Zoeken

vrijdag 18 maart 2016

Is het hiernamaals een Chinese havenstad?

Ik weet niet of alleen schrijvers dat doen (en ook niet eens of álle schrijvers dat doen), maar ik ben altijd op zoek naar symboliek in het dagelijks leven. Soms gebeuren er dingen die zo toevallig zijn en zo veelbetekenend dat je het bijna niet kunt toeschrijven aan een speling van het lot. In mijn boeken noem ik daar een paar heel frappante voorbeelden van, maar het zit soms ook in schijnbaar alledaagse dingen. Zo kwam ik op zaterdag thuis uit de bibliotheek met een stapel dvd's en boeken die ineens met heel andere ogen bekeek, toen het verpleeghuis belde met de mededeling dat de gezondheid van mijn hoogbejaarde schoonmoeder snel achteruit gaat.


Laat ik ik echter beginnen met de categorie stom toeval. De films die ik bekijk, kies ik elke week lukraak uit. Soms zijn het reserveringen die al weken open staan, soms zijn het films die net uit zijn. Er zit geen enkele lijn in en geen patroon, want het kan net zo goed een Scandinavische krimi zijn als een Franse filmhuisfilm. Zo kwam ik zaterdag thuis met onder meer deze twee titels: een kleine Britse film en een flashy Amerikaanse serie. In Still Life speelt de tamelijk onbekende acteur Eddie Marsan de hoofdrol en daarmee maakte hij op mij zoveel indruk dat ik verbaasd opveerde toen ik hem pal daarna op zag duiken als de broer van Ray Donovan in de gelijknamige serie.

Dat gebeurt vaker en is niet meer dan grappig, maar daarmee begint het pas. In Still Life draait alles om de dood. Marsan speelt een verlegen, eenzame ambtenaar die zich bekommert om overledenen in zijn stadsdeel die op kosten van de gemeente moeten worden begraven omdat ze geen familie hebben of daar al jaren geen contact meer mee hebben. Het is een kleine film over een bescheiden man, maar de laatste paar minuten maken een even verpletterende als onvergetelijke indruk. Het is inderdaad een film als een stilleven, maar de titel suggereert tevens dat je daden niet ongezien blijven en dat het leven na de dood op de een of andere manier doorgaat.

In hetzelfde weekend las ik Playground van Lars Kepler in één ruk uit. Dat is op zich al het vermelden waard, want het schrijversechtpaar slaat hier zo'n radicaal andere richting in dat je het bijna kunt beschouwen als een vorm van literaire zelfmoord. Zelf ben ik blij dat ik heb doorgezet, want ondanks een paar in het oog springende overeenkomsten met de film Flatliners en de trilogie The Hunger Games is het een heel origineel en fascinerend boek. Het verhaal speelt zich voor het grootste gedeelte af in het schemergebied na de dood waar je ziel soms nog even rond blijft hangen, terwijl je lichaam op aarde wordt gereanimeerd en de artsen voor je leven vechten.

In het boek van Kepler ziet het hiernamaals eruit als een Chinese havenstad met papieren lampionnen en een hemel die dag en nacht dezelfde zwartgrijze kleur heeft. Na lezing kun je dat beeld niet makkelijk meer loslaten, ook al omdat de metafoor zo sterk is: het is op die plek dat we inschepen voor onze allerlaatste reis. Dus toen ik een paar dagen later een telefoontje kreeg van het verpleeghuis met de mededeling dat het niet goed ging met mijn 97-jarige schoonmoeder, was dat mijn eerste associatie. Zelfs nu, bijna een week nadat ik het boek heb dichtgeklapt, kan ik die gedachte niet helemaal loslaten: dat ze straks niet alleen heengaat maar dat ze ook nog eens dáárheen gaat.


Mijn vrouw wijkt niet van haar zijde en waakt naast haar bed, waar sinds een paar dagen ook een opklapbed staat. Ik ga er met enige regelmaat heen, want we hebben nog een thuiswonende zoon van vijftien die elke dag naar school moet. Meestal neem ik dan de kranten mee voor mijn vrouw zodat ze iets te lezen heeft en een boek voor mezelf. Zo arriveerde ik woensdagavond met Offerlam van Chanette Paul, een dikke pil van 500 pagina's die ik op de gok had meegenomen van de stapel pas verschenen titels. Paul is een Zuid-Afrikaanse auteur, dus ik hoopte op iets wat in de buurt zou komen van de boeken van mijn grote favoriet Deon Meyer.

Ik was nog maar net begonnen met lezen toen ik op bovenstaande passage stuitte, waarin een vrouw in Zuid-Afrika vanuit België een verontrustend telefoontje krijgt. Zo zat ik naast het bed van een stervende vrouw van 97 ineens een verhaal te lezen over een stervende vrouw van 98, alsof alles uiteindelijk niet meer is dan een raamvertelling van een alwetende auteur. Als kunst (en daar vallen bij mij dus ook films en boeken onder) al geen troost biedt door zijn schoonheid en diepgang, dan is het wel door dit soort kleine momentjes van magie waardoor alles een symbolische betekenis krijgt die je als mens met ontzag vervult.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen