Zoeken

dinsdag 18 maart 2025

Eenmaal geland ben je als mens veel minder bevlogen

Onlangs werd ik geïnterviewd voor een podcast door iemand die mij ruim tien jaar geleden, kort na het verschijnen van Het nieuwe nietsdoen, ook al eens uitgebreid had gesproken. Ergens tijdens het gesprek merkte hij op dat ik toen heel bevlogen was, waarmee hij waarschijnlijk bedoelde dat ik nu een stuk minder bevlogen ben. Helaas ging hij er verder niet op in, terwijl het misschien wel het belangrijkste onderwerp was dat die middag de revue passeerde. 

Wie bovenstaande rij boeken bekijkt - niet al mijn boeken, maar alles wat verschenen is na 2012 - ziet dat er op Het nieuwe nietsdoen nog een flink aantal zou volgen. Niet alleen was ik nog aan het uitdokteren hoe ik mijn vroegpensioen precies zou gaan bekostigen, ik had het ene verhelderende inzicht na het andere en wilde dat dolgraag met zoveel mogelijk mensen delen. Dat deed ik in alle nog te schrijven delen, maar ook op verjaardagen waar men wel eens moe werd van mijn eeuwige pleidooi voor minder werken en consuminderen.

In die tijd vergeleek ik mezelf regelmatig met een ballonvaarder die steeds weer wat ballast overboord zette en daardoor steeds hoger en vrijer door de lucht zweefde. Met elke stap kwam ik dichter in de buurt van financiële onafhankelijkheid, wat in mijn geval zoveel betekende als dat ik naast mijn werk als schrijver geen ander betaald werk meer hoefde aan te nemen. Zo hield ik steeds vaker de boot af als ik werd gevraagd een lezing te geven en stopte ik met mijn vaste column op de economiepagina van het Reformatorisch Dagblad.


Inmiddels is die spreekwoordelijke luchtballon allang geland op de paradijselijke plek die ik al die tijd voor ogen had. Ergens in een van mijn boeken schrijf ik dat ik voor anker ben gegaan in mijn eigen achtertuin en dat kun je letterlijk nemen. Ik heb ook wel eens gezegd dat ik bereid zou zijn nooit meer op vakantie te gaan in ruil voor een eeuwig vakantiegevoel en daar ben ik ook nog niet op teruggekomen. Maar na de publicatie van het boek Eindelijk hypotheekvrij! uit 2020 heb ik niet veel meer toe te voegen aan het onderwerp 'aflossen' en 'afbouwen'. 

Nu we klaar waren met versneld aflossen was ik ook wel een beetje klaar met het onderwerp en toe aan een nieuw hoofdstuk, net zoals je na het behalen van je middelbare schooldiploma ook niet langer de behoefte voelt om rijtjes met Duitse naamvallen uit je hoofd te leren. Om die reden schreef ik een boek over fietsen, over film en - als laatste - over jazz, zonder me te bekommeren om de vraag of dat veel lezers zou aanspreken. Tijdens het schrijven van zo'n boek ben ik er in gedachten de hele tijd mee bezig, en praat ik er ook honderduit over, maar kort na publicatie ben ik alweer bezig met een volgend onderwerp en is het oude koek.

Daarnaast speelt nog iets anders en dat heeft alles te maken met de levensfase waarin je verkeert. Toen ik 55 was, verzuchtte ik dat ik nog wel 55 jaar lang 55 zou willen blijven maar inmiddels ben ik alweer dicht in de buurt van mijn 64ste verjaardag. Mijn conditie is prima, maar mijn testosteronniveau is al zo ver gedaald dat ik onlangs constateerde dat ik me altijd wel zo had willen voelen (minder agressief, minder ongeduldig, minder snel boos). Tegelijk stelde ik vast dat er dan waarschijnlijk niet veel uit mijn handen zou zijn gekomen, want ik dank zowel mijn ambitie als mijn afloswoede aan dat mannelijke hormoon.

Net zoals ik alleen nog naar concerten ga waarbij ik (a) kan zitten en (b) geen oordoppen nodig heb, zo is ook mijn persoonlijke leven in rustiger vaarwater gekomen. Ik koop gemiddeld nog één metal-cd per jaar, maar dat is meer een oude reflex dan iets wat naadloos past bij de persoon die ik nu ben. Op dezelfde manier moet je me nu ook niet achter een laptop zetten met het verzoek weer eens een thriller te schrijven, want de persoon die dat graag deed bestaat niet meer, net zoals ik er nu ook niet meer aan zou moeten denken in één ruk naar Toscane te rijden.

In de binnenkort te beluisteren podcast gaat het ook nog even over Bronnie Ware, de verpleegster die wereldberoemd werd met een boek over alles waar de stervenden spijt van hebben. Wat ik daarover te zeggen heb, zal ik op de plek niet verklappen, maar dit wil ik wel over kwijt: net zoals je als 20-jarige geen idee hebt hoe je jezelf als 40-jarige, of als 60-jarige, zult voelen, en wat je dan belangrijk vindt, zo kun je je op hoge leeftijd - dus omgekeerd - ook niet goed meer voor de geest halen wat je als 50-jarige bezielde en waarom je deed wat je deed. Wat blijft is dat niemand op zijn sterfbed verzucht dat hij achteraf gezien graag nog wat vaker had vergaderd, nog wat harder had gewerkt of nog wat langer in de file had gestaan. 

donderdag 13 februari 2025

Mijn ontdekkingstocht richting jazz begon bij de blues

Een week geleden reed ik op donderdagmiddag helemaal naar Middelburg om daar een artiest te zien optreden waarvan ik tegen mijn vrouw zei dat ik hem beslist 'móest' zien. Jontavious Willis is pas 29, maar klinkt op zijn laatste album als een generatiegenoot van Big Bill Broonzy en Furry Lewis. Dichterbij de oerbron van de blues ben ik in elk geval nooit geweest.

Trouwe lezers (dat wil zeggen: mensen die niet alleen mijn boeken over hypotheken en pensioenen hebben gelezen, maar ook de laatste) weten dat ik, voordat ik jazz ontdekte, al een uitgebreide bluescollectie had opgebouwd. Beide genres zijn nauw aan elkaar verwant, zozeer zelfs dat ik al het nodige van Jimmy Witherspoon en Jimmy Rushing in de kast had staan zonder te beseffen dat ik eigenlijk naar 'jazz' aan het luisteren was.

Zo heb ik praktisch álles wat John Lee Hooker ooit heeft opgenomen en datzelfde geldt voor Muddy Waters. Je kunt ook zeggen dat ik vanaf de Rolling Stones de omgekeerde weg heb bewandeld richting oerknal, want zij ontleenden hun naam aan een van de nummers van diezelfde Muddy Waters en begonnen hun loopbaan met covers van oude bluesnummers. Zonder blues zou de rockmuziek er totaal anders hebben uitgezien, want ook Led Zeppelin en Black Sabbath speelden in hun begindagen langzame, lompe, loodzware blues.

Zelf heb ik blues van huis uit meegekregen, niet alleen omdat ik als jochie gefascineerd naar datzelfde Black Sabbath luisterde, maar vooral omdat er thuis altijd wel iets opstond van Canned Heat of Rory Gallagher. Pas later ontdekte ik dat er behalve die knallende elektrisch versterkte (Chicago-) blues nog zoiets bestond als 'country blues'. Je zou dat de oerversie van blues kunnen noemen: een man op een afgeragde gitaar, zittend op de veranda van een houten cabin.

Hoewel ik zo ongeveer alle variaties op het thema in de kast heb staan, gaat mijn voorkeur stiekem toch vooral uit naar de akoestische blues van artiesten als Mississippi John Hurt, Furry Lewis, Big Bill Broonzy en Big Joe Williams met zijn negensnarige gitaar. Veel van die artiesten maakten furore in de vooroorlogse jaren, totdat ze in het begin van de jaren 60 werden herontdekt door een jong publiek dat van folk hield en op zoek was naar authenticiteit. 

In mijn boekenkast is goed te zien hoe ik vanuit de heavy metal met terugwerkende kracht uitkwam bij Janis Joplin en Mississippi John Hurt, bij Big Bill Broonzy en boogie woogie en - uiteindelijk - ook bij jazz. Dat laatste genre is springlevend, maar echte country blues is schaars. Mijn oudste zoon attendeerde me op het bestaan van Muirrean Bradley, een piepjonge Ierse artiest die klinkt alsof ze gitaarles heeft gehad van Mississippi John Hurt maar die mij instrumentaal meer weet te overtuigen dan vocaal.

En toen zag ik opeens de naam voorbij komen van Jontavious Willis, een bluesartiest van 29 uit de staat Georgia die klinkt als iemand uit 1920. Verbijsterd luisterde ik naar zijn laatste album, want dit was bijna te mooi om waar te zijn. Ik had Guy Davis al een keer zien optreden en Eric Bibb zelfs twee keer, maar dit klonk zo mogelijk nog authenthieker. En dus stapten we om vier uur 's middags in de auto richting Middelburg om te zien of het 'live' net zo overtuigend klonk (en ook omdat ik om 6 uur een tafel had gereserveerd in een pizzeria op twee minuten lopen van het theater).

En, ja, het was fantastisch en onvergetelijk. Ik had Robert Lockwood - stiefzoon van Robert Johnson - begin deze eeuw al eens zien spelen op een openluchtpodium in Rotterdam, maar dit was een goede tweede als het gaat om meest memorabele momenten uit mijn persoonlijke bluesgeschiedenis. Willis wisselde eigen composities af met klassiekers als Catfish Blues, See See Rider, Match Box Blues en We Gonna Move to the Outskirts of Town, waardoor het een soort tijdreis was en je met je ogen dicht zou zweren dat Big Bill Broonzy zelf op het podium stond.

Voor het laatste nummer vroeg hij aan de barman een glas whisky - of een glas rode wijn in een whiskyglas. Die had het waarschijnlijk niet goed verstaan, of niet goed begrepen, want hij kwam haastig aangelopen met een gewoon wijnglas. Even later zag ik voor het eerst van mijn leven een gitarist slidegitaar spelen, en tussendoor af en toe een slok nemen, met een wijnglas, breeduit grijnzend omdat dit voor hem waarschijnlijk ook de eerste keer was. Het maakte een onvergetelijk optreden nóg onvergetelijker en het maakte mij fan voor het leven.

vrijdag 24 januari 2025

Hoe zit het precies met alle boeken die ik níet schreef?

 Als ik nog steeds werkzaam was geweest als schrijvend journalist, zou ik mijn eindredacteur voorstellen of hij misschien geïnteresseerd was in een serie interviews met schrijvers over alle boeken die ze nooit hebben geschreven. Dat kunnen manuscripten zijn die in een la zijn beland, onderwerpen die door de tijd zijn ingehaald, maar ook boeken die zijn blijven liggen of waar ze nooit aan toe zijn gekomen. Zelf heb ik minstens twee titels die - inderdaad - nooit verder zijn gekomen dan de titel.

Het begon allemaal met een appje van een freelance fotograaf die de ambitie heeft om 'de nieuwe Anton Corbijn' te worden. Dat sprak me meteen aan, omdat ik ooit begonnen ben als thrillerschrijver met in mijn achterhoofd het idee om 'de nieuwe Stephen King' te worden. De bijbehorende slogan had ik al in mijn hoofd zitten ('Horror van Hormann'), maar echt beroemd ben ik met mijn bovennatuurlijke thrillers nooit geworden. Uiteindelijk zou ik zeven misdaadromans publiceren, waarvan met name de laatste drie dicht bij mijn grote voorbeeld lagen.

Mijn eerste boek was eigenlijk mijn derde, want in de kast staat nog steeds een map met daarin een lijvig manuscript dat nooit is gepubliceerd. Ik schreef de eerste alinea in de nacht dat mijn oudste zoon werd geboren, vandaar dat ik nog precies weet wanneer ik eraan begonnen ben. Het resultaat - na twee jaar ploeteren in de avonduren - is een James Herbert-achtige thriller over mensen die krankzinnige dingen doen onder invloed van nabijgelegen hoogspanningsmasten. Mijn vrouw bedacht een passende titel (Ontlading), maar de uitgever die ik op het oog had wilde het niet uitbrengen.

Toen ik het manuscript inleverde bij de uitgeverij (dezelfde die ook de vertalingen van Stephen King uitbracht), verwachtte ik een week later al een dolenthousiast telefoontje met de mededeling dat ze het graag wilden uitgeven. In plaats daarvan duurde het meer dan een halfjaar en kreeg ik te horen dat het goed geschreven was maar veel te complex, bijna alsof ik alle ideeën die ik had in één boek had proberen te proppen. In plaats daarvan wilden ze graag iets in diezelfde stijl, maar dan wat minder wijdlopig en ambitieus.

Op dat moment was ik al halverwege een boek dat uiteindelijk pas tien jaar later zou verschijnen, bij een uitgeverij die inderdaad de volgende dag al terugbelde nadat ik het laatste hoofdstuk had opgestuurd. De Duistering verscheen bij uitgeverij Barnabas als 'het Nederlandse antwoord op Dan Brown', de eerste van drie reli-thrillers die ik zou publiceren voordat ik in 2008 bedacht dat ik nu wel genoeg spannende boeken had geschreven (sterker: ik dacht dat ik na negen boeken, waaronder ook nog een kinderboek en een non-fictie titel over tweede huizen) wel klaar was met schrijven.

Ondertussen had ik als journalist een artikel geschreven over de tot op heden nooit opgehelderde verdwijning van de stoffelijke resten van de in 1946 geëxecuteerde NSB-leider Anton Mussert. Onbekenden groeven in 1956 zijn beenderen op, vlak voordat ze officieel zouden worden geruimd, en daar loopt het spoor meteen dood. Ik interviewde neo-nazi's en klopte aan bij oud-Oostfrontstrijders, maar kwam er niet achter wie de daders waren en wat er vervolgens met zijn stoffelijke resten is gebeurd. 

Pas na publicatie ontving ik een anonieme brief waarin te lezen viel dat zijn resten ergens op de Veluwe zijn herbegraven Sindsdien verzamelden zich op die plek elk jaar zo'n 200 mensen die een kring om het ongemarkeerde graf vormden en vijf minuten in stilte naar de grond keken. Daarna ging men in een naburig café nog iets drinken, zonder verder over politiek te praten. Ik vond het een fascinerend verhaal, maar de afzender reageerde nooit op de door hem opgestelde advertentietekst die ik een week later liet plaatsen, samen met mijn privénummer.

Dit hele verhaal lijkt sowieso al op iets uit een jongensboek, dus het duurde niet lang voordat ik met plannen rondliep voor een boek dat 'De Mussert Connectie' zou moeten heten en stevige geworteld zou zijn in de werkelijkheid. Verder dan die titel ben ik echtere niet gekomen, waarschijnlijk omdat ik tijdens een kampeervakantie in Frankrijk op een ochtend ineens wakker werd met een plot in mijn hoofd rondom de nooit opgepakte Utrechtse serieverkrachter.

Zo wordt het ene goede idee soms klakkeloos ingeruild voor een nog beter idee, hoewel je nooit weet hoe succesvol dat andere boek zou zijn geweest. Op dezelfde manier had ik ook al een mapje gemaakt voor een boek dat Heimwee naar Warmsen moest gaan heten, de Duitse plaats waar mijn verre Duitse  voorouders vandaan kwamen. Waarschijnlijk had dat boek toch anders geheten want de uitgever vond het 'te literair' en bovendien lag dat charmante vrijstaande huis dat ik in 2006 had gekocht een stuk oostelijker in een dorpje dat Taubenheim heette. Maar dát is weer een ander verhaal voor een ander moment.

dinsdag 10 september 2024

Succes is echt niet alleen te danken aan toeval en geluk

De laatste tijd valt steeds vaker te lezen dat maatschappelijk succes louter toe te schrijven zou zijn aan toeval en geluk. Dat is natuurlijk niet zomaar, want het is gemakkelijker om ongelijkheid te bestrijden, wanneer de gedachte eenmaal heeft postgevat dat alles je toch maar in de schoot geworpen wordt. Nu spreek ik in mijn boeken altijd vol ontzag over 'toeval' - ook in mijn nieuwste boek weer - maar tegelijk is het ook weer niet zo dat al mijn boeken zichzelf schrijven of als bij toverslag uit de computer komen rollen.


Eerlijk gezegd schrok ik er zelf een beetje van toen ik het natelde, maar in mijn nieuwe boek komt het woord 'toeval' niet minder dan 49 (!) keer voor, al dat niet in woordcombinaties als toevallig, toevalstreffer, toevalligheden of stomtoevallig. Nu is het deels natuurlijk ook een kwestie van toeval dat ik als verstokte rocker opeens de jazz heb ontdekt, maar dit suggereert bijna alsof ik geblinddoekt naar de platenzaak ben gegaan en zomaar thuiskwam met een tas vol jazz-cd's en een pasklaar idee voor mijn twintigste boek.

Wie de moeite neemt om mijn wikipediapagina op te zoeken, zal waarschijnlijk niet snel tot de conclusie komen dat alles me zomaar is komen aanwaaien. Zelf vat ik mijn loopbaan als schrijver altijd zo samen: ik heb vijf jaar moeten wachten voordat mijn eerste boek verscheen en twintig jaar voordat er sprake was van een bescheiden bestseller. Een normaal mens had het dan allang opgegeven, net als die ene collega-misdaadauteur die zo geschrokken was van de verkoopcijfers van zijn debuut dat hij zich nooit meer aan een tweede thriller heeft gewaagd.

Dat deze week mijn twintigste boek in de winkel ligt, is bepaald niet zonder slag of stoot gegaan. Succes is ook nooit zomaar een stijgende lijn, waarbij je van elk boek weer meer verkoopt dan van het voorgaande, maar eerder een grillige grafiek met uitschieters naar boven en beneden. Dus zeker als je hamert op het belang van zaken als toeval en geluk, zul je moeten toegeven dat pech en willekeur dan óók een rol spelen. Zo lag mijn boek Eindelijk hypotheekvrij! begin maart 2020 in grote stapels bij de AKO precies op het moment dat alle boekwinkels de deuren moest sluiten vanwege corona.

De eerste paar alinea's van mijn eerste (tot op heden ongepubliceerde) manuscript schreef ik in de nacht dat mijn oudste zoon werd geboren, precies op het moment dat mijn werk verhuisde van Gilze naar Amsterdam en ik elke dag minsten twee keer zo lang onderweg zou zijn. Mijn redenering was: als ik het schrijven onder deze ongunstige condities, naast een fulltime baan, kon volhouden, dan zou ik het waarschijnlijk héél lang kunnen volhouden. Toen kon ik nog niet weten dat pas mijn derde poging zou worden gepubliceerd, op het moment dat diezelfde zoon alweer vijf jaar oud was.

Zo kan ik ontelbaar veel voorbeelden noemen, zoals die ene keer dat ik was gevraagd voor een signeersessie en er helemaal niemand kwam opdagen. Tegenover elk succesmoment staan tien teleurstellingen en tegenvallers, waarbij je telkens moet opkrabbelen en jezelf weer moet zien op te peppen. Het leidde tot de slotsom dat je bovenal een lange adem moet hebben en iets ook zó graag moet willen, dat je er alles voor over hebt en alles voor opzij zet. Het echte succes kwam uiteindelijk ook pas toen ik zelf de moed allang had opgegeven en dacht dat ik, na negen boeken, wel zo'n beetje klaar was al schrijver.

Toeval en geluk hebben inderdaad een rol gespeeld als het gaat om mijn schrijverschap, maar dan wel in combinatie met onmisbare factoren als talent, creativiteit, timing, volharding, discipline, ijver, eigenwijsheid, heilig vuur en een niet per se altijd in de realiteit geworteld geloof in eigen kunnen. In die zin geloof ik nog steeds in het bijna ouderwetse, inmiddels bijna suspecte concept van een 'meritocratie', zij het met de aantekening dat succes wat mij betreft niet per se synoniem hoeft te zijn aan financieel gewin of aan klinkende verkoopcijfers. Anders schijf je natuurlijk ook geen boek over 'jazz'...


vrijdag 23 augustus 2024

Een jazzliefhebber die naar progrock luistert

Halverwege het laatste concert van het afgelopen theaterseizoen, begon ik me op de eerste rij opeens op mijn hoofd te krabben. Het Zweedse jazztrio Rymden maakte bij dit gedenkwaardige optreden namelijk zó veel gebruik van toetsen en elektronica dat dit eerder aan ouderwetse 'krautrock' deed denken dan aan klassieke jazz. Gevolg is dat al hun albums naar de plank met 'progrock' verhuisden, naast bands als Hawkwind, Eloy, Hoelderlin en het al even eigenwijs op de grens balancerende Doppler Trio. 

Het was niet voor het eerst dat ik in jazz allerlei andere invloeden herkende, want ook de band Big Vicious van trompettist Avishai Cohen heeft zo'n stuwend totaalgeluid dat het eerder een onvervalste rockband is dan iets anders en datzelfde geldt voor de dampende fusion van Nils Petter Molvaer en Erik Truffaz. Nu is jazz van zichzelf als een smeltkroes van allerlei invloeden en stijlen, maar bij Rymden was het eerder of je naar jazzy klinkende spacerock luisterde.

Opeens leek het volkomen logisch om hun drie albums, gesigneerd en wel, te verhuizen naar een heel ander deel van de platenkast, ver van klassiekers als Lee Morgan, Louis Armstrong en Miles Davis. Had dit uit Zweden afkomstige Rymden, met al die Moog synthesizers, immers niet veel meer overeenkomsten met bijvoorbeeld Emerson Lake and Palmer dan met 'echte jazz'? Weliswaar stel ik in mijn nieuwe boek vast dat er helemaal niet zoiets bestaat als echte jazz, dit roept de terechte vraag op of het überhaupt nog wel om jazz gaat.

Zo zorgden Bugge Wesseltoft, Dan Berglund en Magnus Öström er eigenhandig, en waarschijnlijk geheel onbedoeld, voor dat ik de weken erop ineens alleen nog maar andere albums draaide uit dit wat vergeten hoekje van mijn collectie. De voorlaatste van Hawkwind had ik nog niet eens uit het cellofaan gehaald, maar bleek zowaar een van hun beter albums, zo goed zelfs dat ik de allerlaatste meteen ook maar heb besteld. En zo vulde ik nog meer ontbrekende gaatjes in de collectie, van Eroc tot Eloy en van Novalis tot Hoelderlin.

Als puber luisterde ik heel veel naar Duitse progrock - in de volksmond Krautrock geheten - zelfs al kwam die soms helemaal uit Oost-Duitsland. Deels was het dus een nostalgische reis langs allemaal oude bekenden, maar het zorgde er ook voor dat ik er ineens met heel andere oren naar luisterde waardoor er weer wat puzzelstukjes op hun plaats vielen. Zo wordt in een recensie van Live at Traumstadt van Hoelderlin gesproken over 'Jazz-Phrasierungen' die me nooit eerder waren opgevallen en daarmee was de cirkel meteen eigenlijk alweer rond.

Omdat na het concert van Rymden de zomerstop begon (het eerstvolgende concert waar ik een kaartje voor heb vindt pas op 19 september plaats), kon ik vrijelijk vreemdgaan op muzikaal terrein. Mijn nieuwe boek was immers zo goed als af, dus ik hoefde ook niet langer alleen maar naar jazz te luisteren. Mijn voornaamste conclusie was dat ik met al die verschillende soorten muziek die ik vroeger consumeerde, langzaam maar zeker werd klaargestoomd voor het overheerlijke dessert dat 'jazz' heette en dat vanaf de eerste hap naar meer smaakte.

In een tijd waarin steeds vaker in hokjes wordt gedacht en in streng afgebakende identiteiten, is het heerlijk om van de ene jazzvariant naar de andere te switchen, of die nu meer aan klassieke pianomuziek doet denken of aan onvervalste progrock. In elk geval was ik dankzij Rymden ook helemaal klaar voor het album Opposite Views van de Israëlische gitarist Gadi Caplan, dat via Facebook te bestellen is tegen betaling van alleen de verzendkosten.

Dat klinkt als een listige vorm van bedrog met een gemeen addertje onder het gras, maar blijkt voor artiesten steeds vaker een goede manier om bekendheid te verwerven. Zo kocht ik eerder een gesigneerd (!) album van pianist Soren Bebe dat ik in mijn nieuwe boek zelfs nog even noem, en dan nu deze melodieuze mix van - opnieuw - jazz en progrock, met veel ruimte voor de gitaar van Gadi Caplan. Die intuïtieve, bijna impulsieve manier van steeds weer nieuwe muziek ontdekken, maakt er wat mij betreft één groot avontuur van dat nooit gaat vervelen.

vrijdag 24 mei 2024

Soms is toeval bijna een soort tovenarij

Het begon allemaal met een kaartje voor het concert van Benjamin Herman in Rotterdam. Daarna volgde een wolkbreuk die alle plannen voor die vrijdagavond in februari in de war schopte. En toen kreeg ik prompt een spontane ingeving waarbij het bijna wel leek of ik iets oudere versie van mezelf vanuit een zeer nabije toekomst iets belangrijks in mijn oor fluisterde. Uiteindelijk leidde die optelsom ertoe dat we een paar maanden later prinsheerlijk op rij I zaten in een theater in Colmar bij een optreden van een zanger waar ik tot begin dit jaar nog nooit van had gehoord.

Het toeval wil dat ik het trio van Benjamin Herman kort daarvoor al had zien optreden in Dordrecht. Dus toen ik op buienradar zag dat ik niet alleen kletsnat zou aankomen bij het theater maar ook na afloop nog eens drie kwartier door de stromende regen zou moeten fietsen, besloot ik op het laatste moment om die avond verstek te laten gaan en lekker thuis te blijven. Iedereen was weg, dus ik had het hele huis voor mezelf en kon de muziek zo hard zetten als ik wilde en ook opzetten wat ik wilde.

En toen, schijnbaar vanuit het niets, was er opeens die heldere gedachte. Een paar maanden later zouden we twee weken op meivakantie gaan in de Elzas, niet ver van de stad Colmar. Ik had al twee kaartjes op zak voor het optreden van Florian Künstler op 30 april in het vlak over de grens gelegen Freiburg, maar ik had nog helemaal niet gekeken of er tijdens ons verblijf misschien ook iets te doen was in die Franse stad die nog veel dichterbij ons vakantiehuis lag.

Even later zag ik dat ene Claudio Capéo in de eerste week van onze vakantie maar liefst vier concerten achter elkaar zou geven in Colmar. Nooit van gehoord, dus eerst maar eens aanklikken op YouTube. Meteen zat ik rechtop, want dit was een schot in de roos, ergens op het snijvlak tussen Patrick Bruel en Stromae met een snufje Manau en een onsje Ange. Toen ik even later controleerde of er nog kaartjes waren, kreeg teleurstelling echter de overhand.

Voor 2 mei waren nog slechts een paar slechte plaatsen voorhanden en datzelfde gold voor de volgende twee avonden. Zonder enige verwachting klikte ik het concert van 5 mei aan en daar zag ik tot mijn grote vreugde nog twee vrije plaatsen op een van de middelste rijen in de zaal. Het duurde even voor de transactie een feit was - want zo vaak gebruikte ik mijn creditcard niet voor dit soort aankopen - maar even later was ik in het bezit van twee felbegeerde kaartjes.

Pas later zou ik tot ontdekking komen dat ik deze spontane ingeving kreeg precies op de dag dat de voorverkoop voor deze vier concerten van start was gegaan. Als ik een paar dagen later op dit idee zou zijn gekomen, of misschien zelfs maar een halve dag later, had ik naar kaartjes kunnen fluiten want hij moest heel veel van zijn plaatselijke fans teleurstellen. Capéo (echte naam: Ruccolo) is geboren in Mulhouse, dus deze concerten waren een soort thuiswedstrijd, vergelijkbaar met de shows van Guus Meeuwis in het stadion van PSV. Enige verschil is dat Theatre Municipal een klein theater is met maar 550 plaatsen.

Mijn vrouw wist ondertussen van niets, al reageerde ze wel aangenaam verrast toen ze op een ochtend haar auto startte en ineens muziek hoorde die ze niet kende maar die ze al snel in haar hart sloot. Dat geintje herhaalde ik nog twee keer, zodat ze alle reguliere, Franstalige albums van Claudio Capéo in bezit had en elk refrein uit volle borst meezong op weg naar haar werk. Zo luisterde ze weken achtereen maar naar één artiest, waardoor het leek alsof ze al heel haar leven fan was. 

Het was de bedoeling om haar pas tijdens de vakantie te vertellen dat we naar zijn optreden zouden gaan, maar ze was zó weg van zijn muziek dat ze op eigen houtje ging zoeken of hij soms ergens optrad. Groot was haar teleurstelling toen ze ontdekte dat hij vier uitverkochte concerten zou geven in Colmar, tot ze mijn triomfantelijke gezicht zag en haar vreugde de vrije loop liet. Eigenlijk was dit wel zo leuk, want wat een verrassing had moeten zijn ontpopte zich nu als wekenlange voorpret en de zekerheid dat deze vakantie bij voorbaat onvergetelijk zou zijn,

Interessant aan dit hele verhaal - behalve de timing en het toeval - is het feit dat dit laat zien dat je oorzaak en gevolg soms met de grootste vanzelfsprekendheid om kunt draaien. Mijn vrouw had het gevoel dat ze naar een concert ging van een van haar favoriete zangers, terwijl ik zijn naam alleen maar was tegengekomen op basis van zijn tourschema (precies hetzelfde geldt overigens voor Florian Künstler, maar daarover een andere keer meer). Het is soms dus maar net wat je krijgt voorgeschoteld of waar je toevallig op stuit. 

Het werd een onvergetelijke avond, al was het alleen maar in het besef dat wij hoogstwaarschijnlijk de enige Nederlanders in het theater waren. Capéo bleek een sympathieke uitstraling te hebben en liep een paar keer al zingend door de zaal om de afstand tot zijn fans nog verder te verkleinen. Helaas speelde hij het prachtige 'Mon Pays' niet, maar wel een afgewogen dwarsdoorsnede van zijn oeuvre, waarbij hij afwisselend met een voltallige band speelde of zichzelf begeleidde achter de piano. 

Het grappige is dat mijn vrouw inmiddels zo vaak mee is geweest naar jazzconcerten dat ze haar wenkbrauwen optrok bij de trompettist die hij als gast had uitgenodigd en ik zelf bijna hoofdschuddend naar de drumsolo luisterde. Het pleit echter juist voor Capéo - ooit winnaar van de Franse editie van The Voice - dat hij een vriendengroep om zich heen heeft verzameld die hij niet meteen heeft ingeruild voor meer virtuoze musici nu hij écht beroemd is in eigen land en inmiddels ook twee trouwe fans heeft in óns land voor wie dit zeker niet het laatste concert was.


maandag 15 april 2024

Ja, wanneer ben je nu eigenlijk precies een 'Nederlander'?

Laten we voorop stellen dat Johan Derksen een botterik is die af en toe, al dan niet met het oog op de kijkcijfers, foute opmerkingen en slechte grappen maakt. En verder geldt wat mij betreft dat wanneer iemand klinkt als een Vlaming - denk aan Europoliticus Assita Kanko - het ook een Vlaming is, zelfs al stond haar wieg in Burkina Faso. Toch is het een interessante vraag welke factoren nou precies je nationaliteit en je identiteit bepalen.

Natuurlijk is het makkelijk om de discussie meteen te smoren door Johan Derksen een 'racist' te noemen. Misschien is hij dat ook wel (en misschien bevindt zich in ieder mens wel de kiem van xenofobie en tribalisme), maar het kan geen kwaad om iets verder te kijken dan de ontstane ophef over zijn opmerking richting Kamerlid Habtamu de Hoop. Doet huidskleur er iets toe bij de vraag of iemand een echte Fries is? Of is het voldoende om die taal vloeiend te spreken en trots zijn op de provincie waarin je bent opgegroeid?

Om het directe antwoord daarop te omzeilen: ik ben geboren in Rotterdam, opgegroeid in Spijkenisse en woonachtig in Ridderkerk. Tegelijk zou ik mezelf nooit een 'Ridderkerker' noemen, net zoals ik mezelf geen 'Ámsterdammer' noemde toen ik daar tijdens mijn studie een tijdje woonde. In het dagelijks leven speelt die kwestie geen enkele rol, maar als je het me rechtstreeks vraagt zou ik mezelf eerder een Rotterdammer noemen die naar Ridderkerk is verhuisd. Tegelijk ben ik daarnaast natuurlijk ook nog een Nederlander, een Europeaan en een westerling (zowel regionaal als internationaal).

Eigenlijk geef je daarmee al aan hoe ingewikkeld en interessant deze materie is, zeker als je - zoals ik - een Duitse naam hebt die helemaal terug gaat tot de in 1721 geboren Gerd Heinrich Hormann. Het zou belachelijk zijn om mij een Duitser te noemen, of zelfs een nazaat van Duitse immigranten, maar het was ook weer niet heel verwonderlijk dat een thrillerwinkel in Amsterdam mijn debuut ooit op de plank zette met vertaalde thrillers en het was zéker niet iets om boos over te worden. Maar zelf hebben we onze beide kinderen bewust een internationaal klinkende voornaam gegeven die ook in het Engels makkelijk uit te spreken is.

Als het over identiteit gaat, haal ik vaak het volgende voorbeeld aan: ooit zag ik tijdens een buitenlandse vakantie een auto rijden met een Nederlands kenteken waarin vijf Afrikanen zaten. Vraag is wat dan je eerste reflex is: zie je dan vijf landgenoten voorbij komen of zijn het in de eerste plaats vijf mensen uit Afrika die zich in een Nederlandse auto verplaatsen? Op dezelfde manier is het logischer en vanzelfsprekender om iemand uit Suriname te beschouwen als Nederlander dan iemand die pas een maand geleden uit Somalië is aangekomen en de taal nog niet eens spreekt, wat al aangeeft dat huidskleur nooit het enige criterium is.

Je kunt Johan Derksen dus de ene dag een 'patiënt' noemden en de volgende dag een 'racist', maar ik vind het altijd erg leerzaam en interessant om de zaken om te draaien. Want stel nou dat mijn vrouw en ik dertig jaar geleden naar Tokio waren verhuisd en daar kinderen hadden gekregen: zijn dat dan Japanners - en misschien zelfs Aziaten - of slechts inwoners van Tokio? Recentelijk sprak ik bij een jazzconcert een Japanner van mijn eigen leeftijd en ik kan me niet voorstellen dat ik hem daarbij trots foto's van mijn kleinkinderen had laten zien met de mededeling dat dat óók Japanners zijn zonder in lachen uit te barsten.

Toevallig vertelde een vriend me gisteren over de ervaringen van zijn dochter die net terug is uit Japan en daar door iedereen werd aangestaard. Overal waar ze kwam wilden mensen met haar op de foto en raakten ze haar ongevraagd aan, soms vanwege haar lengte, dan weer vanwege haar huidskleur of haar haar. Omgekeerd zou dat meteen als 'racistisch' worden bestempeld, terwijl het voor haar alleen maar ongemakkelijk was en raar. Het geeft in elk geval al aan dat je daar als westerling nooit op kunt gaan in de massa en misschien ook nooit een echte Japanner zult worden.

Een theater in Almelo dat een gezelschap boekt dat oorspronkelijke Afrikaanse muziek maakt, zou ook raar opkijken als zich vervolgens tien blanke mannen bij de artiesteningang melden die in een Afrikaans land geboren zijn. Er bestaan wel blanke Zuid-Afrikanen, maar die worden nog steeds beschouwd als indringers en kolonisten, zelfs al wonen hun voorouders er misschien al sinds 1650. Zijn er ooit wel eens blanke Japanners of blanke Afrikanen in het nieuws of is dat op voorhand eigenlijk al een beetje een ongemakkelijke, onbedoeld komische constructie?

Je kunt dit onderwerp dus alleen vanuit westers perspectief bekijken of door een roze bril, maar dan ga je voorbij aan het feit dat de werkelijkheid ook hier weer een stuk weerbarstiger is dan je wellicht zou willen. Want wat gebeurt er wanneer je de wenselijkheid voorbij bent en het niet langer draait om politieke correctheid en sociale gevoeligheden? Wat zijn de harde criteria als de maatschappij tot op het bot verdeeld is in 'wij' en 'zij' en het opeens weer gaat over leven en dood? 

Een van de sterkste rollen in de dystopische film Civil War (net in de bioscoop) is die van de hierboven afgebeelde Jesse Plemons die aan de rand van een vers gedolven massagraf vraagt 'wat voor Amerikanen' hij nou precies voor zich heeft. Het foute antwoord kan je niet alleen je kop kosten maar wordt ook simpelweg weer bepaald door je afkomst of je land van herkomst. Je kunt best een terechte afkeer hebben van nationalisme en van groepsdenken, maar deze grimmige en naargeestige film zet je aan het denken en laat je ook even iets verder kijken dan het meest voor de hand liggende wenselijke antwoord.