Zoeken

dinsdag 16 juni 2020

Het gaat niet om zwart of wit, maar om vijftig tinten grijs

Afgelopen week onderstreepte ik een passage in de Volkskrant die laat zien dat elk terecht debat gemakkelijk kan ontaarden in totalitarisme. Volgens die passage moet het nu maar eens afgelopen zijn met het 'bothsidism'. Dat is een lelijk, onvertaalbaar woord, maar het komt erop neer dat er nu even geen plaats meer is voor nuances. En dat terwijl ik in mijn boek Een jaar in het donker bijna tot vervelens toe betoog dat er aan elk verhaal altijd twee kanten zitten en dat zich tussen goed en kwaad een enorm grijs gebied bevindt.


De bewuste passage komt uit een stuk over The New York Times. Die respectabele krant ontsloeg een chef van de opinieredactie die een uitgesproken rechts ingezonden stuk had geaccepteerd en geplaatst. Volgens dezelfde chef staat vrije pers voor pluriformiteit en fungeert de krant als platform voor een veelvoud aan meningen en geluiden. Tegenstand kwam vooral van de jongere verslaggevers bij de krant (zeg maar de 40-minners) die minder verdraagzaam zijn als het gaat om afwijkende meningen en absoluter in hun standpunten.

Grappig (of beter gezegd: verontrustend) is dat de opvatting dat de waarheid in het midden ligt door die groep wordt neergezet als 'dogma', terwijl het in werkelijkheid bijna altijd zo is. Die wijsheid komt echter pas met de jaren, want ik ben blij dat ik nooit hoef te discussiëren met een 20-jarige versie van mezelf. Ook ben ik blij dat veel pennenvruchten van mijn hand zijn verschenen in het pré-internet tijdperk en daardoor door de geschiedenis zijn opgeslokt. Ik geloof niet dat ik veel beter of mooier ben gaan schrijven, maar mijn opvattingen zijn wel een stuk genuanceerder.


In 2018 zag ik meer dan 250 films in de bioscoop. Daardoor kwam ik in aanraking met zoveel verschillende gezichtspunten, dat ik alleen maar kon vaststellen dat er voor alles wel iets te zeggen valt en dat je elk onderwerp van verschillende kanten kunt bekijken (in films zelfs letterlijk). Dat lijkt een open deur, maar zorgde bij sommige jonge journalisten voor opengesperde ogen of ontstentenis. Terwijl de vaststelling alleen maar is is dat goed en kwaad geen keurig afgebakende begrippen zijn, maar slechts de uiteinden van een mistig grijs gebied daar tussenin.

In die tijd ging het maatschappelijk debat niet over 'racisme', maar over 'metoo'. Aan dat onderwerp besteedde ik twee hoofdstukken, hoewel ik genoeg aantekeningen had gemaakt om moeiteloos een kwart van het boek mee te vullen. Het standpunt was toen (en is dat misschien nog steeds) dat je slachtoffers van grensoverschrijdend seksueel gedrag altijd op hun woord moet geloven. Dat kun je denken en daar kun je naar handelen, maar dan hoef je bij echtscheidingen voortaan ook alleen nog maar te luisteren naar háár kant van het verhaal.


Dat de waarheid in het midden ligt, is natuurlijk veel te simpel gesteld, al was het alleen maar omdat hij zelden precies netjes in het midden ligt. Beter is het om te zeggen dat er meerdere waarheden naast elkaar kunnen bestaan en ook dat er in ieder mens ruimte is voor tegenstrijdige emoties. Wat ik daarmee bedoel kan ik eenvoudig illustreren met een voorbeeld dat in het verlengde ligt van datzelfde boek. Daarin beschrijf ik de film Girl, over een Vlaamse jongen die op ballet zit en zich gevangen voelt in het verkeerde lichaam.

Het is een indrukwekkende film die ik iedereen aanraad en die de kijker niet onberoerd laat. Je leeft intens mee met de hoofdpersoon, bent getuige van zijn/haar worsteling en twijfelt geen moment aan het feit dat je naar een meisje zit te kijken (ondanks het feit dat de rol gespeeld wordt door een acteur die zelf niet transgender is). Prachtige film, die ook nog eens laat zien dat een dergelijk proces altijd een worsteling zal blijven, hoe begripvol de maatschappij en de directe omgeving ook is.

Voordat de film begon, nam ik plaats achter de leestafel van LantarenVenster om te wachten tot de zaal openging. Toen er tegenover mij een vrouw plaatsnam van mijn eigen leeftijd, registreerde mijn brein in een fractie van een seconde dat ik keek naar iemand die in een mannenlichaam is geboren. Daar zit in mijn geval geen enkel waardeoordeel achter, hooguit de vaststelling dat je hersenen het blijkbaar feilloos aanvoelen als er iets in het plaatje niet helemaal klopt.


Afgelopen week kwam schrijfster JK Rowling onder vuur te liggen door een uitspraak over dit onderwerp die op zich helemaal niet zo wereldschokkend is - of dat in elk geval niet zou moeten zijn. Mensen van mijn generatie zijn opgegroeid met Sonja Barend en hebben dit fenomeen allang geaccepteerd. Dat neemt niet weg dat ik heel even verbaasd was toen ik bovenstaande foto in de krant zag en daarnaast de kop 'zij'. Het blijkt om een vrouwelijke minister uit Zuid-Korea te gaan, maar je brein ziet in eerste instantie een licht kalende man met lang haar.

Als journalist interviewde ik ooit twee mannelijke, heteroseksuele travestieten die zich professioneel lieten opmaken door twee vrouwen (en die tegen hun werkgever hadden gezegd dat een een snipperdag namen). Soms gingen ze op zo'n dag naar een hotelkamer om zich daar om te kleden en een enkele keer waagden ze zich zelfs op straat. Een van hen vertelde dat hij er soms over fantaseerde om een foto van zichzelf als vrouw in huis te laten slingeren, in de hoop dat zijn eigen echtgenote zou zeggen dat ze het 'een mooie vrouw' vond.

Ik vond het een tragisch en moedig verhaal dat vraagt om de vaardige handen van een romanschrijver. Tegelijk vraag ik me af (net als een van de personages uit het tweede seizoen van AfterLife) waar deze categorie is gebleven in de hele lbgtq-discussie en waar in het hele spectrum hij thuishoort. Maar ook hier is de vaststelling dat ik een heel mooi, respectvol en begripvol artikel heb geschreven, terwijl ik tegelijk moeite moest doen mijn gezicht twee uur lang in de plooi te houden. Je kunt dus tegelijk de tragiek zien en beseffen dat je een serieus gesprek aan het voeren  bent met een buschauffeur in vrouwenkleren.