Onlangs werd ik geïnterviewd voor een podcast door iemand die mij ruim tien jaar geleden, kort na het verschijnen van Het nieuwe nietsdoen, ook al eens uitgebreid had gesproken. Ergens tijdens het gesprek merkte hij op dat ik toen heel bevlogen was, waarmee hij waarschijnlijk bedoelde dat ik nu een stuk minder bevlogen ben. Helaas ging hij er verder niet op in, terwijl het misschien wel het belangrijkste onderwerp was dat die middag de revue passeerde.
Wie bovenstaande rij boeken bekijkt - niet al mijn boeken, maar alles wat verschenen is na 2012 - ziet dat er op Het nieuwe nietsdoen nog een flink aantal zou volgen. Niet alleen was ik nog aan het uitdokteren hoe ik mijn vroegpensioen precies zou gaan bekostigen, ik had het ene verhelderende inzicht na het andere en wilde dat dolgraag met zoveel mogelijk mensen delen. Dat deed ik in alle nog te schrijven delen, maar ook op verjaardagen waar men wel eens moe werd van mijn eeuwige pleidooi voor minder werken en consuminderen.
In die tijd vergeleek ik mezelf regelmatig met een ballonvaarder die steeds weer wat ballast overboord zette en daardoor steeds hoger en vrijer door de lucht zweefde. Met elke stap kwam ik dichter in de buurt van financiële onafhankelijkheid, wat in mijn geval zoveel betekende als dat ik naast mijn werk als schrijver geen ander betaald werk meer hoefde aan te nemen. Zo hield ik steeds vaker de boot af als ik werd gevraagd een lezing te geven en stopte ik met mijn vaste column op de economiepagina van het Reformatorisch Dagblad.
Inmiddels is die spreekwoordelijke luchtballon allang geland op de paradijselijke plek die ik al die tijd voor ogen had. Ergens in een van mijn boeken schrijf ik dat ik voor anker ben gegaan in mijn eigen achtertuin en dat kun je letterlijk nemen. Ik heb ook wel eens gezegd dat ik bereid zou zijn nooit meer op vakantie te gaan in ruil voor een eeuwig vakantiegevoel en daar ben ik ook nog niet op teruggekomen. Maar na de publicatie van het boek Eindelijk hypotheekvrij! uit 2020 heb ik niet veel meer toe te voegen aan het onderwerp 'aflossen' en 'afbouwen'.
Nu we klaar waren met versneld aflossen was ik ook wel een beetje klaar met het onderwerp en toe aan een nieuw hoofdstuk, net zoals je na het behalen van je middelbare schooldiploma ook niet langer de behoefte voelt om rijtjes met Duitse naamvallen uit je hoofd te leren. Om die reden schreef ik een boek over fietsen, over film en - als laatste - over jazz, zonder me te bekommeren om de vraag of dat veel lezers zou aanspreken. Tijdens het schrijven van zo'n boek ben ik er in gedachten de hele tijd mee bezig, en praat ik er ook honderduit over, maar kort na publicatie ben ik alweer bezig met een volgend onderwerp en is het oude koek.
Daarnaast speelt nog iets anders en dat heeft alles te maken met de levensfase waarin je verkeert. Toen ik 55 was, verzuchtte ik dat ik nog wel 55 jaar lang 55 zou willen blijven maar inmiddels ben ik alweer dicht in de buurt van mijn 64ste verjaardag. Mijn conditie is prima, maar mijn testosteronniveau is al zo ver gedaald dat ik onlangs constateerde dat ik me altijd wel zo had willen voelen (minder agressief, minder ongeduldig, minder snel boos). Tegelijk stelde ik vast dat er dan waarschijnlijk niet veel uit mijn handen zou zijn gekomen, want ik dank zowel mijn ambitie als mijn afloswoede aan dat mannelijke hormoon.
Net zoals ik alleen nog naar concerten ga waarbij ik (a) kan zitten en (b) geen oordoppen nodig heb, zo is ook mijn persoonlijke leven in rustiger vaarwater gekomen. Ik koop gemiddeld nog één metal-cd per jaar, maar dat is meer een oude reflex dan iets wat naadloos past bij de persoon die ik nu ben. Op dezelfde manier moet je me nu ook niet achter een laptop zetten met het verzoek weer eens een thriller te schrijven, want de persoon die dat graag deed bestaat niet meer, net zoals ik er nu ook niet meer aan zou moeten denken in één ruk naar Toscane te rijden.
In de binnenkort te beluisteren podcast gaat het ook nog even over Bronnie Ware, de verpleegster die wereldberoemd werd met een boek over alles waar de stervenden spijt van hebben. Wat ik daarover te zeggen heb, zal ik op de plek niet verklappen, maar dit wil ik wel over kwijt: net zoals je als 20-jarige geen idee hebt hoe je jezelf als 40-jarige, of als 60-jarige, zult voelen, en wat je dan belangrijk vindt, zo kun je je op hoge leeftijd - dus omgekeerd - ook niet goed meer voor de geest halen wat je als 50-jarige bezielde en waarom je deed wat je deed. Wat blijft is dat niemand op zijn sterfbed verzucht dat hij achteraf gezien graag nog wat vaker had vergaderd, nog wat harder had gewerkt of nog wat langer in de file had gestaan.