer van je financiële situatie, je gezondheid en veerkracht en van het aantal kinderen (en de vraag of die misschien speciale aandacht nodig hebben). In ons geval zat er negen jaar tussen de eerste en de tweede, zodat we altijd maar één kind tegelijk op school hadden. Diezelfde basisschool had ook nog eens een continurooster, zodat je feitelijk je handen vrij had tussen half negen en kwart voor drie.


Zo kon het gebeuren dat ik in de krant een opiniestuk las over mannelijke privileges, waarin tien keer het woord 'privileges' voorkomt zonder dat ik snapte waar ze het precies over had. Want terwijl ik 'lekker' carrière aan het maken was, maakte mijn vrouw de eerste vier levensjaren van onze kinderen heel bewust en intens mee. Die eerste jaren zijn zwaar, maar tegelijk is dat ook verreweg de leukste en meest dankbare periode. Om die reden kun je het ook beschouwen als een voorrecht om daar met je neus bovenop te zitten, ook al omdat ik het analoog aan deze situatie altijd heel armoedig vind als tweeverdieners met een mooi huis zo hard moeten werken om datzelfde huis te betalen dat ze zelden of nooit thuis zijn.

Veel jonge vrouwen hadden moeders of oma's die terecht gefrustreerd waren vanwege het feit dat ze niet mochten doorleren of moesten stoppen met werken zodra er kinderen kwamen. Die frustratie is heel begrijpelijk, maar heeft er wel toe geleid dat mensen (lees: vrouwen) de omgekeerde situatie zijn gaan idealiseren. Ik had heel leuk werk, maar ik werkte in de eerste plaats om geld te verdienen en vind het oneindig veel leuker dat ik op mijn 55ste kon stoppen met datzelfde werk. Als het om 'privileges' gaat, voel ik me nu dus pas écht bevoorrecht al voel ik me tegelijk ook wel eens een beetje schuldig als ik op vrijdag in de bioscoop zit terwijl mijn vrouw op hetzelfde moment voor de klas staat.

dinsdag 17 april 2018

In welke surrealistische wereld zijn mensen nog steeds niet aan het aflossen?

Afgelopen maandag - op dezelfde dag dat ik mijn nieuwe column mailde naar de redactie van het magazine Radar+ - werd er in het consumentenprogramma Radar aandacht besteed aan 'aflossingsvrije hypotheken'. Econoom Erica Verdegaal legde op de voor haar kenmerkende treffende manier uit waarom de term 'aflossingsvrij' zo bedrieglijk is en presentatrice Antoinette Hertsenberg waarschuwde dat oudere huiseigenaren die nooit iets hebben afgelost straks misschien uit hun huis zullen worden gezet. Hoewel ik de uitzending met belangstelling heb bekeken, had ik na afloop het gevoel dat me net verteld was dat roken bij nader inzien toch schadelijk is. Want onder welke steen hebben al die huiseigenaren met een aflossingsvrije hypotheek de afgelopen tien jaar dan geleefd? 


Het was het toppunt van een week die af en toe toch al behoorlijk surrealistische trekjes begon te vertonen. Steeds vaker heb ik het gevoel terecht te zijn gekomen in een soort loop waarin heden en verleden elkaar soms op een interessante manier overlappen of zelfs inhalen. Dat is natuurlijk mede het gevolg van het feit dat ik op mij 56ste al min of meer met pensioen ben terwijl ik strikt genomen nog een jaar of twaalf moet wachten op mijn eerste AOW-uitkering. Dan ben je al gauw de enige die in de tuin zit terwijl iedereen hard aan het werk is of de enige verkeersdeelnemer die geen haast heeft. Met een omgekeerde werkweek kom je vanzelf een beetje in een soort omgekeerde wereld terecht en snap je al snel niet meer waar al die artikelen in de media over 'stress' en 'burn-outs' nou eigenlijk over gaan.

Op zich heeft het niks te betekenen, maar afgelopen weekend keek ik naar een dvd van de Nederlandse film Weg van jou. Dit jaar ga ik niet alleen zo vaak mogelijk naar de bioscoop, ik probeer op dvd en Blu-Ray ook mijn achterstand een beetje in te halen. Zo kijk ik voor straf naar elke film van eigen bodem die ik tegenkom, sinds ik zo dom was om Waterboys in de bioscoop over te slaan. In Weg van jou komt Evi uit Rotterdam in Zeeuws-Vlaanderen terecht op een ongezellige kamer in een oude boerderij tot ze door haar kersverse collega's op bovenstaand idyllisch huisje wordt geattendeerd. Toen dat in beeld verscheen, veerde ik verrast op omdat het bijna leek of ze bij óns thuis naar binnen aan het gluren was.

Nu is ons huis ongeveer de helft korter en ligt het veel minder idyllisch (want in de Randstad en niet op het Zeeuwse platteland), maar de eerste indruk is hetzelfde. De afgelopen jaren heb ik ook geleerd dat je je niet moet laten afleiden door details, maar juist oog moet hebben voor de grote lijnen. Zo mijmerde ik op weg naar mijn werk in de file vaak over Ian Fleming die 's ochtend boeken schreef over James Bond en 's middags een duik nam in een azuurblauwe zee. Dat leek een volstrekt onbereikbaar ideaal tot ik besefte dat ik nu precies zo leef, aangezien ik de ochtenden gebruik voor een column of een blog en ik daarna op warme dagen een duik kan nemen in de afgedamde rivier die door ons dorp stroomt.

   
Het werd echter pas écht surrealistisch toen ik - ook weer op dezelfde dag als die uitzending van Radar - een pakje aannam van een meneer van UPS met daarin het album Burning Cities van de Skids. Die naam zegt de meeste mensen waarschijnlijk niks meer en dat is begrijpelijk aangezien hun laatste album Joy uit 1981 stamt. Vanwege dat hiaat van 36 jaar heeft iemand dit album al bestempeld als de comeback van de eeuw, wat ik persoonlijk iets teveel eer vind, maar het is om meer dan één reden een verbluffende ervaring. Zo ontbreekt op deze plaat uiteraard wijlen Stuart Adamson, maar horen we wel de gitarist van Big Country en diens zoon. Dat is een loop die een interessant loopje neemt met de chronologie van de geschiedenis, omdat Big Country juist weer de band is die Stuart Adamson oprichtte na het verlaten van de Skids.

Zelf maakte ik op Twitter melding van de aanschaf van deze plaat met de mededeling dat ik zanger Richard Jobson heb geïnterviewd in 1983 toen ik nog studeerde en nog niet in loondienst werkte als journalist. Ik was een groentje dat als freelancer werkte voor de Groene Amsterdammer, nu ben ik aardig grijs aan het worden en alweer twee jaar met vervroegd pensioen. Zo lijkt het bijna wel alsof Jobson zich al die jaren bewust heeft stilgehouden tot ik weer een draaitafel had gekocht en alle tijd had om plaatjes te draaien. Onzin natuurlijk, maar ik schreef in het gelijknamige boek al dat een plakbandpensioen soms ook een punkbandpensioen is. De titel boven dat bewuste interview uit 1983 had in elk geval niet toepasselijker kunnen zijn.


Iets dergelijks dacht ik gisteren ook even toen ik naar die uitzending van Radar keek en eigenlijk niets hoorde wat ik al niet wist. Daar gáán we weer, flitste het door me heen, alsof een arts op televisie met een plechtig gezicht kwam uitleggen dat roken toch echt heel schadelijk is voor je gezondheid. Die vergelijking maak ik niet zomaar, want ik vermoed dat veel huizenbezitters stiekem wel wéten dat ze eens goed naar hun hypotheekvoorwaarden zouden moeten kijken, maar dat onderwerp liever voor zich uit schuiven tot de bank aanbelt of steeds dringender mailtjes begint te sturen. Lastig daarbij is ook dat lang niet iedereen met een aflossingsvrije hypotheek in de problemen hoeft te komen, zeker niet als deze tegen een lage rente voor lange tijd is vastgezet en geen dwingende einddatum kent.

Tegelijk laat deze uitzending zien wat het gevolg is van de ontlezing en het belachelijke vooroordeel dat er in de krant alleen 'oud nieuws' staat. Ik zie wel eens grafieken voorbijkomen waaruit blijkt dat de oplage van veel kranten sinds de eeuwwisseling is gehalveerd en dat proces is nog lang niet ten einde. Iedereen met een abonnement op een dagblad had allang kunnen lezen op welke ijsberg je afkoerst wanneer je een volledig aflossingsvrije hypotheek hebt en ondertussen niets hebt gespaard of afgelost. Datzelfde geldt in nog veel sterkere mate voor al die mensen die in 2012 mijn boek Hypotheekvrij! kochten en nu alweer zes jaar fanatiek aan het aflossen zijn. Dat is dus pas een échte kloof in de maatschappij: tussen de categorie mensen die goed geïnformeerd is en die grote groep die snel even langs het laatste nieuws skipt op weg naar het boeken van de eerstvolgende vakantiereis.