Zoeken

donderdag 7 april 2022

Het voorjaar begint met een nieuwe houten vlonder

Wat aan het einde van de zomer van 2021 begon met het schoonmaken van een meer dan twintig jaar oude houten vlonder, kreeg dit voorjaar een vervolg in de gedaante van een totale renovatie. Directe aanleiding was een gepeperde offerte van een hovenier die de indruk wekte dat de hyperinflatie al in volle hevigheid had toegeslagen. Nu is hout nooit goedkoop geweest, maar dan doen we het liever zelf en besparen we in elk geval op arbeidskosten. 

Hoe oud die oudste vlonder precies is, wist ik uit mijn hoofd niet meer, maar hij stamt uit de tijd dat we achter ons huis nog een postzegeltuin hadden en moesten woekeren met de ruimte. Wel kon ik me herinneren dat hij destijds is aangelegd door een hovenier en afgerekend in guldens. Dat geeft dus al een aardige indicatie, net zoals de vaststelling dat mijn in het jaar 2000 geboren zoon niet beter weet of dit houten terras is er altijd al geweest. 

Wel weet ik dat we er maar wát blij mee waren, zeker omdat hij precies groot genoeg was voor een ronde tafel met vier stoelen. Bij mooi weer aten we elke avond op deze plek met uitzicht over - toen nog - de weilanden. Er staat me nog heel goed bij dat ik ooit tegen een van mijn broers zei dat ik me 'miljonair voelde' als ik daar aan de waterkant zat. Dat was lang voor Hypotheekvrij!, maar blijkbaar kwam het gedachtegoed uit dat boek niet zomaar uit de lucht vallen.

Inmiddels hebben we een tuin van meer dan 600 vierkante meter, met als gevolg dat diezelfde vlonder alleen nog gebruikt wordt door de katten. Toch besloot ik vorig jaar aan het einde van de zomer om hem eens goed schoon te boenen en van algen en mos te ontdoen. Dat was een succesvolle operatie, maar legde wel bloot dat sommige planken aardig verrot waren en eigenlijk vervangen zouden moeten worden. 

Navraag bij een hovenier leverde een offerte op van meer dan 10.000 euro, wat nogal exorbitant is voor een vlonder die zijn functie feitelijk heeft verloren. Dus besloot ik om dan zelf maar een paar planken te vervangen, niet beseffend dat ik er natuurlijk niet zo makkelijk vanaf zou komen. Een verbouwing duurt altijd langer dan gepland, valt steevast duurder uit en gaandeweg stuit je onvermijdelijk op nog veel meer verborgen gebreken.

Zo bleek er niet zoiets te bestaan als een paar 'slechte planken', want feitelijk waren ze alle zestien aan vervanging toe. Nadat ik die allemaal had verwijderd, bleken sommige palen compleet doorgerot en boven de grond te zweven of zelfs al helemaal losgeraakt. Aan het einde van het liedje, sloeg ik meer dan vijftien nieuwe palen in de grond, zodat je kunt stellen dat ik - op de vijf steunbalken na - een geheel nieuwe vlonder heb aangelegd. 

Ondertussen heb ik ook nog een nieuwe boormachine gekocht, want de oude was nog ouder dan de vlonder en bleek niet opgewassen tegen het harde hout. Uiteindelijk kostte deze operatie al met al twee weken tijd en een kleine tweeduizend euro, maar het eindresultaat mag er zijn en geeft veel voldoening. Wat je niet weet (bijvoorbeeld: moet een vlonder netjes waterpas zijn of juist iets aflopen?) kun je tegenwoordig opzoeken op YouTube, want daar wordt alles voorgedaan.

Vandaag heb ik de laatste schroeven in het houdt gedraaid, met bovenstaand beeld als eindresultaat. Geen gekke prestatie voor een alfa met twee linkerhanden, al moet natuurlijk nog blijken of deze vlonder 2.0 het ook een kwart eeuw weet uit te zingen. In elk geval zijn we zo helemaal klaar voor het mooie weer dat ons beloofd is voor volgende week en kan er weer een streep door een van de klusjes op de to do lijst. Al moeten we nog wél even op ligstoelen uit, want deze zijn intussen zo intensief gebruikt dat je er bijna doorheen zakt.

donderdag 31 maart 2022

Tweede leven voor een tweedehands racefiets

Jaren geleden, tijdens het schrijven van Het Nieuwe Nietsdoen, kocht ik via Marktplaats voor ongeveer 150 euro een tweedehands racefiets van het merk Herman Braun bij een fietsenzaak in het zuiden van het land. Nadat ik hem een tijdje gebruikt had als reservefiets, verdween hij met een lekke achterband in de schuur tot mijn jongste zoon opperde dat hij wel zin had om weer eens op de fiets te stappen. En dus kreeg deze handgemaakte stalen fiets uit 1992 een complete make-over bij de makers zelf.

Trouwe lezers weten dat ik zelf al sinds 1984 op een Herman Braun rijd. Eigenlijk dacht ik toen meer aan een mooi Italiaans model van het merk Chesini, tot iemand me attendeerde op deze framebouwer uit mijn eigen woonplaats. Zo lang deed hij dat werk overigens nog niet, want toen hij niet lang daarna een geheel op maat gemaakte racefiets afleverde, stond daarin het framenummer 38. Die eerste racefiets (niet mijn allereerste want dat was een WBR en daarna een Gitane) heb ik nog steeds in bezit en als ik zou willen rijd ik er zo op weg.

Daarnaast heb ik ook nog een zwarte tweedehands Davy Braun (genoemd naar zijn inmiddels volwassen zoon Dave die tegenwoordig in het bedrijf werkt en vakkundig de frames in elkaar last) en een twee jaar oude Braun die er nog als nieuw uitziet. Die laatste was een cadeautje voor mezelf om te markeren en te bezegelen dat we eindelijk hypotheekvrij waren. Om die reden besloot ik hem ook pas in gebruik te nemen op 1 maart 2020, hoewel ik er door de pandemie pas echt vaak en ver op ben gaan rijden in de zomer van 2021.

Ondertussen stond die groene Herman Braun te verpieteren in de schuur, als een verweesd exemplaar zonder eigenaar. Via de inscriptie had ik weten te achterhalen dat hij ooit op maat was gemaakt voor financieel adviseur Theo van den Boer uit Eindhoven. Dat vond ik wel een grappig - en frappant - detail, omdat ik in mijn boeken juist schrijf dat ik op eigen houtje aan het aflossen was en niets meer aannam van financieel adviseurs (behalve dan hun afgedankte rijwiel). Eigenlijk stond hij op de nominatie om wederom van eigenaar te veranderen via Marktplaats tot mijn jongste zoon opperde dat hij hem wel wilde gaan gebruiken.

En dus reed ik met deze fiets op de achterbank naar Braun Cycling in Spijkenisse om hem daar een grondige onderhoudsbeurt te laten geven. Zelf dacht ik aan nieuwe binnen- en buitenbanden, maar uit de restvoorraad in het magazijn doken de laatste voor dit model geschikte shifters op, plus een set nieuwe tandwielen. Uiteindelijk werd bijna alles vervangen, behalve het frame zelf: nieuwe remblokken en -houders, stuurlint, tandwielen, ketting, binnenbanden, buitenbanden. Omdat er op de originele fiets  een wit zadel zat, werd er ook nog een splinternieuw hagelwit exemplaar van Italiaanse makelij tevoorschijn getoverd.


En zo kreeg deze precies dertig jaar oude fiets, die afgemonteerd werd in de tijd dat de muziekwereld in de ban was van grunge en ik nog moest debuteren als schrijver, een totale make-over van de makers zelf. Je kunt ook zeggen dat Braun Cycling voor deze gelegenheid even Braun Recycling heette, want het eindresultaat is een drie decennia oude racefiets die van een afstandje oogt als nieuw en weer járen meekan. Zelfs als mijn jongste zoon er na een paar rondjes weer genoeg van heeft, dan nog heeft deze tweedehands racefiets door zijn toedoen een tweede leven gekregen.

Voor het bedrag dat deze operatie uiteindelijk heeft gekost (want reparatie dekt de lading niet) had ik ook een splinternieuwe racefiets met schijfremmen kunnen kopen bij Decathlon van het merk Tiban, maar dan praat je over een totaal ander segment en een heel ander soort kwaliteit, en houd je ook geen enkele rekening met zaken als hergebruik en duurzaamheid. Los daarvan heb je op deze manier een unieke, vintage fiets waar er letterlijk maar één van is, met een geschiedenis en een bijbehorend verhaal dat nog lang niet ten einde is.

donderdag 10 maart 2022

Eigenlijk zijn we nu pas echt helemaal hypotheekvrij

Op zondag 1 maart 2020 zaten we met het hele gezin plus aanhang aan een gereserveerd tafeltje in een pizzeria om te vieren dat we, na twaalf jaar fanatiek aflossen, eindelijk de eindstreep hadden gehaald. Wat we toen nog niet konden vermoeden, was dat corona een dikke streep door de rekening zou zetten en een heel andere invulling zou geven aan hoe we ons hypotheekvrije leven in gedachten al hadden ingevuld. Je kunt ook zeggen dat de pandemie ons leven tijdelijk op pauze heeft gezet tot op 1 maart 2022 eindelijk de vlag uit kon. 


In Coronaproof! uit 2021, een boek dat eigenlijk helemaal niet gepland was maar dat zich laat lezen als een interessant addendum, vertel ik in geuren en kleuren hoe we die laatste week van februari 2020 hebben doorgebracht. Het eerste woord dat je daarbij te binnen schiet, is dat van 'zalige onwetendheid'. Je kunt ook zeggen dat ik zo gefixeerd was op de eindstreep, dat ik alle signalen van wat op handen was negeerde. Aflossen doe je soms met oogkleppen op, met als gevolg dat de op handen zijnde pandemie pas mijn volledige aandacht kreeg op 2 maart.

Die laatste week hebben we twee concerten bezocht, één bioscoopfilm en één ver familielid. Verder hebben we veel gewandeld en met vrienden afgesproken. Tussendoor sloegen we aan het shoppen alsof Black Friday ineens middenin de voorjaarsvakantie viel. Nadat ik jarenlang had rondgelopen in een iets te grote oude winterjas, kocht ik meteen maar twee nieuwe exemplaren in de uitverkoop. Daarnaast deed ik mezelf twee paar nieuwe cowboylaarzen cadeau, zodat ik de eerste uitgespaarde maandbetaling meteen alweer had uitgegeven.

Vaak heb ik teruggedacht aan dat laatste concert in Theater Walhalla, vooral omdat we geen tel beseften dat dit voorlopig inderdaad het allerlaatste concert zou zijn. Op mijn bureau lag een flinke stapel entreekaartjes, inclusief een mooie plek op de vierde rij voor een optreden van Frazey Ford dat precies op mijn verjaardag viel. In werkelijkheid bleken we een trouwerij in de zomer te hebben gepland op de dag dat er een windhoos opstak, want het openbare leven kwam geheel stil te liggen, net als de promotie en verkoop van mijn boek. 

Ik las in de krant dat veel mensen de pandemie hebben opgevat als een soort persoonlijke belediging, juist omdat hij ieders leven compleet overhoop haalde. Dat is onzin natuurlijk, want het universum trekt zich niets aan van de uiterst onbelangrijke, piepkleine radertjes die we zijn. Toch kan ik er nog steeds niet helemaal over uit dat we in 2008 zijn gaan aflossen toen de kredietcrisis in volle hevigheid losbarstte om daar precies 12,5 jaar later mee klaar te zijn toen de eerstvolgende crisis zich aandiende. Wat er op wereldschaal gebeurt staat geheel los van mij, maar mijn timing is zo navrant dat ik in een roman niet mee weg zou komen.

Het eerste concert dat op de lange baan werd geschoven, was dat van Dayna Kurtz, waarna een lange reeks volgde van uitgestelde tournees en gecancelde optredens. Tussen de lockdowns door bezocht ik nog wel eens een concert, maar het was mondjesmaat en zelden helemaal ontspannen. Tot de laatste februariweek van 2022 zich aandiende, waarin we die van twee jaar geleden nog eens dunnetjes over deden. Meteen op vrijdag 25 februari zagen we de Franse jazztrompettist Erik Truffaz in Rotterdam optreden, gevolgd door nog eens drie concerten, één film en één restaurantbezoek. 

Halverwege die week bedacht ik opeens dat dit niet alleen een herhaling van zetten was, maar ook een uitgelezen kans om in gedachten die hele pandemie te deleten. Je kunt de geschiedenis natuurlijk niet uitwissen, maar je kunt in je hoofd wel een knip zetten in de bijbehorende film of proberen de data te overschrijven. Ook nu hebben we de nodige concerten in het verschiet en als we Lynne Hanson straks op precies dezelfde locatie zien optreden als in 2020 gepland, zal het net zijn of corona niks meer was dan een boze droom.

Dat is een heel bewuste keuze, want je zou net zo goed kunnen stellen dat uitgerekend op dit moment de oorlog in Oekraïne roet in het eten gooit. Om dat te voorkomen gedraag ik me willens en wetens als een struisvogel die zijn kop zo diep in het zand heeft gestoken dat alleen zijn achterpoten nog te zien zijn. Je kunt en mag daar van vinden wat je wilt (en misschien wijd ik daar binnenkort nog wel eens een heel blog aan), maar voorlopig ben ik van plan om de komende maanden te gaan te gaan leven - en vooral: te gaan béleven - zoals ik op 1 maart 2020 van plan was. 

woensdag 2 maart 2022

Hoe de pandemie mijn muzieksmaak voorgoed heeft veranderd

In mijn laatste boek beschrijf ik hoe de pandemie mijn muzieksmaak heeft veranderd. Niet alleen was er tijdens lockdowns weinig anders te doen dan intensief naar muziek luisteren, de omstandigheden vroegen ook om een heel andere soundtrack. Het effect dat ik beschrijf, is niet gestopt op de publicatiedatum, maar eerder in een soort stroomversnelling terechtgekomen. Na een positieve test en een paar dagen met koorts onder de wol, smaakte alles alleen nog maar zout en wilde ik ook nog maar één ding horen.

Aan het einde van het desbetreffende hoofdstuk laat ik de lezer achter met de vaststelling dat ik nu pas goed naar Rod Stewart heb leren luisteren en via hem The Faces heb ontdekt. Ook ben ik er na maart 2020 pas achter gekomen dat de loopbaan van Mark Knopfler niet is gestopt toen de Dire Straits uiteenvielen. Sterker nog: een paar van zijn allermooiste nummers staan misschien wel op de solo-cd's die hij daarna maakte. Dat was allemaal nieuw voor me, maar het was tegelijk ook weinig wereldschokkend. Het is immers maar een klein stapje van de Stones naar de Faces, zeker als je bedenkt dat Ron Wood precies hetzelfde in omgekeerde richting heeft gedaan.

De echte grote omschakeling vond dan ook pas na het verschijnen van mijn boek plaats, dus in zekere zin buiten het blikveld van de lezer. Maar ook nu ging het geheel ongemerkt, telkens met volkomen logische maar tegelijk piepkleine muizenstapjes. Zo completeerde ik mijn collectie van bluesgitarist Muddy Waters, inclusief een album waarop ook repertoire stond van ene Memphis Slim. Pas toen besefte ik dat ik pianoblues al die tijd ten onrechte links had laten liggen en stuitte ik op artiesten als Sammy Price, Otis Spann en Champion Jack Dupree.

Vaak vergelijk ik het besluit om versneld te gaan aflossen met het instinctief nemen van een onverhard zijpaadje. Kenmerk van die bochtige, onoverzichtelijke weg is niet alleen dat hij je voert langs onverwachte vergezichten, de weg zelf is ook zo smal dar je nergens kunt keren. Op het moment dat ik begon te luisteren naar al deze artiesten - en via hen weer terecht kwam bij instrumentale boogiewoogie en stride - was er feitelijk óók geen weg meer terug. Sterker: alle richtingaanwijzers langs de weg leidden naar dezelfde eindbestemming.

Want hoe gaat dat? Op dit punt van de reis is het nog maar een klein stapje naar muzikanten als Fats Waller, Count Basie, Duke Ellington en Oscar Peterson, dus voor je het weet vervaagt de scheidslijn tussen blues en jazz. Je kunt ook zeggen dat je na een lange reis ineens in voormalig Oost-Duitsland bent aangekomen, zonder dat je onderweg nog de restanten hebt opgemerkt van het IJzeren Gordijn. Zelf heb ik het gevoel dat ik de afgelopen halve eeuw zo'n beetje alle uithoeken van de popmuziek heb verkend en nu de deur heb geopend naar de volgende schatkamer.

In zekere zin heb ik mezelf door een smalle opening in de rotsen geperst en nu bevind ik me in een enorm onderaards gewelf met allemaal fonkelende edelstenen. In die zin was de pandemie dus ook een soort perswee die me ergens heeft gebracht waar ik nooit verwacht had te zullen uitkomen. Tegelijk is jazz - net als klassieke muziek - niet zelden het eindstation voor fanatieke muziekliefhebbers. Het is onontgonnen gebied en tegelijk ook de bron waaruit veel moderne muziek is voortgekomen. Frappant in dit verband is dat de vorige pandemie (die van de Spaanse Griep in 1918) heeft geleid tot de 'roaring twenties' waarin big band en jazz een dominante rol speelden.

Na een kortstondige flirt met jazz in het voorjaar van 2021 was ik al snel weer terug bij de vertrouwde seventies rock, southern rock en de Stones. Maar helemaal verdween het genre niet uit mijn systeem, want ik bezocht in de zomer een paar jazzconcerten en zag in augustus in de bioscoop de concertfilm Jazz on a Summer's Day. Toen raakte ik - op de valreep zou je bijna kunnen zeggen - eind januari van dit jaar besmet met corona en belandde ik in bed met hoofdpijn en koorts. De dagen ervoor had ik veel naar Neil Young geluisterd, maar nu had ik alleen nog puf voor Netflix.

Eenmaal weer op de been, bleek alles wat ik op mijn brood smeerde alleen maar zout te smaken, zodat ik dagen achtereen lunchte met brood met stroop. Ook muziek trok me ineens niet meer, zodat ik voor het eerst van mijn leven besluiteloos met mijn handen op mijn rug voor de cd-kast stond. Uiteindelijk zette ik een live-album op van Oscar Peterson en toen viel het kwartje in mijn hoofd en ging de deur weer wagenwijd open. Afgelopen weekend heb ik drie jazz-concerten bezocht, ik heb een flink aantal cd's van Dexter Gordon, Ben Webster en Coleman Hawkins aangeschaft en een dezer dagen verwacht ik zelfs een paar jazzboeken in de brievenbus. Voor mij zijn de roaring twenties dus allang begonnen, maar dan wel met de stille hoop dat ze op andere terreinen niet al te roerig en rumoerig zullen gaan verlopen. 

maandag 22 maart 2021

Hoe zorg je ervoor dat vrouwen veilig over straat kunnen?

Afgelopen weekend raakte ik op twitter 'in gesprek' met Roos Schlikker die in Het Parool een column had geschreven over het trieste feit dat je als vrouw na zonsondergang niet veilig over straat kunt - of je in elk geval nooit helemaal veilig voelt. Waar ik vooral over struikelde was het feit dat haar eigen man daar geen tel bij had stilgestaan, terwijl dit onderwerp hier in huis regelmatig de revue passeert. Want hoe gaan we dit met z'n allen veranderen, als dat al mogelijk is?

Deze kwestie is opnieuw actueel door de hashtag #reclaimthestreets die trending werd na de brute moord op Sara Everard. Het is goed dat dit onderwerp op de agenda komt, maar mij verbaasde het dat  veel mannen daar tot voor kort klaarblijkelijk helemaal niet bij stilstonden, inclusief de wederhelft van Roos Schlikker. Sommige mannen komen pas tot dit besef als hun dochters de puberteit bereiken, terwijl ik me dan meteen afvraag waarom ze het er nooit met hun eigen vrouw (of hun moeder) over hebben gehad. 

Inmiddels ben ik er wel achter dat ik niet echt heel erg representatief ben, niet alleen als het om dit onderwerp gaat maar ook bij andere zaken. Onderwerpen die ik als gemeengoed beschouw of zelfs als een gepasseerd station, zijn voor veel andere mensen nieuw of geheel onbekend. Dat heeft met mijn achtergrond als journalist te maken (in Aktueel stond bijna elke week wel een moordzaak beschreven of een spoorloze verdwijning), maar ook met het feit dat ik mijn loopbaan als auteur begon met het schrijven van thrillers.

Zo schreef ik in 1997 de thriller Dubbel Bedrog, gebaseerd op de zaak rond de Utrechtse serieverkrachter. Voor dat boek probeerde ik me zo goed in dat personage in te leven, dat ik het met plaatsvervangende schaamte teruglees. Gelukkig bestonden er toen nog geen 'sensitivity readers', want ik ben zelf nu ook geneigd het met een rode pen te lijf te gaan. Het eindresultaat was in elk geval zo realistisch dat de Utrechtse politie heel even serieus heeft gedacht ik zélf de dader was.

Hoe dan ook: dat er weinig aandacht is voor dit onderwerp, geen verontwaardiging en geen ophef, komt dus deels doordat geen enkele journalist mij belde toen ik het aankaartte in mijn boek Een jaar in het donker uit 2019. Bovenstaande passage spreekt wat mij betreft boekdelen, maar er is niemand geweest die het belangrijk genoeg vond om mij er over aan de tand te voelen, hoewel ik het elders in  hetzelfde boek nog een keer herhaal. 

Wat ik denk, en ook tegen Schlikker opmerkte, is dat je als wat oudere (en misschien ook iets ouderwetsere) man sowieso heel anders tegen dit onderwerp aankijkt dan een millenial of iemand die deel uitmaakt van de Generatie Z. Beter gezegd: als je oprecht gelooft dat sekse geen biologisch feit is maar een bewuste keuze, zul je deze kwestie waarschijnlijk anders analyseren en naar andere oplossingen zoeken dan iemand die regelmatig voor 'boomer' wordt uitgemaakt of voor iemand die aan 'mansplainen' doet. 

De enige suggestie die ik de afgelopen weken heb gehoord, is de wat naïeve gedachte dat je jongens voortaan 'anders moet opvoeden'. Dat is mooi, maar ik zie persoonlijk meer iets in praktische oplossingen zoals de befaamde 'Frauenparkplätze' uit Duitsland. Vrouwen die alleen onderweg zijn, kunnen in parkeergarages vlakbij de uitgang parkeren. Dat botst misschien met sommige genderneutrale ambities, maar geeft wel een veilig gevoel. Ik snap ook niet goed hoe je tijdens je vakantie zulke parkeerplaatsen kunt passeren zonder je af te vragen waarom die eigenlijk nodig zijn. 

In Duitsland schijnt ook een speciaal telefoonnummer te bestaan dat je als vrouw kunt bellen als je je ongemakkelijk voelt, met de optie om tegelijk via hetzelfde nummer de politie te alarmeren. Prima idee. Zelf zat ik eraan te denken om goedwillende mannen rode hesjes te laten dragen om aan te geven dat je beschikbaar bent als er hulp nodig is. Om misbruik te voorkomen zouden ze strikt persoonsgebonden moeten zijn, met een hoge geldboete en (voorwaardelijke) gevangenisstraf bij overtreding. Ik moet het nog verder uitwerken, maar zeg nooit meer dat mannen er niet bij stil staan of niet actief mee willen denken als het gaat om oplossingen.



woensdag 17 maart 2021

Danken we onze successen aan toeval of aan toewijding?

Afgelopen maandag stond in de Volkskrant een opiniestuk waarin werd betoogd dat maatschappelijk succes vooral te danken is aan toeval. Enthousiast veerde ik op, want toeval speelt in mijn boeken - en in mijn leven - een heel grote rol. Even later kreeg teleurstelling de overhand, want waar hij 'toeval' schrijft, had net zo goed dat lelijke woordje 'privilege' kunnen staan.  

Ik heb het moeten nazoeken, maar in mijn laatste boek komt maar liefst zeven keer het woord 'toeval' voor. Daarnaast heb ik het ergens nog over een toevallige ontmoeting en een toevallige passant en gebruik ik het woord 'toevallig' ook nog vier keer. Dat is - pun intended - bepaald geen toeval, want toeval speelt in mijn leven een grote rol en heeft me heel vaak op precies het juiste moment een zetje in  de goede richting gegeven.

In dat verband heb ik het vaak over verborgen krachten in het universum, over de mens als speelbal op de golven en over goden die soms een sadistisch genoegen tentoonspreiden en zich laten leiden door willekeur. Dat zou je misschien niet verwachten van iemand die naam heeft gemaakt met boeken over nuchtere onderwerpen als hypotheken en pensioenen, maar voor een (roman)schrijver is het waarschijnlijk gemakkelijker om magie te ontdekken in het alledaagse en iets toe te schrijven aan wat een ander simpelweg als toeval beschouwt.

Vandaar dat ik met belangstelling - en met, zo bleek, totaal verkeerde verwachtingen - begon aan het opiniestuk van Huub Buijssen waarin hij betoogt dat we onze successen vooral te danken hebben aan 'toeval'. Wat een nieuwe, misschien wel originele invalshoek leek, bleek bij nader inzien een kwestie van oude wijn in nieuwe zakken. Overal waar Buijssen het heeft over 'toeval' kun je het kromme, rechtstreeks uit het Amerikaans vertaalde woordje 'privilege' invullen.

In het universum van Buijssen gooien de goden maar één keer met hun dobbelstenen, en dat is bij je geboorte. Zij bepalen waar je wieg staat, in welk gezin je opgroeit en met welke talenten je bent gezegend. Ik heb het daarentegen over de meer esoterische vorm van toeval, die je niet kunt kwantificeren of kunt vatten in een algoritme en al helemaal niet in kunt zetten voor de onvermijdelijke herverdelingsoperatie die volgt in het kader van de vaststelling dat alles wat je hebt bereikt of vergaard simpelweg het gevolg is van een voorrecht of een oneerlijke voorsprong. 

Wat lijkt op een sociaal bewogen betoog over kansengelijkheid en een pleidooi voor rechtvaardigheid, is in feite een deprimerend verhaal over predestinatie en een verkapt stemadvies. Daarmee reduceert hij de totale, complexe optelsom die resulteert in een antwoord op de de vraag of je het wel of niet gaat maken in het leven, tot een deterministische staartdeling waarbij inspanning en inzet ook alleen maar talenten zijn die je toevallig hebt meegekregen. 

Zelf heb ik aan het begin van mijn werkzame leven vijf jaar achtereen in de avonduren zitten schrijven voordat mijn eerste boek werd uitgegeven. In de televisieserie Girls probeert hoofdrolspeler Lena Dunham haar vaste baan in de reclamewereld eveneens te combineren met vrij werk in haar schaarse vrije tijd, maar zij valt meteen de eerste avond al boven haar laptop in slaap. Dat verschil in inspanning wordt door Buijssen echter nergens genoemd of gehonoreerd.

Met een andere vrouw, een ander huis, een andere studie en een andere eerste baan had ik heel andere boeken geschreven. In het ene parallelle universum was ik veel succesvoller geweest dan in het andere, terwijl er ook scenario's denkbaar zijn waarin ik nooit iets op papier had gekregen of niet was uitgegeven. Met mijn eerste boek verdiende ik overigens minder dan 1000 gulden, want het zou nog vijftien jaar duren voordat je kon spreken van enig commercieel succes.

De formule die ik zelf hanteer, luidt dat succes een optelsom is van talent, timing en toeval, hoewel je daar eigenlijk nog zaken als training en toewijding aan zou moeten toevoegen. Je wint nooit een gouden medaille zonder daarvoor alles opzij te zetten, net zoals je nooit een bedrijf kunt opzetten zonder lange werkweken of ergens echt heel goed in kunt worden zonder die spreekwoordelijke 10.000 uur oefening die daarvoor benodigd is. 

Je zou in dit verband ook kunnen verwijzen naar wat ik altijd de 5 D's noem: durf, daadkracht, doelgerichtheid, discipline en doorzettingsvermogen, plus misschien als zesde en zevende nog deemoed en dankbaarheid. Daarmee geef je te kennen dat je terdege beseft hoe bevoorrecht je in bepaalde opzichten bent, terwijl je tegelijk benadrukt dat je nergens komt in het leven zonder daarvoor de nodige moeite te doen.

maandag 15 maart 2021

Krijgen we straks ook een avondklok voor mannen?

Het afgelopen coronajaar was voor de meeste mensen een onwerkelijke, claustrofobische en misschien zelfs wel surrealistische ervaring. Voor mij kwam daar nog iets heel specifieks bij waardoor ik soms het gevoel had dat ik terecht was gekomen in een van mijn eigen boeken. Zo schreef ik in 1997 een thriller over een pandemie waarin al een avondklok voorkwam en in 2019 een boek over films waarin ik gekscherend opmerkte dat vrouwen alleen veilig over straat zouden kunnen als je een avondklok invoert voor mannen boven de 16 jaar. Dat laatste blijkt nu opeens een serieus politiek voorstel in Engeland.

Laat ik eerst maar weer even beginnen met een disclaimer. In datzelfde boek uit 2019 (Een jaar in het donker) noteer ik dat je je als man bij sommige onderwerpen op zulk glad ijs begeeft, dat je al een bult op je hoofd hebt voordat je je schaatsen goed en wel hebt ondergebonden. Mijn intentie is, net als altijd, niet anders dan dit: iets signaleren wat me opvalt, en wat misschien nog een beetje onderbelicht is gebleven, zonder waardeoordeel of politieke agenda. 

Aanleiding is de moord op de 33-jarige Sarah Everard, een zedendelict met dodelijke afloop dat plaatsvond in Engeland met een politieman als vermoedelijke dader. In een ander tijdsgewricht zou een dergelijke zaak waarschijnlijk niet eens het Nederlandse journaal hebben gehaald, maar nu speelt mee dat een stille wake gisteren hardhandig is beëindigd door politiemensen die je met een beetje kwade wil kunt beschouwen als collega's van de dader.

Voor alle duidelijkheid: wat Sarah Everard is overkomen, is de grote angst van elke vrouw en de nachtmerrie van elke ouder. Ik heb als piepjonge journalist ooit een hele avond doorgebracht bij de ouders van de spoorloos verdwenen Germa v/d Boom en dat zal ik mijn leven lang niet meer vergeten. Op het werk ging het vaak over dit soort, niet zelden onopgeloste misdrijven. Ook nu ik niet meer werk als journalist, denk ik nog regelmatig aan Maartje Piek en Willeke Dost. Dat is de enige schrale troost: dat hun namen niet zijn vergeten.

Ik heb een boek geschreven over een serieverkrachter, stapels boeken gelezen over dat onderwerp en voor mijn werk zelfs meerdere profilers van de FBI mogen interviewen. Je sprak met hen over motieven en modus operandi, en dacht vol afschuw in termen van monsters. De laatste tijd zie je echter een subtiele verschuiving doordat de nadruk steeds meer komt te liggen op het feit dat alle daders mánnen zijn. Omgekeerd heet de Yorkshire Ripper in de krant van vandaag ineens nadrukkelijk een 'vrouwenhatende seriemoordenaar'.

Zelf weet ik niet precies wat de toegevoegde waarde is om met terugwerkende kracht elke seriemoordenaar te voorzien van het predikaat 'vrouwenhatend', al was het maar omdat John Wayne Gacy het op kinderen had voorzien en de homoseksuele Jeffrey Dahmer volwassen mannen meelokte naar zijn appartement. Wat natuurlijk wel klopt is dat het allemaal mannen zijn en meestal ook blanke mannen. Zwarte seriemoordenaars bestaan, maar zijn een zeldzaamheid. Toch is het interessant om je af te vragen waar dit adjectief vandaan komt.

Zo wordt de laatste tijd steeds vaker gesproken over 'femicide', met de impliciete suggestie dat vrouwen worden vermoord omdát ze vrouw zijn. In zekere zin is dat ook zo, omdat het vaak om een lustmoord gaat, maar het motief kan ook jaloezie zijn, roof of (eer)wraak. Zelf vind ik het vooral schokkend dat de vermoedelijke dader in dit geval een politieman is (net als destijds bij Milly Boele uit Dordrecht), maar de politicoloog in mij vind het ook interessant dat de focus steeds meer komt te liggen op het geslacht van de dader. In die zin sluipt identiteitspolitiek ook langzaam de criminologie binnen.

Bij het schrijven van Een jaar in het donker in 2018 vroeg ik me oprecht af welke maatregelen je eventueel zou kunnen nemen om ervoor te zorgen dat vrouwen ook 's avonds veilig over straat kunnen. Ik fiets heel vaak in het halfdonker of door een verlaten park in het besef dat mijn eigen vrouw dat niet zou durven, dus ik ben niet blind voor dat risico. Ik besef ook terdege dat zo'n moord als die op Sarah Everard een heel andere impact heeft op vrouwen, want in theorie kun jij het eerstvolgende slachtoffer zijn. 

Als man heb je die angst niet, al kun je natuurlijk wel buiten je toedoen terechtkomen in een verkeersruzie of vechtpartij. Dat neemt niet weg dat ik op straat nooit bang ben, behalve die ene keer toen ik in Las Vegas een verkeerde straat insloeg en ineens in een soort getto terechtkwam. Hoe dan ook: in mijn boek stelde ik vast dat dit probleem onoplosbaar is en dat illustreerde ik met een avondklok voor mannen. Ik noem dat een draconische maatregelen, terwijl het in feite een onuitvoerbaar plan is. Datzelfde geldt voor de suggestie om alle jongens boven de 16 voor alle zekerheid chemisch te castreren.

Je begrijpt mijn verbijstering toen ik gisteren ineens vernam dat dat idee van die avondklok inmiddels een min of meer serieus politiek voorstel is en in elk geval ijverig wordt besproken in de Britse media. Ik verwacht ook dat ik nog ga meemaken dat die DNA-databank voor jongens er tijdens mijn leven nog gaat komen en ik weet niet eens of ik dat wel een heel slecht idee vind. Tegelijk kreeg ik gisteren wederom geen betere suggestie van vrouwen dan de schattige gedachte dat we 'mannen gewoon anders moeten gaan opvoeden'.

Eigenlijk is dat de kern van mijn betoog, maar ik ga het wegens ruimtegebrek toch even afraffelen. In het kort komt het hier op neer: de suggestie is dat baby's blanco ter wereld komen en worden opgevoed tot man of vrouw. Sommige radicale feministen suggereren zelfs dat heteroseksualitiet aangeleerd is, maar dat is (nog) een kleine groep. Als je dat oprecht denkt, dan is het logisch dat je hoge verwachtingen koestert van opvoeding bij het voorkomen van verkrachting en alle andere vormen van seksuele intimidatie, groot of klein.

Wat feministische wetenschappers steevast doen is de rol van testosteron wegwuiven, ontkennen of bagatelliseren. Daarover kun je wat mij betreft van mening verschillen en discussiëren, maar tegelijk denk ik dat dit probleem zo hardnekkig is - en misschien wel onuitroeibaar - dat je het niet op een andere manier kunt oplossen dan door als vrouw voortdurend op je hoede zijn, liefst niet alleen door het donker over straat te gaan en een busje traangas in je handtas te stoppen.

Wat nu echter dreigt te gebeuren is dat er een hele generatie boze jonge vrouwen opgroeit met de gedachte dat vrouwen vermoord worden omdát ze vrouw zijn (vanmorgen moest ik het concept femicide nog aan mijn vrouw uitleggen, maar het zal snel gemeengoed worden). Tegelijk raken ze gefrustreerd omdat ze oprecht denken dat je mannen inderdaad alleen maar anders hoeft op te voeden terwijl dat natuurlijk een illusie is. Als het alleen aan de opvoeding lag, dan kon je mannen ook zo opvoeden dat we als samenleving nooit meer last zouden hebben van straatrovers, drugsgebruikers, bumperklevers, hooligans, motorbendes, moordenaars, witwassers, leugenachtige politici en ga zo maar door.