Zoeken

woensdag 22 mei 2019

Hoeveel is er na drie jaar nog over van mijn bij elkaar gespaarde vroegpensioen?

Drie jaar geleden, in de maand waarin ik 55 werd, besloot ik met vroegpensioen te gaan. Om dat voor elkaar te krijgen had ik een spaarpotje van 60.000 euro aangelegd, precies genoeg om mezelf vijf jaar lang een soort 'basisinkomen' uit te kunnen keren van 1000 euro netto per maand. Grote vraag is natuurlijk hoeveel er op dit moment van dat bedrag over is. Zit er nog precies 24.000 euro in die spaarpot? En, veel belangrijker: hoe ga ik in vredesnaam het pensioengat overbruggen tussen mijn zestigste en mijn vermoedelijke AOW-datum op 68-jarige leeftijd?


Afgelopen weekend stond er in het AD een interessant interview met een 29-jarige financieel adviseur die plannen aan het smeden is voor een vroegpensioen op zijn vijftigste (of waarschijnlijk al veel eerder). Natuurlijk moeten we nog zien of het hem daadwerkelijk gaat lukken, maar hij is er alvast mee bezig en lijkt op de goede weg. Op die leeftijd was ik nog maar nét begonnen met werken en dacht ik geen seconde aan stoppen. Had ik dat wel gedaan, dan zou ik heel andere stappen hebben gezet.

De ommekeer kwam in mijn geval pas toen de kredietcrisis uitbrak en er op mijn nachtkastje twee wekkers tegelijk afhingen. Vanaf dat moment ben ik fanatiek gaan sparen en aflossen met als gevolg dat ik bijna hypotheekvrij ben en strikt genomen niet meer hoef te werken sinds mijn 55ste. Voor dat doel had ik een spaarpotje aangelegd van 60.000 euro, precies genoeg om mezelf vijf jaar lang 1000 euro per maand uit te keren. Aangevuld met het inkomen afkomstig uit de deeltijdbaan van mijn vrouw, lag het gezinsinkomen daarmee op precies 2000 netto per maand.

Op deze wijze wist ik op 1 mei 2016 dat ik me de komende vijf jaar geen zorgen hoefde te maken over onbetaalde rekeningen. Daar kwam bij dat het oudste stukje hypotheek in 2017 zou aflopen en het laatste stukje op 1 maart 2020. Daarmee zouden we op termijn nog eens ruim 600 euro aan koopkracht winnen, zonder dat we daar verder iets voor hoefden te doen of te laten. Dat besef gaf rust, nog los van de wetenschap dat ik voorlopig verzekerd was van een inkomen. Eigenlijk betaalde ik mijn eigen bijstand, met dat verschil dat ik nooit meer hoefde te solliciteren.

Nu kun je met een basisinkomen op zak inderdaad helemaal niets gaan zitten doen, maar de verwachting van voorstanders van een dergelijk systeem is dat mensen spelenderwijs geld gaan verdienen doordat ze zich zorgeloos kunnen focussen op die dingen die ze graag doen en waar ze goed in zijn. Zo ben ik gewoon doorgegaan met schrijven, waardoor het spaarpotje tussendoor weer kon worden bijgevuld met royalty's en inkomsten uit columns en lezingen. Dat werkt zelfs op bijna magische wijze, want in de spaarpot zit na drie jaar nog steeds meer dan het beginbedrag.


Die spreekwoordelijke hoorn des overvloeds - zeg maar een fles wijn waaruit je kunt blijven bijschenken - dankt zijn bestaan aan nog een ánder aspect dat belangrijk is in de discussie over de voors en tegens van een basisinkomen. Zo is mijn vrouw één dag per week meer gaan werken, waardoor het gezinsinkomen dusdanig is gestegen dat mijn maandelijkse bijdrage deels, en soms zelfs in zijn geheel kan terugvloeien in de kas. Dat is geen vals spelen, maar resultaat van de nieuwe dynamiek die als vanzelf is ontstaan.

Hooguit kun je nog even kibbelen over de vraag (wat ik in Leven van de lucht zelf ook al aangeef) of ik nu een vroeggepensioneerde ben met een bijna afgelost huis of een huisman. Hoe dan ook: over twee jaar zit er waarschijnlijk nog steeds 60.000 euro in dat spaarpotje waarmee het allemaal begon en kan ik opnieuw vijf jaar lang duizend euro per maand tegemoet zien zonder er iets voor te hoeven doen. In die zin is mijn piepkleine privé-experiment met een basisinkomen in dubbel opzicht geslaagd te noemen.

(En je vrouw dan? Moet die verplicht drie dagen per week blijven doorwerken tot haar AOW-datum zodat jij wortel kunt schieten in de achtertuin en mooi weer kunt spelen op sociale media? Dat is een terechte vraag waar ik in mijn eerstvolgende blog uitgebreid op terug zal komen. Want natuurlijk hebben we ook nog een Plan B en - mocht er ergens onderweg een kink in de kabel komen - een Plan B voor ons Plan B). 

donderdag 16 mei 2019

Iedereen vraagt waarheen je op vakantie gaat, maar nooit eens waaróm

Eind april waren we twee weken op vakantie in de Elzas. Op zich opmerkelijk, want in mijn boeken benadruk ik telkens dat ik thuis óók al geniet van een permanent vakantiegevoel. Maar net zoals een vroegpensioen niet synoniem is aan een Berufsverbot, zo hoef je je paspoort natuurlijk niet in te leveren als je thuis een luie stoel hebt staan aan de waterkant. Je kunt immers ook op vakantie gaan, omdat je in Frankrijk eindelijk eens kunt fietsen zonder ook maar iemand tegen te komen.


De hierboven afgedrukte foto is een beetje een instinker, omdat hij ten onrechte de indruk wekt dat hij ergens op een camping is gemaakt tijdens een zonnige vakantie. In werkelijkheid heb ik er nog geen dertig meter voor hoeven reizen, want die luie stoel staat in  mijn eigen achtertuin. De foto is ook nog eens gemaakt op een doodgewone doordeweekse dag in mei waarop de meeste mensen aan het werk waren, namelijk afgelopen woensdag.

Heel vaak vraag ik me af - hardop of in gedachten - waarom ik in vredesnaam mijn koffers zou pakken en een lange reis zou ondernemen om heel ergens anders op net zo'n luie stoel neer te ploffen. Op geen enkele camping zit ik zo rustig als thuis, nog los van het feit dat ik hier automatisch ook maar maximaal dertig meter hoef te lopen voor een kop koffie of een ijskoude ginger ale. Zo bekeken levert vakantie bij voorbaat meer gedoe op dan thuisblijven.


Toch vertrokken we - zoals ik vorige keer al schreef - eind april voor twee weken richting de Elzas om daar te logeren in dezelfde eeuwenoude boerderij waar we al meer dan dertig jaar komen. De heen- en terugreis kunnen me gestolen worden, maar daar staat tegenover dat ik de tussenliggende dagen niet één meter achter de het stuur van een auto heb gezeten. In plaats daarvan hebben we vijf lange, onvergetelijke MTB-tochten gemaakt door het berglandschap rondom de boerderij.

Dat is op zich al een onvergetelijke ervaring, want op veel van die tochten kom je onderweg niemand tegen. In Nederland klaagt iedereen over overvolle fietspaden en polderwegen (hoewel dat doordeweeks reuze meevalt is mijn ervaring), maar daar heb je nog écht rust en ruimte in overvloed. Ik heb dan ook intens genoten van die vijf tochten en ontelbaar veel 'mentale' foto's gemaakt van het uitzicht. Tussendoor zat ik lekker onderuitgezakt te lezen op een luie stoel en leek het soms bijna wel of ik thuis was.


Mijn ouders huren diezelfde boerderij op de bergtop elke paas- of meivakantie sinds het begin van de jaren tachtig, dus het voelt sowieso een beetje als een tweede thuis (of een tweede huis waar je verder geen omkijken naar hebt). Ik kwam er al voordat ik ging werken en vierde op deze plek drie jaar terug ook de start van mijn vroegpensioen. Volgende keer zal ik uit de doeken doen hoe het er met mijn spaarpotje voorstaat en of er soms al donkere wolken zijn gesignaleerd die mijn 'leven van de lucht' bedreigen. Voor nu volstaat de vaststelling dat ik er al meer dan dertig jaar kom, maar dat ik nu pas voor het eerst een intens vakantiegevoel had.

Natuurlijk heb ik daar wel meer mooie fietstochten gemaakt en heerlijk in het zonnetje zitten lezen, maar voor het eerst in mijn leven had ik het gevoel dat ik helemaal in het nu leefde, hoe zweverig en modieus dat misschien ook klinkt. Twee weken lang was ik niet bezig met mijn werk of met de angst mijn werk kwijt te raken, ik dacht ook niet aan de einddatum van de hypotheek of de volgende aflossing en was in mijn hoofd ook niet met een boek bezig of stiekem plannen aan het smeden voor een nieuw boek. De belangrijkste voorwaarde voor een geslaagd leven van de lucht, is dus geen goedgevuld spaarpotje maar een leeg hoofd.

woensdag 8 mei 2019

Stef Bos schreef de perfecte soundtrack voor een leven van de lucht

Onlangs informeerde mijn oudste zoon wat ik eigenlijk vind van de zanger Stef Bos. Ik antwoordde dat ik niet alleen een stuk of tien cd's van hem in de kast heb staan, maar dat ik hem in 2010 ook een keer uitgebreid heb geïnterviewd voor het blad AktueelMAN. Toen mijn zoon grijnzend vroeg of ik dan soms ook het album Kern kende, was mijn nieuwsgierigheid gewekt. Terecht, zo bleek, want bij het horen van de tweede zin van de titelsong barstte ik in schaterlachen uit.


Het toeval wil dat hij met zijn vraag op de proppen kwam, terwijl we net onze koffers aan het pakken waren voor een verblijf van veertien dagen in een oude boerderij in de Elzas, wat mij betreft een van de mooiste streken van Frankrijk. Lezers van het boek Leven van de lucht weten dat dáár, precies op die plek, mijn vijf jaar durende experiment begon met een soort van zelfgefinancierd basisinkomen. De bedoeling was om vanaf 1 mei 2016, in de maand waarin ik 55 zou worden, te gaan leven van mijn spaargeld.

Doordat ik mezelf elke maand 1000 euro uitkeerde uit een speciaal voor dat doel aangelegd spaarpotje, zou ik het gevoel hebben dat ik kon leven van de wind. Omdat dat niet zo lekker allitereert koos ik voor een iets andere boektitel, met als gevolg dat deze specifieke zinsnede net zo onlosmakelijk met mijn leven verbonden is als het concept van een omgekeerde werkweek of het plakbandpensioen. Wie het als zoekterm intikt bij google, komt dan ook automatisch terecht bij bol.com of recensies van mijn boek.


Dat uitgerekend Stef Bos er in een van zijn nummers naar verwijst, is meer dan een grappig toeval. Toen ik hem interviewde voor het oktobernummer van AktueelMAN in 2010, vroeg hij mij op zijn beurt waarom ik eigenlijk journalist was geworden. Voordat ik erg erg in had, floepte ik eruit: 'Ik wil woorden laten dansen'. Een paar dagen later diende zich ineens een tweede zinnetje aan en had ik zomaar het begin van een liedje: 'Ik wil woorden laten dansen om mijn zinnen te verzetten'.

In de maanden die volgden schreef ik nog een paar van dat soort probeersels ('Waar is de dichter die de liefde uit kan leggen, die zegt dat ik van je hou zonder dat ook echt te zeggen'), waaronder een liedje over mijn - en zijn - generatie. Via zijn management stuurde ik een paar voorbeelden naar Stef Bos, waarvoor hij me vriendelijk bedankte zonder erbij te zeggen - en dat was eigenlijk nog veel vriendelijker van hem - dat hij het natuurlijk zelf veel beter kon.


In die periode - en we hebben het over twee jaar na het verschijnen van mijn laatste thriller en twee jaar vóór het verschijnen van Hypotheekvrij! - heb ik serieus met het idee gespeeld om naast mijn werk als journalist liedjes te gaan schrijven. Dat plan stierf een stille dood toen ik in contact kwam met mijn huidige uitgever, maar ik had er veel lol in en ik heb er een eeuwigdurende bewondering aan overgehouden voor Stef Bos (hoewel ik dus ook nog aardig wat van zijn platen bleek te missen in mijn collectie).

Of hij - omgekeerd - mijn boek(en) heeft gelezen, weet ik niet. Het kan (en ik zou het meer dan vleiend vinden), maar het is net zo goed mogelijk dat hij zelf ook bedacht heeft dat 'leven van de lucht' gewoon stukken beter klinkt. Hoe dan ook, zijn album vormde een perfecte soundtrack voor de heenreis richting ons vakantie-adres in de Elzas waar ik een volgende keer nog eens uitgebreid op terug zal komen.

Want hoe staat er het inmiddels voor met mijn spaarpotje? Huppel ik luchtig door het leven of krijg ik het langzamerhand een beetje benauwd nu de bodem van de schatkist in zicht komt? Wat ben ik sowieso van plan als die vijf jaar voorbij zijn en ik mijn zestigste verjaardag vier in de wetenschap dat ik pas acht jaar later recht heb op AOW? En waarom ga ik eigenlijk nog op reis terwijl ik in mijn boeken steeds beweer dat ik 365 dagen per jaar een vakantiegevoel heb?

                                                                                                                                      Wordt vervolgd

vrijdag 19 april 2019

En wat vindt mevrouw Hormann nou eigenlijk van al dat aflossen?

Als ik ergens in het land een lezing geef, krijg ik na afloop steevast dezelfde vragen. Niet alleen willen mensen weten hoe mijn kinderen reageerden op het door ons genomen besluit om in 2008 radicaal te gaan aflossen, ook wordt altijd gevraagd hoe mijn vrouw nou eigenlijk precies aankijkt tegen de afgelopen tien jaar. Moet ze noodgedwongen op een houtje bijten en de folders van alle supermarkten uitspellen of speelt ze het spel spelenderwijs mee en gaat ze ook steeds luchtiger en lichter door het leven?


Het beste antwoord op deze vraag is natuurlijk: vraag het haar zelf. In een van mijn boeken schrijf ik nadrukkelijk dat ze geen buikspreekpop is, maar een vrouw met een eigen inkomen en een eigen mening. Zo was haar eerste reactie op mijn  plan om extra te gaan aflossen, dat we daar wat haar betreft al veel éérder mee hadden mogen beginnen. Het was alleen nooit ter tafel gekomen, omdat de financiële noodzaak ontbrak en er ook in economisch opzicht geen vuiltje aan de lucht was.

Dat veranderde in dubbel opzicht in oktober 2008, omdat de kredietcrisis gepaard ging met een crisis in de uitgeefbranche. Mensen hielden van de ene dag op de andere de hand op de portemonnee en mikten niet zomaar meer gedachteloos een paar tijdschriften in hun boodschappenmandje. Minder dan vier maanden na het losbarsten van de kredietcrisis, vond op mijn werk een ingrijpende reorganisatie plaats die ik maar ternauwernood overleefde.


Op dat moment wist ik dat ik mijn pensioen niet zou gaan halen in loondienst en had ik nog maar één doel. In Hypotheekvrij! schrijf ik dat niet met zoveel woorden (om de simpele reden dat ik toen nog bij dat bewuste bedrijf werkte), maar het streven was om het gehele aflossingsvrije deel van de hypotheek af te lossen voordat ook ik op straat zou komen te staan. Het aflossen van de hypotheek vraagt niet per definitie om snelheid of haast, maar in ons geval was het een dringende kwestie.

Dat betekende: voorlopig even geen nieuwe kleren kopen, niet uit eten, nooit meer op wintersport, kort op vakantie en nooit verder dan een halve dag rijden, geen overbodige spullen aanschaffen en ga zo maar door. In feite leefden we vier jaar lang van mijn salaris, terwijl we het inkomen van haar parttime baan gebruikten om af te lossen. Zo wisten we in vier jaar tijd 80.000 euro weg te werken, met als gevolg dat ik eind 2012 schouderophalend en in goed overleg afscheid nam van mijn oude werkgever.


Je kunt dus stellen dat mijn vrouw nut en noodzaak inzag van onze afloscampagne en net zo opgelucht was als ik toen de hypotheekschuld in korte tijd was gehalveerd. Daarna zijn we bijna spelenderwijs doorgegaan met sparen omdat we gewend waren geraakt aan een totaal ander uitgavenpatroon. De druk is echter van de ketel, want met aflossen kun je natuurlijk ook weer stoppen zodra je er klaar mee bent. Het gáát hier in huis nog maar zelden over dat onderwerp en het beheerst ons leven ook niet langer.

Alle vervolgstappen volgden daarna vanzelf, als een smal pad door een bergmassief dat eerst steil omhoog ging, maar dat daarna allerlei onverwachte vergezichten bood. Anders gezegd: we gingen door op de ingeslagen weg, maar hadden nu opeens alle tijd om rustig op een bankje van het uitzicht te genieten en genoeg financiële ruimte om onderweg regelmatig wat lekkers te kopen. Over een maand of tien hopen we uit te komen op een plateau, want dat zijn we eindelijk écht helemaal hypotheekvrij en begint er weer een geheel nieuw hoofdstuk waarvan zij nadrukkelijk mede-auteur is.

vrijdag 12 april 2019

Er is maar één manier om het klimaat te redden: minder consumeren.

Afgelopen week heb ik diverse interviews gelezen met bestsellerauteur David Wallace-Wells, schrijver van het boek De Onbewoonbare Aarde. Geen opbeurende titel en geen vrolijk boek, maar toch barstte ik bij het lezen van een van die artikelen heel ongepast in schaterlachen uit. Dit is namelijk precies het lot dat de mens verdient met zijn ongebreidelde consumptie, egoïsme, reislust en hebzucht. In zekere zin staan al die lange mensenrijen op Schiphol straks te wachten voor een enkele reis richting de hel. Maar ook Wallace-Wells zelf blijft gewoon lekker vliegen.


Nu niet meteen beginnen te krijsen over 'moral envy' of gaan zitten kakelen dat het klimaat altijd al heeft gefluctueerd en dat er ooit palmbomen op de Noordpool groeiden. Eerst even verder lezen en wachten tot ik mijn punt heb gemaakt. Focus je daarbij even op de titel van zijn  boek en bedenk dat ik vorig jaar 250 films in de bioscoop heb gezien. In twee van die films merkt een personage op 'dat we nog maar één generatie verwijderd zijn van een onleefbare aarde'.

Geloof ik dat? Wel, het kan ook nog een paar generaties langer duren, maar ik ben niet heel optimistisch. Het is ook lastig om over dit onderwerp te schrijven, zonder te vervallen in bijna Bijbelse boodschappen over hoogmoed, hebzucht, zelfzucht en pronkzucht. Maar nogmaals: hoe leg je onze achterkleinkinderen uit dat in dezelfde krant een paar dagen later een test stond van de Audi Q8? Nee, dat is geen afgunst, maar afgrijzen.


Boven dit blog staat iets over het redden van 'het klimaat' en dat is een zinsnede waar mensen meteen al over zouden kunnen vallen. We hoeven ons niet te bekommeren over de aarde of het klimaat, maar slechts over de leefbaarheid van de planeet. Mocht de mensheid uitsterven - of gedecimeerd worden - dan komt er vanzelf ruimte voor andere soorten, die beter zijn opgewassen tegen hitte en droogte. In zekere zin zijn wij zelf ook maar het toevallige uitvloeisel van een vorige klimaatramp (al werd die veroorzaakt door een komeetinslag).

Klimaatontkenners willen niks weten over opwarming van de aarde, omdat het een linkse hobby zou zijn of een hoax. Het kan zijn dat ze dat echt geloven, maar het kan ook dat ze gewoon graag 130 willen blijven rijden op de snelweg en gehecht zijn aan hun huidige levensstijl. Dat snap ik. Lastiger te begrijpen vind ik de stellingname van Wallace-Wells die oprecht meent dat de oplossing van bovenaf moet komen. Weliswaar vindt hij het 'prijzenswaardig' als je probeert je ecologische voetafdruk te verkleinen, maar op wereldschaal zet het weinig zoden aan de dijk.


Dat laatste is helaas waar. Zelfs al Nederland met ingang van volgende week helemaal geen CO2 meer zou uitstoten, maakt dat weinig uit voor de toekomstige leefbaarheid van de planeet. Het is echter een tragisch misverstand dat beleid van bovenaf moet komen. Vergeet niet dat ik zelf al tien (!) jaar extra aan het aflossen was, toen de banken eindelijk eens met hun aflossingsblij-campagne kwamen. Mijn voorbeeld werkt aanstekelijk, want ik krijg elke week mailtjes van mensen die óók fanatiek aan het aflossen zijn geslagen en soms al op hun 35ste minder kunnen gaan werken.

Mensen als Wallace-Wells (en datzelfde geldt voor die hele generatie uit de kop bij het interview) mag je er gerust van verdenken dat ze niet graag afstand willen doen van hun citytrips, hun wereldreisjes en hun luxe. Hoe je dat ideologisch ook verpakt, zelf vind ik het lastig te rijmen met oprechte bezorgdheid over de problemen waar we op afstevenen. Het gaat er ook niet per se om of het ook maar iets uithaalt, het gaat erom of je jezelf in de spiegel kunt blijven aankijken. En een bevredigend antwoord kunt geven op kritische vragen van je kleinkinderen.

Wallace-Wells moet uitkijken dat hij niet een vegetariër wordt die toch maar weer een stuk vlees in zijn karretje gooit omdat dat beest in de vitrine toch al dood is. Zodra genoeg mensen uit principe stoppen met vliegvakanties, gaan andere mensen zich vanzelf ongemakkelijk voelen als ze weer een goedkoop reisje boeken en krijgen steeds meer mensen last van 'vliegschaamte'. Zo zet je vanzelf iets in werking en breng je ook de benodigde offers. Wie écht het klimaat wil redden, moet niet gaan zitten wachten tot er op een dag klimaatneutrale vliegtuigen van de lopende band komen rollen, maar moet vandaag nog kiezen voor (veel) minder consumptie en minder mobiliteit.

vrijdag 5 april 2019

Carrière maken is eigenlijk maar een dwaas en verouderd concept

Afgelopen weekend stond er een interessant dubbelinterview in De Volkskrant dat nog veel interessanter zou zijn geweest wanneer ze Heleen Mees zouden hebben laten sparren met mij in plaats van met mede-feministe Asha Ten Broeke. Hoewel de dames het op deelterreinen met elkaar oneens zijn, valt er op hun gedeelde levensfilosofie nog wel het een en ander af te dingen. Want waarom zouden mensen (M/V) überhaupt carrière willen maken? En waarom werkt niet gewoon iederéén (M/V) lekker in deeltijd?


Zo blijft het wringen dat Heleen Mees allerlei ferme uitspraken doet over het verdelen van zorgtaken, terwijl ze zelf geen kinderen heeft en geen partner. Dat hoeft geen beletsel te vormen voor een gezonde, afgewogen stellingname, maar ik ga ook niet vanachter de keukentafel zitten commanderen hoe de inuit precies vissen moeten vangen. Je weet als vrouw pas hoe het is om kinderen te hebben, en wat dat geestelijk en hormonaal allemaal met je doet, zodra het zover is.

Zo was mijn eigen echtgenote voornemens om na de geboorte van onze oudste zoon in 1991 voortaan 2,5 dag per week te gaan werken in het basisonderwijs in plaats van fulltime. In de praktijk bleek dat haar tegen te vallen, zodat ze uiteindelijk jarenlang alleen op maandag heeft gewerkt en op woensdagmorgen. In de visie van Heleen Mees heeft zij zich op deze manier 'opgeofferd voor mijn carrière', terwijl ik haar omgekeerd juist de vrije hand gaf om zo veel of zo weinig te werken als ze zelf wilde of aankon.


Voor een vrouw is een zwangerschap oneindig veel ingrijpender dan voor een man, net zoals een meisjeslichaam in de puberteit ook veel radicaler verandert dan dat van een jongen. Dat heeft allemaal gevolgen die je niet zomaar kunt wegwuiven met de gemakzuchtige dooddoener dat mannen net zo geschikt zijn om zorgtaken te verrichten als vrouwen. Nogmaals: mijn vrouw had haar baby geen vijf dagen achtereen kunnen missen, terwijl ik na een weekje verlof weer fluitend en zonder centje pijn naar mijn werk ging.

Weliswaar besefte ik opeens dat ik - als vader en hoofdkostwinner - niet langer het centrum van de wereld was, maar hormonaal was er niks gebeurd in mijn lichaam, of in elk geval niks noemenswaardigs. Uiteindelijk zou mijn vrouw meer dan twintig jaar lang 1,5 dag per week blijven werken. Daarmee was ze met de hakken over de sloot 'financieel zelfstandig', maar wel vergooide zij op deze wijze voorgoed haar carrièrekansen.


De grap is dat zij haar werk nog altijd leuk en bevredigend vindt, maar helemaal geen carrière wilde maken, net zoals ik bijna dertig jaar lang met veel plezier verslaggever ben geweest zonder dat ik eindredacteur of hoofdredacteur wilde worden. Bij heel veel banen is het niet eens mogelijk om hogerop te komen en heel veel mensen hebben ook helemaal niet die ambitie. Ik wilde boeken schrijven (een heb dat ook heel lang gedaan in de avonduren), maar ik ben anderszins nooit op weg geweest naar de top.

Haal je die factor weg uit de redenering van Heleen Mees, dan stort haar wat starre wereldbeeld als een kaartenhuis in elkaar. Een machtsstrijd tussen mannen en vrouwen? Misschien in de serie The Handmaid's Tale of in hartje New York, maar niet in huize Hormann waar we de taken heel vredig hebben verdeeld en de rollen inmiddels hebben omgedraaid. Nu mijn jongste zoon volwassen is, werkt mijn vrouw inderdaad die geplande 2,5 dag per week, terwijl ik min of meer met vroegpensioen ben en steeds meer huishoudelijke taken op me neem.

Zo leiden we allebei een tevreden, overzichtelijk en stressloos bestaan zonder het knagende gevoel dat we niet toekomen aan de dingen die het leven écht de moeite waard maken. Voor Mees is carrière maken bijna een soort fetisj, terwijl je betaald werk ook nuchter kunt bekijken als een manier om alle rekeningen te kunnen betalen. Los daarvan zou het heel feministisch Nederland plezier moeten doen dat mijn vrouw en ik op deze manier, op een paar tientjes na, exáct even veel aanvullend pensioen opbouwen zodat er ook op dat vlak geen sprake is van ook maar enige ongelijkheid.

vrijdag 29 maart 2019

Het geluk is vaak ver te zoeken in een van de gelukkigste landen ter wereld

Een paar dagen geleden zag ik de fascinerende documentaire 'En nu verandert er langzaam iets' in de bioscoop. Op een doordeweekse dag, na eerst vijftig kilometer te hebben gefietst en een half uur op een bankje te hebben gezeten met een ijsje. Dat was een ideaal voorprogramma, omdat een dergelijke levensstijl volstrekt haaks staat op het eindeloze getob met coaches en rollenspelen dat je in deze film krijgt voorgeschoteld. 


Het mooie van deze documentaire (die waarschijnlijk binnenkort al een keer op de buis te zien zal zijn bij KRO/NCRV) is dat regisseur Menna Laura Meijer alle interventies, sessies, praatgroepen en groepsgesprekken klinisch in beeld brengt, zonder te duiden of te oordelen. Het is aan de kijker om er al dan niet iets van te vinden, al zal het haar waarschijnlijk niet verbazen dat de beelden in de bioscoop soms tot enig gegniffel leiden.

Grote vraag is natuurlijk hoe het kan dat zoveel mensen in deze maatschappij vastlopen, vertwijfeld raken en vol opgekropt verdriet blijken te zitten. Het coachen van werknemers kun je dan nog wel plaatsen - zeker als ze zich bezig houden met sales en klantencontact - en datzelfde geldt voor agressietraining voor handhavers. Opvallender is dat steeds meer mensen een uitgestoken hand zoeken als het gaat om werk, liefde en ouderschap.


Ergens middenin de documentaire spreekt een van de coaches het verlossende woord. De ontkerkelijking en de ontzuiling hebben ons weliswaar uit een keurslijf bevrijd, maar ons tegelijk ontheemd en verweesd achtergelaten. Zonder het gevoel ergens bij te horen, zonder de troostende aanwezigheid en geborgenheid van een grotere groep of een liefhebbende God, gedragen we ons als bange, onzekere kinderen vol levensvragen en existentiële angst.

Daar kun je hele boeken over volschrijven - en daar zíjn al hele boekwerken aan gewijd - maar nog niemand heeft een pasklare oplossing uit de hoge hoed getoverd. Dat gevoel blijft ook over na het zien van deze film: je kunt met varkens knuffelen tot je er zelf bij in slaap valt, maar van binnen blijft het knagen en het maakt ook geen einde aan de keuzestress, de faalangst en die voortdurend op de loer liggende uitputting. Steeds meer mensen voelen zich overvraagd en overspannen en dreigen overboord te vallen.


Zelf heb ik daar natuurlijk ook geen kant en klaar antwoord op, behalve de nogal voor de hand liggende vaststelling dat je in elk geval geen last hebt van werkstress wanneer je niet meer werkt (of alleen maar dingen doet die je heel erg leuk vindt en die je energie bezorgen). Sinds ik niet meer in loondienst ben en bijna mijn hele hypotheek heb afgelost slaap ik elke nacht als een roos en is het risico op een burn-out gereduceerd tot nul. Als 'aflosgoeroe' heb je zelf natuurlijk ook geen enkele behoefte meer aan coaches, hulpverleners, psychologen of zelfhulpboeken.

Toevallig kreeg ik deze week een mail van enthousiaste lezers die 'aflossing' omschreven als een vorm van 'verlossing'. Je bevrijdt jezelf niet alleen uit de greep van de bank (en verlost je van je schulden), maar je maakt gaandeweg ook een bijna spirituele ontwikkeling door. Wat begint met een administratieve handeling is vaak de aanzet tot een veel ingrijpender verandering in je gedrag en je kijk op het leven. Maar daarover volgende week waarschijnlijk meer als ik in de bioscoop gekeken heb naar een andere interessante documentaire waar ik erg naar uitkijk.