Zoeken

zondag 7 oktober 2018

Waarom kijk ik zélf eigenlijk niet #aflossingsblij?

Een week geleden ging een campagne van start die bedoeld is om mensen met een aflossingsvrije hypotheek wakker te schudden. Veel consumenten reageren niet op e-mails van de bank of gooien post ongeopend in de papierbak, dus wellicht slaan ze wél aan op een vrolijke commercial vol mensen met blije gezichten. Je moet je verhaal immers een beetje ongedwongen brengen, ook al is de bijbehorende boodschap soms helemaal niet zo grappig en leuk. Grote vraag is dus waarom dat spotje mij niet aanzette tot een ongedwongen rondedansje door de woonkamer.


Toen ik de commercial op maandagmorgen voor het eerst zag - stomtoevallig want mijn oudste zoon had de tv even aangezet terwijl ik de krant zat te lezen en hij zijn ontbijt naar binnen werkte - viel ik van verbazing van de tweezitsbank. Ik wist dat de banken zaten te broeden op de vraag hoe ze alle mensen met een aflossingsvrije hypotheek het beste konden benaderen, maar deze insteek was in meerdere opzichten een verrassing. Het was ook een totaal surrealistische ervaring, alsof ik opeens in een soort timeloop terecht was gekomen waarin alles compleet op zijn kop stond.

Op de eerste editie van mijn boek Hypotheekvrij! werd expliciet verteld dat je hier eindelijk kon lezen 'wat banken je niet vertellen'. Het is dan op z'n minst een tikje ironisch als diezelfde banken zes jaar later wél met die boodschap over de brug komen. Je kunt deze campagne dus beschouwen als mosterd na de maaltijd of als bakzeil halen, maar meer nog is het een boetedoening voor het bedenken van het misleidende woord 'aflossingsvrij'. Ik vrees dat er nog steeds mensen zijn die oprecht denken dat je een dergelijke hypotheek niet hoeft af te lossen, terwijl het juist gaat om een lening waarbij je alle vrijheid hebt om in je eigen tempo af te lossen.


Verder dan dat wil ik niet gaan, want ik ben het volstrekt oneens met huiseigenaren die beweren dat banken deze hypotheekvorm hebben opgedrongen. Ik moest erg lachen om dat filmpje van Pieter Derks, maar inhoudelijk rammelt het een beetje. Het is uitgesproken jammer dat hij precies tien jaar geleden een huis heeft gekocht (want vlak voor de kredietcrisis en de bijbehorende daling van de prijzen, maar je kunt moeilijk volhouden dat de bank hem die hypotheek heeft aangesmeerd of in de maag heeft gesplitst. Als huizenkopers in die hoogtijdagen van de huizenmarkt een adviseur troffen die tot behoedzaamheid maande en hen wees op de risico's, zochten ze gewoon een andere tussenpersoon die wél bereid was hen het maximale bedrag te lenen.

De aflossingsvrije hypotheek kwam banken goed uit (omdat ze geld konden blijven uitlenen ondanks de hoge huizenprijzen), maar burgers profiteerden er net zo goed van omdat hun droomhuis op deze manier binnen bereik bleef. Je kunt deze hypotheekvorm ook heel goed benutten door de eerste paar jaar helemaal niks af te lossen en daarna - als je inkomen is gestegen - alsnog te beginnen met extra stortingen. Je kunt echter moeilijk volhouden dat je als consument in 2008 totaal niet wist waar je je handtekening precies onder zette als je bedenkt dat ik in datzelfde jaar uit mezelf ben begonnen met aflossen.


Het meest bevreemdende aspect van deze hele campagne is echter de slogan 'aflossingsblij'. Die term kwam me zo bekend dat ik mijn eigen boeken er nog eens heb bij gepakt om te zien of (beter gezegd: wanneer) ik die woordspeling zelf al eens had gebruikt. Dat bleek niet in Hypotheekvrij! te zijn, maar wel in Het nieuwe nietsdoen dat twee jaar later verscheen en dat zich zou ontpoppen tot mijn bestverkochte boek. Vier jaar voordat het duurbetaald reclamebureau van de banken de domeinnaam www.aflossingsblij.nl lanceerde, had ik hem dus al in een boek opgenomen. Iemand anders maakte me er zelfs nog op attent dat ik mijn lezers op 1 januari al eens 'een aflossingsblij 2016' had toegewenst.

Los van het feit dat deze campagne dus niet bepaald de originaliteitsprijs verdient, vraag ik me af waar al die vrolijke gezichten en blije danspasjes precies naar verwijzen. Natuurlijk kan het een hele opluchting zijn als je ontdekt dat je je geen zorgen hoeft te maken en dat er in jouw specifieke geval geen noodzaak is om ook maar één cent extra af te lossen omdat je hypotheekakte geen einddatum kent en je de maandlasten makkelijk kunt ophoesten. Tegelijk denk ik dat je pas echt aflossingsblij bent - en ook gewoon erg blij - wanneer je net de allerlaatste extra storting hebt gedaan en je midden in de zomer een vreugdevuur ontsteekt in je hypotheekvrije achtertuin.


zaterdag 29 september 2018

Kun je een filmboek schrijven zonder het over #MeToo te hebben?

Half januari verschijnt mijn nieuwe boek waarin ik verslag doe van dit filmjaar. De insteek is tweeledig: wat doet het met je leven als je gemiddeld elke werkdag één keer naar de bioscoop gaat? En: wat vertellen al die films ons over de wereld waarin we leven en de mensheid? De maand september zal daarbij geheel in het teken staan van #MeToo, niet alleen omdat die beweging in Hollywood begon, maar ook omdat we sindsdien feitelijk niet veel zijn opgeschoten en weinig hebben geleerd.


Het zal overigens nog een hele klus worden om die bewuste hoofdstukken te schrijven, want aan ruw materiaal heb ik zo'n 15.000 woorden terwijl een compleet boek ongeveer 60.000 woorden telt. Met mijn mijmeringen en observaties zou ik dus gemakkelijk een kwart boek kunnen vullen, terwijl ik me met het oog op variatie en leesbaarheid moet beperken tot twee hoofdstukken. Dat knaagt, zeker omdat uit de zaak Kavanaugh nog eens blijkt hoezeer dit onderwerp is gepolitiseerd en hoe de discussie al is vastgelopen voordat hij goed en wel is begonnen.

De afgelopen dagen plaatste ik op twitter al een paar voorzichtige kanttekeningen bij die kwestie en dat valt niet bij iedereen in goede aarde. Zelf denk ik dat je als politicoloog en schrijver - dus niet als persoonlijk betrokkene - best een paar zinnige dingen kunt zeggen over de gang van zaken rond de benoeming van deze opperrechter zonder dat dat verder ook maar iets zegt over je eigen politieke voorkeur of je kijk op de gewenste omgang met vrouwen.


Laat ik een paar voorbeelden noemen, zonder van de inhoud van mijn boek verder iets weg te geven. Zo hoorde ik op televisie een paar keer zeggen dat Christine Blasey Ford zo geloofwaardig overkomt dat ze een Oscar zou hebben verdiend als ze dit allemaal uit de duim had gezogen. Nou, zoiets doms zeg je niet als je dit jaar al meer dan 195 bioscoopfilms hebt gezien. Ik vind dat Charlize Theron een Oscarnominatie heeft verdiend voor haar rol in Tully en Maria Kraakman een Gouden Kalf voor In Blue, maar bij Blasey Ford werd ik al na een minuut helemaal gek van dat huilerige toontje in haar stem. Als het inderdaad geacteerd zou zijn, dan is het slecht geacteerd.

Nu we het toch over films hebben (en dat laat meteen zien dat een filmboek nooit alleen maar over films kan gaan): het incident dat ze beschrijft bij het verhoor onder ede is iets wat je in de bioscoop héél vaak ziet. Er is een feest aan de gang van scholieren of studenten, iedereen is aangeschoten en dronken, en in elke slaapkamer, badkamer of gangkast zijn stelletjes aan het frunniken en friemelen. Dat rechtvaardigt niks en zegt verder ook totaal niks over vrijwilligheid en onveiligheid, maar het is iets wat niet alleen in films heel veel voorkomt. Feestje zijn op die leeftijd vaak juist een excuus voor halfdronken vrijpartijen buiten het blikveld van ouders en opvoeders.


Zijn jullie er nog? Mooi, want ik kan zo nog wel even doorgaan. Zo ging het er op televisie voornamelijk over wie het meest authentiek, betrouwbaar en geloofwaardig overkwam. Dat zijn goede criteria voor het uitkiezen van een partner of het selecteren van de beste sollicitant, maar het lijkt me een nogal wankele basis voor een stemming of een gerechtelijke uitspraak. Zelf vind ik Kavanaugh een beetje gluiperig, maar ook Blasey Ford is niet alleen maar oprecht. Sympathie en antipathie doen er echter helemaal niet toe, al zullen alle vrouwen die ooit iets vervelends hebben meegemaakt met een man automatisch hun gevoelens en ervaringen projecteren op Blasey Ford en alleen al om die reden blindelings haar kant kiezen.

Dat is niet gek, want als Kavanaugh onder vuur ligt voel je je als man ook een beetje aangesproken, zelfs als je nooit op Trump zou hebben gestemd en je oprecht vindt dat mannen respectvol met vrouwen zouden moeten omgaan. Maar toch valt er nog wel iets interessants over haar verklaring te zeggen, bijvoorbeeld hoe listig ze haar verhaal opschaalt door woorden te gebruiken als 'poging tot verkrachting' en 'moord'. In een eventuele rechtszaak zou Kavanaugh hooguit aangeklaagd worden voor aanranding, maar het consequente gebruik van die andere woorden suggereert iets veel ernstigers en zwaarders (ook al zeg je feitelijk alleen maar dat je 'bang was dat hij je per ongeluk zou vermoorden').


En zo zitten er nog veel meer interessante aspecten aan deze zaak. Want hoe betrouwbaar is je geheugen nog na 36 jaar? Herinnert Blasey Ford (en datzelfde geldt natuurlijk voor Kavanaugh) zich de gebeurtenis of vertelt ze slechts de laatste versie die ze in haar hoofd heeft opgeslagen? Een vrouw van 51 is zo'n ander schepsel dan een kind van 15 dat het feitelijk een totaal ander persoon is en in zekere zin zelfs een vreemde. Misschien was dat meisje van 15 op dat feestje niet alleen een beetje dronken , maar ook een beetje opgewonden, overmoedig en nieuwsgierig. Dat kan allemaal, net zoals het mogelijk is dat ze van A tot Z de waarheid vertelt en zelfs dat het nog veel erger en pijnlijker was dan ze schetst.

Ook vaak gehoord op televisie de afgelopen week: waarom zou iemand zoiets verzinnen? Wel, heb je even? Geef mij een kladblok en een pen en ik schrijf vier totaal verschillende verhalen waarin ik het volstrekt aannemelijk maak dat ze dit verzint of zo heeft ingekleurd dat ze zich heeft gereduceerd tot weerloos en willoos slachtoffer. Het kan aandachttrekkerij zijn of een manier om jezelf belangrijker te maken dan je bent. In een van die verhalen zou ik haar zelfs heimelijk jaloers laten zijn op de vrouw van Kavanaugh en de status van zijn nieuwe functie. Je kunt deze zaak nou eenmaal niet bekijken zonder er door de ogen van een psycholoog (of een romanschrijver) naar te kijken.

Hier laat ik het voorlopig bij, al moet het me nog wel van het hart dat ik nog steeds niet goed weet of je iemand wel zomaar kunt beschuldigen van iets wat hij hij op zijn zeventiende heeft gedaan. Los nog van de leeftijd, kun je vaststellen dat hij er destijds niet op is aangesproken of voor is aangeklaagd. Vraag is of je dat vervolgens een leven lang als een soort troefkaart achter de hand mag houden om op het geschikte moment te trekken. Doet ze dat louter uit edele motieven of om zijn carrière te frustreren en zo indirect de plannen van president Trump te dwarsbomen?

Daarmee is het laatste woord over deze kwestie nog niet gezegd, maar ik denk persoonlijk dat het interessante vragen zijn waar we in alle openheid over verder zouden moeten discussiëren. Dat gebeurt nu nog veel te weinig, want op Adriaan van Dis na heb ik op televisie vooral veel jaknikkers gezien die meehuilen met de wolven in het bos en verder niets interessants aan de discussie hebben bij te dragen. Grote vraag blijft namelijk hoe we ons het post-MeToo-tijdperk precies voorstellen. Beter gezegd: het kan terecht zijn om iemand te veroordelen voor iets wat hij 35 jaar geleden heeft misdaan, maar hoe stellen we ons de wereld voor over 35 jaar? Dat lijkt me interessanter en leerzamer dan bij elke gelegenheid kritiekloos en klakkeloos de kant van het slachtoffer te kiezen zonder op z'n minst een paar kanttekeningen te plaatsen.

zondag 23 september 2018

Waarom zou je (M/V) eigenlijk per se carrière willen maken?

De laatste tijd wordt er weer met alle macht op vrouwen ingepraat en aan hen getrokken om vooral méér uren te gaan draaien. Daarbij hoor je steevast dezelfde versleten argumenten: het brengt meer geld in het laatje voor de overheid, je bent het aan de maatschappij verschuldigd en je hoeft niet de bijstand in als je relatie onverhoopt strandt. Bovendien kun je in deeltijd nooit de top bereiken. Vraag is echter hoe erg dat laatste is, want zelf heb ik ook nooit mijn best gedaan om hogerop te komen.


Laat ik voorop stellen dat iedereen zo veel en zo hard en zo lang mogelijk mag werken als hij/zij zelf wil. Wie mijn boeken heeft gelezen, weet dat ik me sterk maak voor zelfbeschikking, persoonlijke vrijheid en eigen keuzes. De heersende trend is echter dat er van alle kanten aan mensen getrokken wordt om de handen uit de mouwen te steken en liefst fulltime aan de slag te gaan. Mannen doen dat meestal al uit zichzelf, dus vooral vrouwen zijn het doelwit van overheidscampagnes, peer-pressure en persoonlijke columns die inspelen op hun angst of schuldgevoel.

Daarbij krijgen 'deeltijdprinsesjes' die 'teren op de zak van hun partner' (niet mijn woorden), regelmatig te horen dat ze een carrière wel kunnen vergeten als ze parttime werken en op deze manier ook nooit de top zullen bereiken. Het verklaart de moeite die het vaak kost om voor leidinggevende functies en raden van bestuur voldoende geschikte vrouwelijke kandidaten te vinden, maar het gaat geheel voorbij aan de vraag waarom je met alle geweld steeds hogerop zou willen komen (zeker als geld en status je koud laten).


Zelf ben ik zo'n dertig jaar journalist geweest zonder ook maar één tel de ambitie te hebben om eindredacteur of hoofdredacteur te worden. Ik hield van het ambacht en de afwisseling en had er weinig zin in om de baas te spelen, te vergaderen met de directie of  eindverantwoordelijk te zijn voor de inhoud. Ik kon vrij nemen wanneer ik wilde en had als razende reporter precies die vrijheid waar ik behoefte aan had. Op dezelfde manier werkt mijn vrouw al sinds 1982 (parttime) in het onderwijs zonder dat ze ooit de wens heeft gekoesterd om directeur te zijn. Je kunt je werk decennia lang met veel plezier doen zonder ook maar één tree hogerop te komen.

Niet zo lang geleden was ik op een verjaardag en daar werd me op fluistertoon meegedeeld dat een van de vrouwelijke leraren in het gezelschap onlangs was benoemd tot rector. Die fluistertoon had waarschijnlijk met discretie te maken maar vooral met ontzag, terwijl ik de mededeling schouderophalend in ontvangst nam en ondertussen bedacht dat ze eigenlijk ook wel de leeftijd had om zo zoetjesaan te stoppen met werken. Wie belang hecht aan status, moet dus wel beseffen dat andere mensen niet zo snel onder de indruk zijn van wat er nou precies op je visitekaartje staat.


De laatste vier jaar van mijn loopbaan (die je in mijn geval dus als een rechte lijn moet zien in plaats van een ladder of een curve) kwam ik noodgedwongen in de situatie terecht dat ik chef moest spelen en freelancers moest aansturen. Het waren vier interessante jaren omdat ik eindelijk het tijdschrift kon maken dat me voor ogen stond, maar dat werd goeddeels teniet gedaan door de werkdruk, de tegenvallende advertentie-inkomsten, het overleg en de verkoopcijfers die na een veelbelovend begin langzaam begonnen af te kalven. Nu werk ik af en toe nog wat aan de keukentafel en is van een carrière in de klassieke zin in het geheel geen sprake meer.

Ook opvallend in deze discussie - maar dat is eigenlijk een apart onderwerp - is dat er in al die berichten over werkende vrouwen gesproken wordt over kinderopvang, terwijl dat maar een tijdelijke fase is. Een vrouw die op haar 28ste voor het eerst moeder wordt, heeft op haar veertigste een kind dat op de middelbare school zit en moet met een beetje pech nog dertig jaar wachten op de eerste AOW-uitkering. Juist in die wat minder hectische fase is het belangrijk om te kiezen voor wat je écht belangrijk vindt in het leven en je niets aan te trekken van wat de maatschappij van je verwacht of wat toevallig op dat moment in de mode is.

vrijdag 14 september 2018

Een jaar lang elke werkdag naar de bioscoop

Nog een paar maanden en dan verschijnt mijn nieuwe boek, waarin ik verslag doe van mijn fanatieke bioscoopbezoek in 2018. Er zijn nogal wat mensen die dat beschouwen als een stijlbreuk of als een stom onderwerp, terwijl ik het zelf juist zie als een vet uitroepteken achter de serie die in 2012 begon met het boek Hypotheekvrij! Het gaat immers in de eerste plaats over het incasseren van een welverdiende beloning na al die jaren van aflossen en afbouwen.


De werktitel van Een jaar in het donker maakt al iets beter duidelijk wat ik met dit boek - en eigenlijk met dit hele experiment - voor ogen had. Het was namelijk niet alleen mijn bedoeling om in een jaar tijd 250 films te zien in de bioscoop, maar ook om dat te doen onder wérktijd. Dus had ik het bijbehorende mapje op mijn computer 'Naar de film in kantoortijd' gedoopt, nadat ik een artikel had gelezen met een soortgelijke kop. Het getal 250 is ook niet toevallig gekozen, want dat betekent dat ik - met tussendoor twee weekjes zomervakantie - omgerekend elke werkdag precies één film heb gezien.

Nu is dat natuurlijk niet normaal (hoewel het nog lang geen wereldrecord is), maar het is dan ook nadrukkelijk bedoeld als een eenmalig experiment. Volgend jaar zal ik vast en zeker regelmatig naar de bioscoop gaan, maar wel veel minder frequent en ook niet langer met dat ene afgeronde getal in mijn achterhoofd. Met dit boek wil ik eigenlijk alleen maar laten zien wat er - door jezelf een tijdje op rantsoen te zetten en fanatiek te gaan aflossen en sparen - aan het einde van de rit allemaal op je wacht als uitgestelde beloning. Want dan is er ruim voor je echte pensioendatum ineens alle tijd voor jouw eigen hobby's, dromen en plannen.


Door het kijken naar al die films - en vooral ook door elke week zonder onderscheid naar álle nieuwe films te kijken die uitkomen - is mijn kijk op de wereld een heel andere dan aan het begin van het jaar. Het lijkt een flauwe woordgrap, maar ik kan je verzekeren dat zo'n stroom bewegende beelden uit alle uithoeken van de wereld je horizon verbreedt en je blik verandert. Ik ga op deze plek niet verklappen tot welke conclusies ik allemaal ben gekomen, maar ik ben in sommige opzichten een heel ander mens dan aan het begin van dit experiment.

Zo ben ik nu pas goed gaan beseffen hoe belangrijk het is waar dat hypotheekvrije huis eigenlijk precies staat, want ik kan met mijn Cinevillepas kiezen uit vier - en als ik Schiedam meereken zelfs vijf - theaters op fietsafstand. Ik voel me niet alleen de koning te rijk doordat ik zeer binnenkort een hypotheek heb van nul euro, maar ook omdat ik kan kiezen uit een enorm aanbod aan films. Daar komt bij dat ik onder de rook woon van zo'n wakkere stad dat ik in sommige theaters al om tien uur 's ochtends terecht kan en ik in alle vroegte langs de file op de A16 fiets op weg naar de bios.


Een jaar in het donker - dat nog niet eens af is want het jaar telt nog ruim drie maanden - wordt natuurlijk geen droge opsomming of een bundel met 250 recensies. In het boek beschrijf ik mijn bevindingen en observaties, vertel ik welke levenslessen je uit dit experiment kunt trekken en vraag ik me af wat er nog voor zinnigs te zeggen valt over #MeToo nu het stof een beetje is neergedaald. Daarmee is dit waarschijnlijk het meest beschouwende en filosofische boek tot nu toe, want aflostips ontbreken en ik heb het alleen maar over geld als ik uitreken hoeveel elke bioscoopkaartje me dankzij het vaste abonnementstarief van 20 euro per maand met terugwerkende kracht heeft gekost.

Niet iedere lezer zal het leuk vinden als ik hen een spiegel voorhoud of ga zitten graven in hun psyche. Maar op één vraag zal iedereen voor zichzelf toch een antwoord moeten proberen te formuleren. Wanneer ik op donderdag al om tien uur in de bioscoop zit en drie films achter elkaar bezoek, breng ik daar in feite een hele werkdag door en heb ik het gevoel dat ik - al dan niet in het gezelschap van mijn vrouw - te gast ben op mijn eigen kinderfeestje. De gemiddelde werknemer moet dan wel met héél sterke en vindingrijke argumenten op de proppen komen om mij ervan te overtuigen dat een hele dag op kantoor leuker of bevredigender is dan een dagje Kino...




woensdag 29 augustus 2018

Na de zomervakantie gaat de vakantie gewoon door

Op de laatste dag van de zomervakantie vroeg de eigenaar van het appartement aan de voet van het Zwarte Woud met oprecht medeleven of ik de dag na thuiskomst weer naar mijn werk moest. Het enige juiste - en eerlijke - antwoord op die vraag is dat de keukentafel mijn werkplek is en dat ik als schrijver en columnist mijn werktijden helemaal zelf kan bepalen. In die zin gaat de vakantie na thuiskomst dus gewoon door, want ik probeer het meestal zo te plannen dat ik zit te tikken met druilerig weer en alleen maar leuke dingen doe als het droog is en de zon schijnt. Vandaar dat ik met meer dan gemiddelde aandacht begon aan een artikel uit De Volkskrant waarin wordt betoogd dat we niet zonder werk kunnen.


Grappig genoeg is het bewuste artikel geschreven door een leeftijdsgenoot, want als ik de naam Sander van Walsum intik op google ontdek ik dat hij 58 jaar oud is, dus van precies dezelfde generatie als ik. Dat wakkert mijn nieuwsgierigheid alleen maar aan, want ik ben oprecht benieuwd naar de motieven van iemand die in die levensfase heel andere keuzes maakt en alles ook van een totaal andere kant belicht. Hoe is het mogelijk dat iemand van bijna 60 zich na een paar weken vakantie weer handenwrijvend op kantoor meldt?

Nu geef ik in mijn boeken altijd duidelijk aan dat (betaald) werk op heel veel verschillende manieren een belangrijke functie vervult in een mensenleven. Je kunt je hypotheek nou eenmaal niet aflossen door thuis op de bank duimen te gaan draaien en je kunt ook niet sparen zonder eerst geld te verdienen. Werk kun je beschouwen als een belangrijke maatschappelijke bijdrage, maar ook als een inkomstenbron voor je persoonlijke Plan B. Zelf schrijf ik óók nog steeds elke week een column, maar ik werk allang niet meer de hele week.


De dag na mijn vakantie heb ik voor het eerst in máánden het gras weer eens gemaaid en na het avondeten ben ik naar de bioscoop geweest in Dordrecht. De volgende ochtend heb ik vrijwilligerswerk gedaan (waar ik het later nog wel eens over zal hebben) en 's middags heb ik opnieuw een film gezien. Zo wist ik me twee dagen lang opperbest te vermaken zonder dat ik het gevoel had dat ik iets miste of de behoefte voelde om ergens te gaan solliciteren. Ik vind niet dat iedereen die in loondienst werkt een loser is (zoals iemand vorige week op Twitter suggereerde), maar ik vind het wel belangrijk om hardop de vraag te stellen waarom je als mens 40 jaar achter elkaar zou moeten werken of elke week precies 40 uur.

Merkwaardig genoeg haalt Van Walsum meteen al de econoom John Maynard Keynes erbij die ooit voorspelde dat we anno nu slechts 15 uur per week zouden werken. Dat voorbeeld wordt de laatste jaren vaak aangehaald (ook door mij in een van mijn recente boeken), maar ik kan me niet herinneren dat het daar in de jaren '80 ooit over ging. Het kan best dat Van Walsum - als historicus - toen al weet had van dat essay van Keynes, maar het kan ook dat hij zijn verleden met terugwerkende kracht en met de kennis van nu inkleurt. In de jaren 80 was er bijna geen werk, maar er werd ook heel anders gedacht over werk.


Ik heb het bewuste artikel twee keer gelezen, maar heel overtuigend vind ik het betoog niet. Volgens Van Walsum zijn we 'intrinsiek aan werk gehecht' en hechten we aan 'de sociale contacten' die het oplevert. Bovenal lijkt het alsof hij zichzelf moed aan het inpraten is na een fijne vakantie en van alles verzint om het leed wat te verzachten. Het verhaal geeft in elk geval geen sluitend antwoord op de vraag wat er zou gebeuren als de krant besloot om hem een jaartje met betaald verlof te sturen. Een paar weken vakantie is niet genoeg om af te kicken van je betaalde baan, maar wie een paar jaar heeft kunnen proeven van de vrijheid wil echt voor geen goud meer terug.

Aan het slot van zijn verhaal komt hij echter met een observatie waar ik me helemaal in kan vinden. Werk moet (al was het alleen maar omdat je die hypotheek nou eenmaal in 30 jaar moet aflossen), dus het 'moet' ook wel een toegevoegde waarde hebben. Niemand houdt het vol om zo lang met tegenzin aan de slag te gaan, dus verzinnen we er van alles bij en tuigen we een hele kerstboom op vol drogredenen. In die zin lijden we volgens hem allemaal aan een milde vorm van het Stockholmsyndroom, waarmee hij in elk geval laat zien dat hij mijn boek De omgekeerde werkweek kent óf in elk geval het Duits voldoende beheerst om het boek Arbeit van Joachim Bauer te hebben gelezen. :-)


zaterdag 4 augustus 2018

Néé, een vliegvakantie is geen mensenrecht

Enkele weken geleden schreef ik in mijn wekelijkse column op de economiepagina van het Reformatorisch Dagblad dat het geen enkele zin heeft om je huis energiezuinig te maken als je vervolgens een paar keer per jaar in het vliegtuig stapt naar Ibiza of Thailand. De bereidheid om echte offers te brengen is gering, zelfs bij mensen die het verband erkennen tussen onze manier van leven en de opwarming van de aarde. In plaats daarvan razen - of misschien moet hier wel staan: reizen - we richting de afgrond waarvan deze gortdroge zomer slechts een voorproefje is.


Zoals eerder vermeld ben ik voornemens om volgend jaar, of misschien zelfs wel met ingang van volgend jaar, alles op de fiets te gaan doen. Zelf beschouw ik het als een avontuur, net zoals versneld aflossen achter gezien eigenlijk ook één spannende ontdekkingstocht was met allemaal verrassende vergezichten. Tegelijk besef ik dat de CO2-uitstoot van een ongemotoriseerde manier van leven heel gering is, wat je dus bij voorbaat kunt beschouwen als een bijkomend voordeel.

Datzelfde gebeurde eerder al toen we superzuinig begonnen te leven om onze hypotheek versneld te kunnen aflossen. Niet alleen zorgde die levenswijze ervoor dat we jaarlijks tussen de 15.000 en 20.000 euro extra in onze hypotheek konden storten, ik besefte ook dat we op deze manier een veel kleinere ecologische voetafdruk hadden. Je kunt ook zeggen dat we door onze zuinige lifestyle zuiniger omsprongen met de planeet en geen hypotheek namen op de aarde.


Je kunt die redenering niet omdraaien (want we zijn alleen maar gaan aflossen om zelf het hoofd boven water te houden), maar het is wel een prettige bijkomstigheid dat ons gedrag tegenwoordig minder milieubelastend is. Dat blijft ook zo, want ik ben niet van plan om ineens weer met geld te gaan smijten als we in maart 2020 écht helemaal hypotheekvrij te zijn of bij die gelegenheid vuurwerk af te steken op Bali in plaats van in de eigen achtertuin.

Natuurlijk zijn er mensen die geen waarde hechten aan alle alarmerend verhalen over de opwarming van de aarde omdat het een linkse hobby is van 'klimaatgekkies', maar laten we er voor de aardigheid eens van uitgaan dat we met onze manier van leven inderdaad een soort omgekeerde zondvloed over ons afroepen en grote delen van de aarde onleefbaar maken. Kun je dan nog wel met goed fatsoen een paar keer per jaar heen en weer vliegen naar Ibiza of heeft de hierboven afgebeelde Jan Mertens misschien een punt?


In het interview krijgt Mertens de vraag voorgelegd of vliegen inmiddels niet een soort mensenrecht is geworden, waarmee we de kern van het probleem meteen te pakken hebben. In een van mijn boeken schrijf ik dat de luxe van vandaag de standaard van morgen is, waardoor het steeds meer moeite kost om een stapje terug te doen en we hebberig op een wankele ladder naar de bovenste vruchten tasten in de bijna kaalgevreten boom der wijsheid.

Want, nee, vliegen is geen mensenrecht en zelfs geen verworven recht. Goedkope vliegreizen vormen een perversie die ons op termijn duur zal komen te staan en die je alleen als een verworvenheid kunt beschouwen als je het afmeet aan je levensgeluk op de zeer korte termijn. Zelf verwacht ik echter niet dat er veel gaat veranderen in ons gedrag en onze manier van denken, zolang we Tadzjikistan in de krant een 'fietsparadijs' noemen, terwijl we in werkelijkheid zonder het te beseffen in het enige echte fietsparadijs van de wereld wonen.

woensdag 11 juli 2018

Zorgt al dat zonnige weer ook voor een zonnig humeur?

In het Volkskrant Magazine van afgelopen weekend werd hardop de vraag gesteld of er een verband bestaat tussen 'het weer' en 'geluk'. Dat lijkt me overduidelijk, maar toch blijkt dat volgens de auteur van het artikel maar lastig wetenschappelijk te bewijzen. In het artikel wordt zelfs een sociaal-psycholoog aangehaald die beweert dat zonnig weer helemaal niet leidt tot een zonnig humeur. Rara hoe kan dat?


Als mensen vragen hoe het met me gaat, luidt het antwoord doorgaans: 'Goed, maar vraag het me nog een keer in het voorjaar.' In de wintermaanden weet ik me doorgaans ook prima te vermaken, maar dan kom ik tegelijk zo weinig buiten dat ik net zo goed op twaalf hoog in de stad zou kunnen wonen. Zodra de lente aanbreekt, gaan de tuindeuren open en slenter ik vaak al om zeven uur in de ochtend met een krant onder mijn arm naar het terras.

Het aantal mogelijkheden om jezelf te vermaken (lees: de verschillende manieren om niets te doen) stijgt dan ook exponentieel. In de wintermaanden lees ik een boek op de bank, kijk ik een film in bed of ben ik te vinden in de bioscoop. In de lente en de zomer zit ik bijna elke dag op de fiets, lees ik een boek in de tuin, eten we aan de waterkant en ben ik buiten tot het donker wordt zodat de televisie niet eens aangaat. Je kunt dus ook zeggen dat ik dan een totaal ander leven leid.


Toch kun je daar volgens de krant niet zomaar conclusies aan verbinden. Nu snap ik wel dat er in deze tijden van nepnieuws en fake-accounts behoefte bestaat aan onweerlegbare feiten en wetenschappelijk onderbouwde conclusies, maar dit lijkt me een inkoppertje waar je als socioloog niet veel aan toe te voegen hebt met een paar vragenlijsten. Toevallig merkte ik een paar dagen geleden nog tegen iemand op dat een 'omgekeerde werkweek' net zo goed kan inhouden dat je van oktober tot april fulltime werkt om vervolgens zes maanden lang te genieten van de zon.

Om het verband tussen zonlicht en geluk te onderzoeken moet je dus niet klakkeloos naar landen kijken waar de zon altijd schijnt zoals de schrijfster van het artikel doet. Elke dag zon gaat al snel vervelen, net als elke dag biefstuk of elke dag seks. In ons land genieten we juist zo van mooi weer omdat het een zeldzaamheid is. De dip van afgelopen dinsdag, met donkere wolken en zowaar een beetje motregen, leek ook alleen maar ingelast om ons te herinneren aan het feit dat elke zomerse dag een cadeautje is dat je moet koesteren.


Dat laatste blijkt volgens weer een andere krant extra lastig te zijn voor mensen die gebukt gaan onder eenzaamheid. Die voelen zich op al die lange warme dagen waarop iedereen plezier lijkt te hebben en gezellig samen op vakantie gaat, juist extra ongelukkig. Iets vergelijkbaars gaat waarschijnlijk op voor mensen die op zomerse dagen moeten werken en tandenknarsend hun tijd op kantoor doorbrengen terwijl het buiten heerlijk weer is (of die, omgekeerd, juist buiten moeten werken in de brandende zon).

Crux is dat de zon je humeur versterkt. Wie zich goed voelt, zal zich op een zonnige dag iets beter voelen en nog meer genieten. Het is geen tovermiddel, en zeker geen anti-depressivum, maar meer een soort bonus. Je moet dus al een beetje blij van jezelf zijn en in de omstandigheid zijn optimaal van het mooie weer te genieten. De schrijfster van het artikel geeft zelf eigenlijk al aan waar bij de meeste mensen het probleem zit met haar vaststelling dat in deze 'moderne tijd' bijna niemand nog buiten komt.

Sterker nog, ze verpakt het als een soort retorische vraag want letterlijk staat er: hoe vaak zijn we nu eigenlijk nog buiten? Nou, wat dacht je van de hele f*cking dag? Van half zeven in de ochtend tot tien uur 's avonds? Ik zit nu even binnen aan de keukentafel te tikken (met de tuindeuren open en uitzicht op de tuin), maar als dit blog klaar is verhuis ik als de bliksem naar mijn luie stoel onder de eikenboom met weer een ander bibliotheekboek om daar de rest van de dag te genieten van de zoveelste zomerse dag van het jaar.

woensdag 27 juni 2018

Wie zijn nou de échte slachtoffers van de pensioencrisis?

Een paar dagen na mijn vorige blog over pensioenen viel in De Volkskrant te lezen dat 'ouderen' (en ik zet dat met opzet tussen haakjes omdat het over mijn leeftijdscategorie gaat) net zo goed achter het net vissen als het om dit onderwerp gaat. De groep vijftigers die ooit de arbeidsmarkt betrad tijdens een zware economische crisis, heeft de VUT praktisch voor zijn neus zien verdampen en kan alleen maar dromen van eerder stoppen met werken. Kloppen al die verhalen over een 'verloren generatie' dan toch? Of moeten we nu eens en voor altijd stoppen met generaliseren en eens aandachtig stilstaan bij de échte pensioenkloof?


Als het artikel van Gijs Herderscheê één ding laat zien, dan is het wel dat niet alleen jongeren de dupe zijn van de pensioencrisis. Ook voor vijftigers is het een hard gelag om op het meest recente pensioenoverzicht te lezen dat ze door moeten werken tot ze 67 jaar en drie maanden zijn, zeker als ze inderdaad ooms of vaders hebben die al op hun 55ste konden stoppen met een aantrekkelijke regeling. Zijn verhaal benadrukt ook dat vijftigers niet op één hoop gegooid moeten worden met de gewraakte babyboomers, omdat die in de meeste gevallen allang met pensioen zijn.

Voor vijftigers is die hogere pensioenleeftijd zelfs extra wrang, omdat ze zijn opgegroeid met commercials van een zongebruinde Kees Brusse. Elke vijftiger is ooit een twintiger of dertiger geweest die zijn eerste vaste baan kreeg met ergens in het achterhoofd het besef dat je uiterlijk op je 57ste kon gaan genieten van een zwitserlevengevoel op een palmstrand. Jongeren rekenen vaak helemaal nergens meer op, terwijl vijftigers heel lang geloofden dat zij later (en niet eens zoveel later dan hun ooms en vaders) óók met de VUT konden of een andersoortig vroegpensioen.


Gijs Herderscheê is dus geen Holle Bolle Gijs of een Gijs Geluk, maar een pechvogel uit de verloren generatie met het verkeerde geboortejaar. Weliswaar probeert hij zichzelf moed in te praten met de mededeling dat hij 'het leukste beroep' heeft en de dooddoener dat hij 'niet zo nodig met pensioen hoeft', maar de kans is klein dat hij 'nee' zou zeggen als zijn chef hem morgen een goudgerande regeling aanbood waarmee hij eerder kon stoppen. Langer doorwerken lijkt nog niet zo'n onoverkomelijke ramp als je van 1959 bent en dit jaar 59 wordt, maar het voelt straks heel anders wanneer je op je 68ste met een zucht de deur van het kantoor achter je dichttrekt en tot je grote schrik beseft dat je al bijna 70 bent.

Opvallend is dat in het verhaal van Herderscheê bijna alleen maar slachtoffers voorkomen: of je hebt een baan en moet noodgedwongen doorwerken tot je 68ste óf je bent in de crisisjaren je baan kwijtgeraakt en moet nu je spaargeld opsouperen, je huis opeten en een bijstandsuitkering aanvragen. Dat er ook mensen zoals ik bestaan die zelf een soort VUT in elkaar hebben geknutseld en genoegen nemen met een veel lagere levensstandaard (met als bijkomend voordeel dat vliegveld Lelystad zelfs helemaal dicht kan), lijkt hij niet te beseffen of te willen weten. Maar die kloof is er dus alvast: tussen koppige spaarders en slachtoffers.


De ongemakkelijke waarheid is dus dat er niet één pensioenwaarheid is die voor iedereen opgaat. Er zijn in het oog springende verliezers (mensen met zware beroepen die al op hun veertiende begonnen zijn en op hun 61ste als een wrak in de ziektewet belanden), maar veel interessanter is de vraag waarom de journalist Herderscheê (1959) nog een jaar of negen moet werken terwijl ik (1961) op maandagmiddag op mijn gemak een sciencefictionroman zit te lezen onder de eikenboom in mijn achtertuin. Om uit te vogelen hoe dat kan, zou je niet alleen de (oude) loonstrookjes met elkaar moeten vergelijken, maar ook de pensioenvoorwaarden, de hypotheekakte, de vaste lasten en de levensstijl.

Iedereen beweert in deze discussie de échte kloof te hebben gevonden, terwijl het vaak een groot grijs gebied is dat alles te maken heeft met spaargedrag en de bereidheid de tering naar de nering te zetten. Dat ik op mijn 55ste met een soort deeltijdpensioen kon, heeft alles te maken met de deeltijdbaan van mijn vrouw maar ook met het besef dat het vaak kiezen of delen is. Niet voor niets stel ik in Leven van de lucht hardop de vraag of ik bereid zou zijn om nooit meer op vakantie te gaan (met uitzondering van een fietsvakantie) in ruil voor 365 dagen vakantie per jaar. Stel jezelf die vraag straks ook maar eens voor de lol op een zonovergoten terras in een of ander warm land, als je zit te mijmeren over de toekomst, en besef dat alles afhangt van het juiste antwoord.

woensdag 20 juni 2018

Eerder stoppen met werken wordt een luxe en een statussymbool

Vanmorgen las ik in de krant dat er sprake is van een groeiende 'vroegpensioenkloof'' tussen laagopgeleiden en hoogopgeleiden. Nu zet het dagblad in kwestie alles altijd wat zwaar aan, maar in dit geval is er sprake van een dusdanig minimaal verschil dat het niet eens in jaren kan worden uitgedrukt. Veel schokkender vind ik zelf dat het volgens de bijgevoegde grafiek nog niet eens zo heel lang geleden is dat iederéén zo rond zijn zestigste kon stoppen met werken.


Volgens het bericht zouden hoogopgeleiden gemiddeld tien maanden eerder kunnen stoppen met werken. Nu is die tijdspanne best lang voor een wereldreis, maar niet als je het afzet tegen een heel mensenleven - of tegen iemands werkzame leven. Om een idee te geven: jij bent op 1 januari van dit jaar al gestopt en zit nu prinsheerlijk in de tuin, terwijl je buurman nog door moet ploeteren tot 1 november. Nu is elke dag er waarschijnlijk één teveel wanneer je lichaam op is, maar feitelijk is het een verschil van niks want van dit nieuwe jaar is alweer bijna de helft verstreken.

Vanuit mijn optiek gezien is het zelfs een bijna surrealistisch bericht, want ik ben op mijn 55ste met plakbandpensioen gegaan en schrik er juist van hoe verschrikkelijk snel de tijd voorbij gaat. Mijn laatste boek Leven van de lucht is een soort dagboekverslag van de eerste twaalf maanden van dat experiment en inmiddels zijn we alweer ruim een jaar verder. Veel schrijnender dan wat de krant meldt is dat laagopgeleiden soms al op hun zestiende zijn begonnen met werken, terwijl het voor mensen van mijn generatie niet gek is dat ze pas op hun zesentwintigste hun eerste baan kregen. Bij die tien maanden moet je in veel gevallen dus nog eens tien jaar optellen.


Volgens het krantenartikel wordt vroeg stoppen met werken 'een luxegoed'. Dat voorzag ik al toen ik in 2015 Het plakbandpensioen schreef en daarin voorspelde dat eerder stoppen met werken hét 'statussymbool' van morgen zou gaan worden. Sindsdien is de feitelijk leeftijd waarop mensen afzwaaien alleen maar gestegen, terwijl tegelijk de arbeidsparticipatie onder 60-plussers fors is toegenomen. Er zijn meer mensen aan het werk en ze moeten ook steeds langer doorwerken. Zelf krijg ik waarschijnlijk ook pas AOW als ik 68 jaar ben, dus pas over elf jaar. Daarmee vergeleken is tien maanden langer doorwerken natuurlijk een lachertje, zeker als je je hele leven de tijd hebt gehad om te sparen en af te lossen.

Begrijp me goed: ik vind het onmenselijk dat mensen met zware beroepen door moeten werken tot ze 68 zijn of ouder, want ik sprak niet zo lang geleden een hovenier van 28 die nu al kampt met beroepsgerelateerde rugklachten, terwijl hij nog minimaal 40 (!) jaar voor de boeg heeft. Boven een bepaalde leeftijd zouden mensen ook helemaal geen nachtdiensten meer moeten draaien en de kans moeten krijgen om een of twee dagen minder te gaan werken met behoud van een deel van het salaris. Maar dat neemt niet weg dat ik vind dat je een sloot niet al te snel een rivier moet noemen en een minimaal verschil niet zomaar moet bombarderen tot een enorme misstand.


Er zijn dus genoeg problemen in de wereld om je druk over te maken, maar het is een bijkomend probleem dat we tegenwoordig alles heel snel bestempelen als probleem (of als onrecht, of als een kloof, of als discriminatie of als een misstand of als scheefgroei of als een groot schandaal). Zo las ik vanmorgen een artikel over jongeren die 'buiten de boot vallen' als het om de huizenmarkt gaat. Nu is het bepaald lastig om als jongere betaalbare woonruimte te vinden of als starter ergens een hypotheek los te peuteren zonder eigen geld, maar wie het artikel aandachtig leest ontdekt dat er ook iets heel anders speelt.

Veel jongeren (en dan hebben we het in dit geval over 25-jarigen) willen na het behalen van hun diploma graag in hun studentenstad blijven wonen en stuiten daarbij op torenhoge huren en onbetaalbare koophuizen. Vroeger zou je dan je schouders ophalen en elders je heil zoeken, maar nu lees ik dat een van de woningzoekenden in het artikel haar verontwaardiging over de overspannen situatie op de Utrechtse woningmarkt kracht bij zet met de uitspraak: 'Ik weiger op deze leeftijd in een rijtjeshuis in Driebergen te gaan zitten, of het nu huren of kopen is'.

Daar heb ik dan verder ook niet veel meer aan toe te voegen.

zaterdag 16 juni 2018

Ah, natuurlijk zijn het weer 'de ouderen' die de huizenprijzen opdrijven!

Vanmorgen stond ik al om half zes naast mijn bed om met een kop koffie en een stapel kranten te genieten van de fluitende vogels in de tuin en de wereld die langzaam ontwaakte. Helaas verslikte ik me al snel in diezelfde kop koffie, toen ik in de zaterdageditie van De Volkskrant las dat 'senioren' persoonlijk verantwoordelijk moeten worden geacht voor de absurde prijsstijgingen van koophuizen, omdat ze 'steeds dominanter worden op de woningmarkt'. 


Ik zal niet zeggen dat je als witte man van middelbare leeftijd tegenwoordig nog maar weinig goed kunt doen in deze maatschappij, want dan gedraag je je precies hetzelfde als al die mensen die zich wel ergens het slachtoffer van voelen. Toch kan ik alleen maar vaststellen dat dit artikel de zoveelste tendentieuze poging is om ouderen overal de schuld van te geven en jong en oud tegen elkaar op te hitsen (of beter gezegd: jongeren het gevoel te geven dat ze achter het net vissen en stelselmatig achtergesteld worden).

Grote vraag is wat je mensen nu eigenlijk precies verwijt wanneer ze een huis kopen, de hypotheek in de loop der jaren netjes aflossen, hun kinderen opvoeden en uitzwaaien en vervolgens nog een beetje van het leven proberen te genieten in datzelfde huis. De overheid wil dat mensen steeds langer zelfstandig blijven wonen, dus dat doen ze. En wie nog vitaal is en graag in de tuin bezig is, zal zich wel een paar keer bedenken voordat hij zijn woning inruilt voor een gelijkvloers appartement met een paar zielige bloembakken.


Als ik als planoloog een verklaring zou moeten geven voor de huidige gekte op de huizenmarkt, dan zou ik er allereerst op wijzen dat er in ons land nog heel veel gebieden zijn waarin de woningmarkt nog maar net hersteld is van de gevolgen van de crisis en er van gekte helemaal geen sprake is. Het is een probleem van de grote steden, van de Randstad en van een steeds verder uitwaaierende cirkel daaromheen. Als ik eerlijk ben, heeft de snelheid waarmee deze omslag plaatsvond me verrast, want voor mijn gevoel stond eergisteren nog een groot deel van de woningvoorraad onder water.

Die omslag heb ik dus niet voorzien of voorspeld, maar ik kan wel vaststellen dat er de afgelopen jaren vanwege de crisis veel te weinig is gebouwd, met als gevolg dat er nu sprake is van een groot tekort aan woningen. Daarnaast heeft de kunstmatig lage rente mensen ertoe verleid om hun spaargeld in aandelen en vastgoed te steken, omdat dat veel beter rendeert. Daar komen dan nog professionele beleggers bij en een woningvoorraad die totaal niet aansluit op de demografische verschuiving waar we nu middenin zitten.


Ouderen kunnen het in dat krachtenveld natuurlijk alleen maar verkeerd doen. Als ze in hun eigen huis blijven wonen nadat de kinderen zijn uitgevlogen, 'houden ze een woning bezet' waar een jong gezin heel blij mee zou zijn. Mochten ze besluiten te verhuizen, dan hebben ze door overwaarde en spaargeld een voorsprong op jongeren en kunnen ze veel sneller handelen en hoger bieden. In beide gevallen hebben jongeren het nakijken, maar dat betekent natuurlijk niet dat iemand iets te verwijten valt.

Dat lijkt ook de verslaggever te beseffen, vandaar dat hij terugvalt op taalconstructies die ten onrechte een misstand suggereren (zo worden ouderen volgens het artikel steeds 'dominanter' op de woningmarkt en laat hij een van de geïnterviewden zijn verhaal doen vanuit een 'luie stoel' met uitzicht op openslaande deuren). Ook wordt er verhaald van een ouder stel dat inderdaad naar een appartement verkaste en zich daar zo verveelde dat ze toen maar een huisje in Frankrijk kochten om iets om handen te hebben.


Door alleen maar blije, gezonde senioren met een hypotheekvrij huis te portretteren, wordt de indruk gewekt dat alle ouderen er warmpjes bij zitten, de hele dag in de tuin zitten te lezen en geheel ten onrechte profiteren van het vermogen dat ze gedurende hun werkzame leven bij elkaar hebben gespaard. Dat krijg je dus als je zo'n beetje alle journalisten boven de 50 de laan uitstuurt en de krant laat volschrijven door een generatie die als eerste reflex heeft dat iets 'niet eerlijk' is.

In plaats van steeds maar uit hetzelfde vaatje te tappen en de krant te vullen met tendentieuze artikelen, zou het veel verfrissender zijn om eens een interview te doen met de eventuele kinderen van Gerard en Liesbeth, Trijntje en Willem, Ans en Frits en Truus. Want wat gebeurt er als al deze ouderen die de huizenprijzen opdrijven er straks niet meer zijn? Wie erven dan die huizen die tonnen waard zijn en al dat vermogen dat ze na een leven lang werken hebben opgebouwd?

En wat zouden diezelfde kinderen er eigenlijk van vinden als pa en ma het huis verkopen en vervolgens al hun spaargeld uitgeven aan de huur van een appartement, torenhoge servicekosten, een mooie SUV met een hoge instap en allerhande leuke reisjes? Zijn de problemen op de woningmarkt dan in één klap opgelost of krijgen we dan alsnog allemaal scheve gezichten omdat de erfenis is verdampt en jongeren andermaal met lege handen staan?

maandag 11 juni 2018

Maar natúúrlijk begin ik langzamerhand een ouwe zeur te worden

Onlangs merkte iemand op Twitter op dat ik een beetje een 'ouwe zeur' begin te worden. Dat lijkt me een terecht verwijt, want toen ik zestien was in 1977 beschouwde ik iedereen die zuur opmerkte dat The Jam niet zoveel anders klonk dan The Who óók als een ouwe zeur, terwijl ik inmiddels precies hoor wat ze bedoelen en ze alleen maar groot gelijk kan geven. Wie al wat langer meedraait in deze maatschappij, wordt vanzelf die trouwe werknemer die al vijf reorganisaties heeft meegemaakt en bij de zesde poging om het wiel opnieuw uit te vinden diep begint te zuchten.


De aanleiding om mij een 'ouwe zeur' te noemen, was het kabinetsbesluit om ook leerlingen op het MBO voortaan student te noemen. Op zich vind ik dat helemaal niet zo'n belangrijk onderwerp, maar ik liep al snel tegen het feit aan dat de meeste MBO-studenten niet eens meer weten dat er een tijd is geweest waarin HBO-studenten óók nog niet zo heetten - of zo je wilt: mochten heten. Dan snap je begrijpelijkerwijs ook niet dat er mensen zijn die dit beschouwen als een verdere afkalving van een woord dat ooit echt nog iets te betekenen had.

Als onvermijdelijke ouwe zeur slaak je af en toe een diepe zucht, bijvoorbeeld als je in een interview leest dat 'twintig jaar geleden niemand wist wat de term androgyn betekende'. Dat geloof ik best, want toen zaten we juist in een periode waarin mannen nog gewoon van Mars kwamen en vrouwen van Venus. Ga je echter nog iets verder terug in de tijd, dan kom je terecht in 1973 toen de straatmode uniseks was en je in de popmuziek bijna niet meetelde als je niet een beetje androgyn was en in interviews opbiechtte of blufte dat je biseksueel was.


De beste manier om te voorkomen dat je een 'ouwe zeur' genoemd wordt - of beter gezegd: dat je een ouwe zeur wórdt - is wijselijk je mond houden en lekker in de tuin een boek gaan zitten lezen. Dat doe ik dan meestal ook, maar ik geef één keer per week mijn mening in een blog en een paar keer per dag op Twitter. Hoe ouder je wordt, hoe ouderwetser soms je opinies en hoe meer in tegenspraak met de huidige tijdgeest, al kan het omgekeerde net zo goed gebeuren want toen in in 2008 gewoon ouderwets mijn hypotheekschuld ging terugbetalen gold dat ineens als visionair en revolutionair. Het zelfde gaat op voor mijn zogeheten 'plakbandpensioen', wat in feite neerkomt op een geheel zelf verzorgde VUT op je 55ste.

Als ik in de krant lees dat een jong stel thuis een pilletje heeft geslikt omdat ze 'een leuke avond' wilden hebben, vraag ik me af wat er in hemelsnaam gebeurd is met een bak chipito's en een film uit de videotheek (zeker als dat bewuste avondje de krant haalt omdat het een fatale afloop kende). En een artikel over de jongste lichting rappers lees ik onvermijdelijk met in mijn achterhoofd de eerste lichting rappers die ik in mijn kast heb staan. Ik moet zeggen dat ik Lil Xan heel cool vind (of hoe dat tegenwoordig ook mag heten), maar tegelijk kan ik niks met mensen die voor de lol pilletjes slikken en vind ik Stetsasonic stiekem onovertroffen.


Als mens word je dus vanzelf een ouwe zeur (net zoals je als man bijna onvermijdelijk een vieze oude man wordt), maar het wordt pas een probleem wanneer je vergeet dat je ooit jong bent geweest en suggereert dat vroeger alles beter was. Natúúrlijk is dat laatste niet zo, al was het maar omdat ik vroeger nog fulltime moest werken. Ik weet nog goed dat hiphop (en dan bedoel ik het complete wereldwijde genre) niet meer was dan één houten bak met import-cd's op de balie, maar ik kijk ook reikhalzend uit naar het nieuwe album van de Jedi Mind Tricks. Op dezelfde manier lijkt het me verdraaid lastig om boeken te schrijven zonder laptop of internet.

Jonge mensen denken nogal eens dat ze in een uniek tijdsgewricht leven en zijn ervan overtuigd dat oudere generaties alles verkeerd hebben gedaan. Dat is hun goed recht en dat is een héérlijk superieur gevoel. Ouwe zeuren daarentegen draaien niet alleen The Jam, maar hebben ook een hele rits cd's van The Who en zien vaker een interessante rode draad dan een instant-revolutie. De geschiedenis is een slinger, een golfbeweging, een herhaling van zetten, een cyclus, een opeenvolging van ontdekkingen die steeds opnieuw worden gedaan en een constante wedergeboorte van nieuwe generaties die denken dat ze alles zelf hebben uitgedokterd. In die zin zijn er waarschijnlijk dus ook altijd al ouwe zeuren geweest.

dinsdag 5 juni 2018

Gezocht: een groot eiland voor een uniek experiment!

Toen ik in 1980 politicologie studeerde aan de UvA, kreeg ik daar te horen dat álle verschillen tussen man en vrouw (en dus ook elk gedrag dat we als typisch mannelijk of vrouwelijk beschouwen) terug te voeren is op opvoeding en maatschappelijke mores. Nu, bijna veertig jaar later, lijkt dat een onderwerp waarover geen discussie meer mogelijk is, terwijl er tegelijk weinig terreinwinst is geboekt. Misschien moeten we daarom maar eens een groot onbewoond eiland zoeken waar we Cordelia Fine tot koningin benoemen en waar iedereen vanaf de geboorte volkomen sekseneutraal wordt opgevoed. Zelf ben ik namelijk héél benieuwd naar de uitkomst.


Hoewel ik in 1980 pas 19 jaar oud was en nog betrekkelijk weinig levenservaring bezat (ik was zelfs nog maagd), leek me dat toen al wat kort door de bocht. Dat gevoel werd nog eens versterkt toen mijn jongste zoon op de basisschool zat en alle kinderen voor het eerst verkleed in de klas mochten verschijnen. Toen bleek dat alle jongens eruitzagen als soldaat, piraat, ridder, cowboy of skelet en alle meisjes als prinsesjes en elfjes. Natuurlijk is het mogelijk dat dat allemaal de schuld is van Walt Disney, maar het suggereert tegelijk het bestaan van een wel heel erg geraffineerd patriarchaal complot.

Ik heb heel veel aan die studie politicologie gehad, omdat ik toen geleerd heb om kritisch te denken en om vooral zélf te blijven nadenken. Dat werd niet gedoceerd, maar dat was het gevolg van alle ideologisch gekleurde onzin die ik voorgeschoteld kreeg. Sindsdien ben ik altijd op zoek naar alle zwakke plekken in elk verhaal, of het nu gaat om verhalen over aflossingsvrije hypotheken of om mythes rondom gender en testosteron. Tegelijk betreur ik het dat 1980 wel het toneel was van werkgroepjes waarin de geslachtsdaad als onderdrukkend werd bestempeld, maar niet het startsein was van een wetenschappelijk experiment waarbij kinderen bij wijze van proef sekseneutraal werden opgevoed.


Die kinderen zouden nu bijna veertig jaar oud zijn en een schat aan informatie bieden als het gaat om de maakbaarheid van de mens. In plaats daarvan herhalen jonge vrouwelijke journalisten die in 1980 nog niet eens geboren waren de zienswijze van vrouwelijke wetenschappers die stellen dat alle verschillen tussen man en vrouw te verklaren vallen door blauwe en roze muisjes op het beschuit en het 'beeld dat kinderen meekrijgen'. Let wel: dat kan best wáár zijn of tot op zekere hoogte kloppen. Maar het kan net zo goed dat het feminisme vrouwen opzadelt met de illusie dat alle verschillen tussen man en vrouw maakbaar zijn en dat je alleen maar wat aan de knoppen hoeft te draaien om een sekseneutraal paradijs tevoorschijn te toveren.

Gevreesd moet worden dat NRC Weekend over een kwart eeuw - als er dan tenminste nog kranten bestaan - precies dezelfde wetenswaardigheden meldt, zonder dat ooit een keer is gekeken of gebleken of het standhoudt. Vandaar dat ik me weleens serieus afvraag wat er zou gebeuren als je pasgeboren kinderen op een eiland consequent sekseneutraal op zou voeden. Dat moet dan natuurlijk wel een eiland zijn zonder internet, met geheel eigen prentenboeken, jeugdhelden en televisieprogramma's die een volstrekt ander beeld laten zien. IJsland is zo'n eiland, dus wat daar gebeurt is op zich al interessant. Nog interessanter zou het zijn om ergens blanco te beginnen en te kijken of mannen en vrouwen inderdaad als een soort onbeschreven blad de wereld betreden.


Mijn eigen voorbeeld laat zien dat er veel kan veranderen, zelfs binnen één generatie of een half mensenleven. Zo zijn mijn vrouw en ik allebei opgevoed met een moeder die ons na schooltijd op zat te wachten met thee en een koekje. Mijn vrouw is echter gewoon gaan werken (zij het parttime) en inmiddels hebben we hier in huis zelfs de rollen omgedraaid. Ik geloof dus ook niet dat het in de mannelijke natuur zit om fulltime kostwinner te zijn en ik geloof al helemaal niet dat het een mannelijk privilege is om veertig jaar lang veertig uur per week te werken. Sterker nog: je mag het woord kostwinner wat mij betreft  best verbasteren tot kotswinner, want ik word al misselijk bij het idee dat ik weer echt zou moeten gaan werken.

Tegelijk vraag ik me oprecht af wat we te zien krijgen als we over een jaar of vijfentwintig een delegatie wetenschappers naar dat bewuste eiland sturen. Is seksueel misbruik geheel uitgebannen? Zijn alle mannen immuun voor vrouwelijk schoon en kijken ze even neutraal naar een naakte vrouwenborst als naar een mannelijke torso? Zijn er net zoveel vrouwelijke hooligans als mannelijke of bestaat dat hele fenomeen misschien niet eens meer? Zitten mannen daar uren met vrienden te babbelen onder het genot van een high tea en zijn vrouwen zwijgend aan het vissen? En vooral: zijn alle mensen (M/V) in die misschien wel omgekeerde wereld ook echt beter af en gelukkiger dan wij?

zaterdag 2 juni 2018

Dus Generatie Z is vooral op zoek naar zingeving?

Vanmorgen keek ik snel even de uitzending van Pauw terug van een dag eerder, nadat ik op Twitter van alles en nog wat was tegengekomen over de zoon van wijlen Antonie Kamerling. Die zat daar als representant van de jongste generatie, die een gap year niet zelden vult met een gapende leegte. Nu ben ik zelf een enthousiaste pleitbezorger van Het Nieuwe Nietsdoen, maar dat fenomeen heeft echt he-le-maal niks te maken met tot drie uur in je bed liggen en vervolgens de dag blowend op de bank doorbrengen met chillen en netflixen. Grote vraag na dit item is natuurlijk of het gaat om een persoonlijk probleem (die jongen heeft namelijk nogal wat meegemaakt) of een ziekte van een generatie.


Over de 18-jarige Merlijn Kamerling werden op sociale media niet alleen maar aardige dingen gezegd. Je kunt je ook afvragen wat precies het doel was van dit televisie-optreden, al vermoed ik dat het deels een wanhoopspoging moet zijn geweest van zijn bezorgde moeder. Ik kan me heel goed voorstellen dat Isa Hoes af en toe ook niet meer weet wat ze met haar zoon aanmoet en misschien hoopt dat dit helpt als opstapje naar een baan als presentator of acteur. Wel verbaasde het me enigszins dat ze zo gepikeerd reageerde toen Freek de Jonge voorzichtig opperde dat dit misschien ook een beetje een luxeprobleem is omdat Merlijn Kamerling is opgegroeid in een geprivilegieerde omgeving.

Nu kan ik het woord 'privilige' zelf inmiddels ook niet meer horen, maar dit gezin is een duidelijke representant van een welgestelde familie uit Amsterdam-Zuid. Wellicht is dat zelfs onderdeel van het probleem, want in arme gezinnen is er doorgaans veel minder ruimte voor typisch Generatie Y-gezeik. Tegelijk wringt het woord 'privilege' nogal, wanneer je bedenkt wat hij allemaal heeft meegemaakt en vervolgens het grote portret van zijn vader ziet hangen boven zijn bed. Daar komt nog bij dat alle kinderen van een ouder die zelfmoord heeft gepleegd, worstelen met schuldgevoelens en de angst dat ze op dit vlak misschien erfelijk belast zijn.


Genoeg dus over hem. Wat het interessante was aan dit item, is dat zijn ledigheid grotendeels werd toegeschreven aan zijn geboortejaar want hij beschouwt zichzelf als een typische representant van de Generatie Z. Als je op internet op dat woord gaat zoeken, stuit je overal op dit soort foto's zodat je al snel het idee krijgt dat het om Generatie Zelfportret gaat. Deze generatie is volgens Isa Hoes zoekende en worstelt met het leven door de hoge (onuitgesproken) verwachtingen van de maatschappij en de ouders. Uit die formulering valt op te maken dat het in de eerste plaats een probleem is dat door ánderen is veroorzaakt.   

Nu is dat natuurlijk niet helemaal onzinnig, want we hebben met z'n allen de gedachte omarmd dat alles mogelijk is, dat geluk maakbaar is en dat succes voor het grijpen ligt. Door sociale media krijgt de jongste generatie ook nog eens een volstrekt vertekend beeld van de werkelijkheid, al was het maar omdat sommige jongeren er inderdaad in slagen om met weinig moeite en zonder te beschikken over een heel bijzonder talent stinkend rijk te worden. Als er dan vervolgens niets uit je handen komt en je niet weet waar jouw talenten liggen of wat je nou eigenlijk echt leuk vindt, werkt dat verlammend en voelt dat als falen.


Persoonlijk denk ik dat je heel erg voorzichtig moet zijn met generaliseren als het gaat om generaties en hun kansen, want dan kun je er net zo goed een horoscoop bij pakken als je toekomstplannen aan het smeden bent. Zelf behoor ik (1961) tot de zogeheten 'Verloren Generatie' en dat klinkt nou ook niet bepaald alsof je aan de start verschijnt met een paar kilometer voorsprong. Van dat etiket heb ik me echter nooit iets aangetrokken, met als gevolg dat ik ook nooit het gevoel heb gehad dat ik benadeeld ben, op het verkeerde moment ben geboren of net achter het net vis.

Ik denk dat het probleem ook niet zozeer is - let op - dat Generatie Z gebukt gaat onder te hoge verwachtingen van de maatschappij, maar dat juist precies het omgekeerde het geval is. Nog iets concreter: deze generatie heeft zélf zulke torenhoge verwachtingen van het leven dat het alleen maar tegen kan vallen. Je eerste verantwoordelijkheid als mens is om in je eigen onderhoud te voorzien, een bestaan op te bouwen en wellicht later ook een gezin te onderhouden. Dat is een heel ander, en meteen ook wel veel overzichtelijker en helderder uitgangspunt dan jezelf maximaal ontplooien, beroemd worden, kijken waar je gelukkig van wordt, zoveel mogelijk van de wereld zien en uitvogelen wat je nou eigenlijk echt wil met je leven om vervolgens als een dood vogeltje te eindigen op de bank.

maandag 28 mei 2018

Als thrillerschrijver had ik juist veel beter een vrouw kunnen zijn

Vorige week las ik in een van de kranten die elke dag op de mat ploffen, een interview met Corina Koolen waaruit zou blijken dat vrouwen in de literatuur nog steeds niet serieus worden genomen. Ook bij het lezen of beoordelen van literatuur zouden we ons laten leiden door allerlei stereotypen, vooroordelen en verwachtingen. Hoewel precies de helft van alle bestsellers is geschreven door een vrouw (en er dus genoeg reden is om de vlag uit te hangen), zou er volgens de kersverse doctor nog van alles mis zijn. Zo wordt het beeld versterkt dat vrouwen op alle vlakken achter het net vissen of benadeeld worden, terwijl je als misdaadschrijver tegenwoordig juist veel meer succes oogst als je een misdaadschrijfster bent. 


Dit is echter geen klaagstukje (hoewel ik me stiekem wel eens afvraag hoeveel exemplaren ik van Terugslag zou hebben verkocht als mijn uitgever Suzanne Vermeer op de cover had gezet). Dat ik nooit ben doorgebroken als misdaadauteur kan namelijk aan van alles en nog wat liggen, van mijn Duitse achternaam tot het feit dat ik als journalist werkzaam was bij een tijdschrift dat onderaan de pikorde bungelde. Het valt zelfs niet uit te sluiten dat het gewoon slecht geschreven boeken waren of goede boeken die slecht waren getimed.

Ik wil op verjaardagen nog wel eens smakelijk vertellen hoe mijn uitgever zich na het lezen van het manuscript van De Duistering hardop afvroeg 'waarom ik toch zoveel religie in mijn boeken stopte', terwijl ze jaren later miljoenen verdienden aan de Da Vinci Code. Ook was er ooit een redacteur die zuinigjes reageerde dat het onderwerp voor het boek Hypotheekvrij! meer geschikt was voor een tijdschriftartikel, terwijl datzelfde boek uiteindelijk het startsein zou vormen voor een reeks van zes boeken en in totaal 1500 pagina's. Zo zie je maar dat succes niet te voorspellen valt en falen aan van alles en nog wat te wijten kan zijn.


Zelf had ik dus om verschillende redenen moeite met bovenstaand nieuwsbericht, al was het maar omdat ik denk dat de uitkomst van tevoren allang vaststond. Er is geen enkele (vrouwelijke) academicus die promoveert op de stelling dat de emancipatie op een haar na is voltooid of tevreden vaststelt dat vrouwen een voorsprong hebben in het misdaadgenre (zelfs al zijn de boeken, zoals in het geval van Suzanne Vermeer, in werkelijkheid geschreven door een man). Ook valt er het nodige af te dingen aan de gehanteerde criteria en het door haar aangevoerde cijfermateriaal.

Erger is dat oppervlakkige volgers van het nieuws zo het idee krijgen dat het nog steeds zorgelijk is gesteld met de positie van de vrouw in de literatuur, terwijl deze column van Elma Drayer een volstrekt ander beeld laat zien en afgelopen zaterdag in dezelfde krant te lezen viel dat Corina Koole zich qua cijfermateriaal voornamelijk baseerde op een twitteraar die alleen maar ijverig turfde hoeveel boeken van vrouwelijke auteurs er in de krant werden gerecenseerde en door wie.


Probleem van het feminisme is dat het een ideologie is die alleen maar op zoek is naar bevestiging van het eigen gelijk. Mijn aanpak verschilt daar radicaal van, omdat ik niet uitga van een vooringenomen standpunt, maar in plaats daarvan voortdurend op zoek ben naar nieuwe gezichtspunten. In mijn boeken til ik elk onderwerp denkbeeldig op om het van alle kanten te bekijken in een poging zin en onzin van elkaar te scheiden. Zo kom je vervolgens tot de conclusie dat het bijvoorbeeld een mythe is dat je een dief bent van je eigen portemonnee als je extra aflost op je hypotheek (en dat misschien zelfs het omgekeerde het geval is).

Hoe misleidend het kan zijn om alles te bekijken door een feministische bril (waarbij je natuurlijk ook een ander bijvoeglijk naamwoord kunt invullen dat met religie of politiek te maken heeft), zal ik illustreren met een simpel voorbeeld. Toen mijn vrouw zwanger was van ons oudste kind, werkte ze fulltime in het basisonderwijs. Na de bevalling was ze eerst van plan om 2,5 dag te blijven werken, maar dat vond ze bij nader inzien teveel zodat ze dat al snel terugbracht tot anderhalve dag (waarmee meteen ook de omgekeerde werkweek geboren was). Ik snapte haar standpunt en begreep haar gevoelens, dus ik vond het allemaal prima.

Mocht mijn levensloop ooit worden opgetekend, dan zou een feministische biograaf over deze periode waarschijnlijk schrijven dat mijn vrouw 'zich opofferde voor mijn carrière'. Daar is geen speld tussen te krijgen, ware het niet dat het met de werkelijke gang van zaken totaal niks van doen heeft en je die redenering net zo goed kunt omdraaien. Zelf vond ik het namelijk nogal een opoffering om bijna een kwart eeuw de rol van hoofdkostwinner op me te nemen en noodgedwongen in de avonduren boeken te schrijven. Klagen doe ik echter niet, zolang mensen maar geen onwetenschappelijke of eenzijdige onzin verkondigen.

vrijdag 18 mei 2018

Wat ik als man in elk geval geleerd heb van #MeToo.

Bijna anderhalf jaar nadat de hashtag #MeToo de wereld overspoelde, zit ik nog steeds te wachten op iemand die het grote grijze gebied tussen man en vrouw in kaart durft te brengen. Dat is hard nodig aangezien je als schrijver tegenwoordig al de krant kunt halen vanwege 'seksueel grensoverschrijdend gedrag' wanneer je iemand ooit tegen haar zin op de mond hebt gekust (dat gaat niet over mij, maar zo ver gaat het dus al). Desondanks: ik heb als man een paar zinnige dingen geleerd van #MeToo, dus al die ophef heeft zeker zin gehad.


Maar eerst even over Harvey Weinstein, de man waar het allemaal mee begon. Ik kan niet naar zijn foto kijken - en dan heb ik nog niet eens de meest louche uitgezocht - zonder het idee te hebben dat het om een mugshot gaat. Anders gezegd: als je die man in een film zou casten als seriemoordenaar of kinderverkrachter, zou iedere recensent schrijven dat het er veel te dik bovenop lag. Je moet niet te snel aan typecasting doen, maar deze man zou je als rechter alleen al op basis van zijn uiterlijk kunnen veroordelen, zelfs als het bewijs rammelt en hij een prima alibi heeft.

Dat zeg ik, omdat ik nu pas goed kan navoelen hoe het is om als groep te worden aangesproken op het gedrag van een paar kwaadwillende individuen. Nu snap ik veel beter hoe vredelievende moslims worstelen met bommenlegers die zeggen te handelen uit naam van de islam. Ja, natuurlijk wil je dan best benadrukken dat je daar tegen bent, maar tegelijk heeft het helemaal niks met jou te maken. De vraag is zelfs of je als samenleving redelijkerwijs kunt verwachten dat mensen zich nadrukkelijk distantiëren van dat soort acties, want zelf beschouw ik mannen die om het hardst met #MeToo meehuilen stiekem ook een beetje als slijmballen en overlopers.


Belangrijk is om het hoofd koel te houden en alles een beetje in perspectief te blijven zien. Als weldenkend mens ben ik uiteraard tegen misbruik en seksuele intimidatie, maar ik herinner me nog heel goed het gemak waarmee Goedele Liekens op televisie de aanklacht tegen Kevin Spacey meteen maar even opschaalde van 'aanranding' naar 'verkrachting'. En ik vind het ook totaal absurd dat je als volwassen man publiekelijk door het slijk gehaald wordt wegens 'seksueel grensoverschrijdend gedrag' wanneer je zes jaar geleden een vrouw tegen haar zin op de mond hebt gekust. Als #MeToo straks van toepassing is op elke onbeholpen versierpoging, moet je niet verrast zijn wanneer mannen verstarren en bang zijn dat alles wat ze doen direct wordt bestraft of ooit wordt opgerakeld.

Tegelijk - en nu komt weer een leermomentje - zie ik dingen achteraf in een heel ander licht. Ooit was ik er als journalist op de Autosalon in Parijs getuige van hoe een uitgelaten collega met zijn mobiele telefoon in het voorbijgaan een upskirt foto maakte van een van de aanwezige modellen die al die nieuwe automodellen opluisterden. Ik herinner me nog goed de geschokte blik van dat meisje, alsof ze zojuist had ontdekt dat iemand een camera in haar badkamer had gemonteerd en haar al tien jaar ongemerkt bespioneerde. Als man denk je uit stoerheid tegenover je vrienden een leuke prank uit te halen, maar je onderschat de impact die zoiets heeft op een vrouw. Anders gezegd: hij raakte haar met geen vinger aan, maar ze keek alsof ze zojuist was aangerand.

Zelf had ik toen net een Nokia waarmee je alleen maar kon bellen, dus ik had amper door wat er precies gebeurde en vond het op dat moment misschien zelfs wel grappig. Nu, ouder en wijzer, heb ik er spijt van dat ik toen niet tegen die jongen heb gezegd dat hij een beetje normaal moest doen. Want als man heb je er totaal geen idee van hoe het is om als vrouw altijd op je hoede te moeten zijn en je onveilig te voelen. Dat is misschien wel de kern van #MeToo: het griezelige besef dat een man in theorie altijd zijn toevlucht kan nemen tot geweld om zijn zin door te drijven. Het gaat vaak om verschil in macht, maar net zo goed om verschil in kracht.

Hoe diep die angst zit, en hoe lichtvaardig je dat als man zou vergeten, ontdekte ik toen ik op een zomerse avond na een filmbezoek naar huis fietste. Het was nog licht en op straat was het door de aangename temperatuur bijna net zo druk als overdag. Ik reed op mijn stadsfiets een kilometer of 25 en hield daarbij de snelheid aan van een vrouw op een e-bike die honderd meter voor me reed. Dat deed ik zonder nadenken, net zoals je op de snelweg met je auto soms op de rechterbaan blijft rijden achter een vrachtwagen die negentig rijdt. Pas toen ze bij een groen stoplicht bleef staan en schichtig opzij keek toen ik voorbij reed, besefte ik dat je als vrouw al heel snel het gevoel moet hebben dat je gevaar loopt, dat iemand op je loert of je zelfs opzettelijk achterna zit.

Ik reed echt op een enorme afstand achter haar op een doorgaande fietsroute waar iedereen dezelfde kant uitreed, maar toch moet ze zich unheimisch hebben gevoeld en het als bedreigend hebben ervaren. Dat is dus misschien wel de belangrijkste les: dat je gedrag heel anders kan worden geïnterpreteerd en dat je als man soms zonder je het te realiseren iets verkeerd doet. Misschien moeten mannen dus nóg beter beseffen dat vrouwen altijd alert moeten zijn op gevaar en hun gedrag daarop afstemmen. Dat donkere park waar jij om tien uur 's avonds fluitend en nietsvermoedend doorheen peddelt, is voor een vrouw - en misschien wel je eigen dochter of vrouw - een duister oord waar overal gevaar loert en een plek om te mijden.