Zoeken

maandag 24 april 2017

8 bioscoopfilms in 3 weken tijd

Toen ik eind december een Cinevillepas bestelde voor 19 euro per maand, had ik geen idee hoe dat zou gaan uitpakken. Ik wist dat ik er minstens drie maanden aan vast zat, maar ik had er geen rekening mee gehouden dat ik al snel niet meer zonder zou kunnen. De eerste drie weken van april zag ik zelfs zoveel films dat ik me bijna af begin te vragen hoe ik vroeger eigenlijk mijn vrije tijd doorbracht. Als ik in dit tempo doorga, staat de teller na 365 dagen op meer dan 100 films en ben ik in één jaar vaker in de bioscoop geweest dan in alle voorgaande jaren bij elkaar opgeteld. Het grappige is dat die bioscoopverslaving niet alleen mijn kijkgedrag heeft veranderd en mijn kijk op de wereld, maar ook mijn leesgedrag 


De laatste film die ik zag (maar zeker niet de láátste) was 20-th Century Women. Eerlijk gezegd twijfelde ik er een beetje aan of ik die aan mijn lijstje zou toevoegen want op de Internet Movie Database kreeg hij van verschillende recensenten het rapportcijfer 2. Er zou geen verhaal in zitten en het zou allemaal veel te langdradig en eentonig zijn. Daar stond tegenover dat hij in de Volkskrant vier sterren kreeg en ook elders goed werd besproken. Het feit dat de film zich in 1979 afspeelt sprak me op voorhand wel aan, net als de wetenschap dat de vrouwelijke hoofdpersoon net zo oud is als ik en een zoon heeft van ongeveer dezelfde leeftijd als onze jongste.

Dus ging ik eerst op woensdag naar Their Finest (drie sterren) en op donderdag naar Get Out (ook drie sterren) voordat ik op vrijdag als derde keus een kaartje "kocht" voor 20-th Century Women en compleet van mijn stoel geblazen werd. Dat gebeurt natuurlijk vooral bij films waar je het minst van verwacht, maar wat mij betreft klopte in dit geval alles: het acteerwerk, het decor, de muziek, de psychologie. Niet alleen vind ik hem de volle 5 sterren waard, de kans is groot dat ik hem zelfs nóg een keer ga bekijken. Dat doe je namelijk ook veel makkelijker als je voor een vast bedrag per maand onbeperkt naar de film mag. Eerder zag ik Arrival al dubbel en naar A Monster Calls ging ik zelfs twee keer in dezelfde week.


Ik heb geen idee hoe dit alles zich verder gaat ontwikkelen, want straks wordt het mooi weer en dan heb je wel wat beters te doen dan jezelf een paar uur opsluiten in een donkere bioscoopzaal. Maar misschien fiets ik dan wel op mijn gemak na het avondeten naar de bioscoop in plaats van op klaarlichte dag. Get Out bijvoorbeeld zag ik zo vroeg op de dag dat ik al om kwart voor negen 's ochtends op mijn fiets stapte en tussen de scholieren en forenzen naar Rotterdam peddelde. Ik kom op deze manier niet alleen veel frequenter in de bioscoop, maar ook oneindig veel vaker in mijn geboortestad. Nu al verheug ik me erop om in de zomermaanden in mijn korte broek door de stad te sjezen en onderweg ergens een ijsje te kopen.

Waar dit allemaal toe gaat leiden, weet ik dus nog niet maar het zou zomaar kunnen dat ik straks 100 films in één jaar heb gezien (en dus ook 100 van de 365 dagen naar de film ben geweest). Dat is natuurlijk absurd, maar het is tegelijk zo'n radicale breuk met mijn vorige leven (en zelfs met vorig jaar) dat het tegelijk ook aanvoelt als één groot, opwindend avontuur. Zo bekeken is die 19 euro per maand een koopje, al ving ik ook een gesprek op aan de kassa van Kino waarin iemand ter sprake kwam die een Cinevillepas voor zijn verjaardag had gekregen en er tot op heden nul keer gebruik van had gemaakt. Het zal me dus benieuwen of de nieuwigheid er voor mij ook afgaat of dat dit een verslaving is voor de rest van mijn leven.


Het leuke is wel dat je op deze manier steeds weer iets hebt om je op te verheugen. Niet alleen bekijk ik elke dinsdag welke film ik die vrijdag ga zien, ik kijk soms ook reikhalzend uit naar titels die pas over een paar maanden in roulatie gaan. Daar komen steeds weer nieuwe bij, net zoals je voor elk hoofdprogramma wel weer een trailer voorgeschoteld krijgt van een andere film die er óók best interessant uitziet. Dat kan soms tegenvallen, maar na een paar redelijke of middelmatige films zit er altijd wel weer een knaller of een klassieker tussen. Bovendien geeft het niks als een film een tikje teleurstelt, want dan ga je gewoon de volgende dag weer naar een andere.

Eerder schreef ik al dat ik na het zien van elke film die gebaseerd is op een boek, naar de bibliotheek ga om een andere titel te lenen van dezelfde schrijver. In afwachting van Alone in Berlin (die deze donderdag in première gaat) haalde ik uit de bieb niet alleen het boek Alleen in Berlijn van Hans Fallada, maar ook Een waanzinnig begin dat hij vijf jaar later publiceerde. Ik moet ze allebei nog lezen, maar verheug me nu al op zowel beide titels als op de bijbehorende film (en op al die andere films over WO2 die deze meidagen allemaal nog moeten uitkomen).

maandag 17 april 2017

Journalist in de voltooid verleden tijd

Vorige week werd ik geïnterviewd door een journalist die mij vroeg waarom ik in mijn boeken wel vertel welk werk ik voorheen heb gedaan maar niet precies bij welke werkgever en welk tijdschrift. Daar kan ik een heleboel antwoorden op geven (die ook allemaal waar zijn), maar waar het vooral op neerkomt is dat voor het verhaal dat ik wil vertellen niet belangrijk genoeg is. Als ik achterom kijk - en dat doe je vanzelf als je oude plakboeken doorbladert en je knipselarchief opruimt - dan lijkt mijn werk steeds minder een levensvervulling en steeds meer een hinderlijke onderbreking tussen mijn studententijd en mijn huidige bestaan. In een van mijn boeken vergeleek ik mijn werk met een zandkasteel dat je ingespannen en aandachtig hebt opgebouwd en dat vervolgens met één golf wordt weggevaagd.


Mijn ervaring is dat gesprekken over mijn laatste boek (en daarmee bedoel ik Het plakbandpensioen want Leven van de lucht verschijnt pas in september) een beetje heen en weer zwalken tussen twee onderwerpen. Aan de ene kant kun je mij het hemd van het lijf vragen over de vraag hoe ik mijn pensioengat van ruim vijftien jaar hoop te overbruggen - en ook hoe andere mensen van mijn leeftijd dat proberen te doen of zouden kunnen doen - aan de andere kant kun je heel veel focus leggen op het belang van betaald werk en de vraag waarom je daar überhaupt voortijdig en vrijwillig mee zou willen stoppen. Werk kan immers ook leuk zijn, geeft energie, zorgt ervoor dat je iets bijdraagt aan de maatschappij en ga zo maar door.

Zo ben ik dus aan het uitleggen uit welke potjes ik de dagelijkse boodschappen betaal, terwijl ik me ook moet verdedigen voor het feit dat ik ik het al op mijn 55ste voor gezien hield. Heel vaak zeggen mensen een tikje verwijtend dat ik "maar" 25 jaar in loondienst gewerkt heb, terwijl ik van mening ben dat daar geen regels voor bestaan en ik achteraf gezien best nog wel wat eerder had willen stoppen. Bovendien werkte ik al als journalist in 1983, toen ik nog aan het studeren was zodat ik meer dan dertig jaar lang mensen heb geïnterviewd, platen heb gerecenseerd en reportages heb geschreven. Het was leuk werk en een afwisselend bestaan, maar ik heb het tegelijk lang genoeg gedaan.


In mijn volgende boek vertel ik dat ik mezelf erop betrap dat ik steeds vaker zeg dat ik journalist "ben geweest". Strikt genomen ben je als vaste columnist (van een krant en een tijdschrift) óók een soort journalist, maar ik ben geen razende reporter meer die vragen stelt met een memorecorder op tafel. Met een basisinkomen op zak kún je die keuze ook maken, omdat je elke maand toch al genoeg geld hebt om alle vaste lasten te betalen en in je basisbehoeften te voorzien. Mijn stelling (en mijn stellige overtuiging) is dan ook dat je pas écht kunt zeggen of je werkt voor het geld of niet op het moment dat geld geen rol meer speelt of in elk geval geen doorslaggevende rol.

Afgelopen week ben ik begonnen met het opruimen van mijn knipselarchief. Daar had ik eerder al een begin mee gemaakt, maar deze keer ben ik twee keer op en neer gereden naar de papiercontainer met in totaal minstens een meter aan dossiermappen (als je op elkaar zou stapelen). Je kunt dat beschouwen als een soort voorjaarsschoonmaak, hoewel het meer te maken had met het feit dat de eerste ruwe versie van mijn nieuwe boek af is. Pas op zo'n moment heb je weer ruimte in je hoofd voor dit soort zaken, omdat het verhaal zo goed als af is en je brein min of meer blanco. Tussen die mappen vond ik ook twee plakboeken terug met daarin mijn eerste schrijfsels uit de periode 1983 en 1987.


Hoewel het leuk was om die artikelen (uit De Groene Amsterdammer) terug te lezen, bezorgde het me ook een gevoel van intense vermoeidheid. Door die jaartallen besef je namelijk opeens weer hoe lang je het werk al doet en hoe ontzettend vaak je al met een vragenlijstje op zak naar een artiest, een schrijver, een BN'er of een buitenlandse beroemdheid bent gesjokt. In mijn geval schommelt het antwoord tussen "vaak genoeg" en "veel te vaak", zodat ik niet alleen ijverig doorga met het dumpen van mijn knipsels maar ik ook de aanduiding "journalist" in mijn Twitterprofiel heb geschrapt. In zekere zin ben ik altijd al in de eerste plaats een schrijver geweest en was dit gewoon een ontzettend leuke en interessante surrogaatbaan.

Maar - en nu komt het - het was ook een beetje een surrogaatleven, een tweedehands en tweederangs bestaan waarin veel te veel kostbare tijd werd opgeslokt door files, het voorbereiden en uittikken van interviews en het uitknippen en sorteren van knipsels. Als je jong bent, maakt dat geen lor uit want dan denk je dat je onkwetsbaar bent en onsterfelijk. Op deze leeftijd begin je echter te beseffen dat je leven eindig is en dat tijd een kostbaar goed is. Aan de ene kant bent ik de laatste tijd dus vooral tijd aan het inhalen (bijvoorbeeld door dit jaar minstens 80 keer naar de bioscoop te gaan) aan de andere kant maak ik elke keer weer, en ook elke dag opnieuw, een bewuste afweging waaraan ik mijn tijd het liefst wil besteden.

donderdag 6 april 2017

Liever een tuin zonder huis dan een huis zonder tuin

In een van mijn boeken schrijf ik dat ik liever een klein huis zou willen hebben met een grote tuin dan omgekeerd. Dat is niet zomaar een woordspelletje, maar een prima manier om in kaart te brengen wat je nou eigenlijk écht wil en écht belangrijk vindt in het leven. Zo zou ik best bereid zijn om vanaf nu nooit (als in: echt nooit meer) op vakantie te gaan als dat de enige manier was om 365 dagen per jaar een soort vakantiegevoel te hebben. In mijn volgende boek ga ik nog een klein stapje verder door de vraag op te werpen of je meer hebt aan een tuin zonder huis dan aan een huis zonder tuin. Geen theoretisch dilemma, want in mijn eigen woonplaats staat momenteel 1000 m2 tuin te koop waarop je nog geen hondenhok mag plaatsen.


In mijn volgende boek (dat gepland staat voor september) haal ik comedian Pieter Derks aan die in een interview in het blad Buitenleven aangaf - of misschien wel grapte - dat je meer hebt aan een tuin zonder huis dan aan een huis zonder tuin. Vervolgens vraag ik me hardop af wat ik zou doen als ik écht voor die keuze stond. Zou ik liever als een god in Frankrijk leven in een tent op een halve hectare grond ergens in de natuur dan in een appartement ergens op zes hoog met alleen een Frans balkon? In de wintermaanden heb je natuurlijk het meest aan die laatste optie (omdat het dan sowieso weinig uitmaakt waar je woont), maar zodra het mooi weer is wil ik op elk willekeurig moment naar buiten kunnen stappen.

Hoewel ik het alleen maar noem als theoretische optie omdat je met een basisinkomen op zak allerlei onverwachte en verrassende keuzes kunt maken, keek ik toch met een andere blik naar bovenstaande advertentie. Zo vaak gebeurt het namelijk niet dat er hier in de buurt een stuk tuin te koop staat, zeker niet op zo'n schitterende plek aan het water. Dat de makelaar spreekt van een "unieke kans" is dus niet meer dan terecht, maar de vraag is natuurlijk wat je vervolgens gaat doen met een stuk grond waarop niet gebouwd mag worden. Ga je zoeken naar listige manieren om er tóch te kunnen overnachten of rijd je op elke mooie dag op je fiets naar je eigen privé-park? En wat mag dat eigenlijk kosten per vierkante meter?


Die laatste vraag heb ik hierboven meteen maar beantwoord, hoewel ik hem voor de aardigheid ook aan vrienden en familie heb gesteld (die meestal gokten dat het perceel 50.000 euro moest kosten). In werkelijkheid betaal je omgerekend 200 euro per vierkante meter en voor dat bedrag kun je elders in ons land waarschijnlijk nog wel ergens een perceel bóuwgrond kopen. Het aankoopbedrag zal ook uit eigen zak moeten worden betaald, want geen enkele bank leent jou zomaar twee ton voor een stuk gras met een paar bomen en bloemperkjes erop. Vraag is ook of er mensen zijn die dit als een goede investering zien.

Zelf zag ik meteen wel een paar mogelijkheden. Zo ligt de tuin aan het water, dus je kunt er vast wel een bootje kwijt dat groot genoeg is om in te slapen. Verder zou je er in de zomer kunnen kamperen en is het maar de vraag hoe moeilijk de gemeente doet als je er een tiny house op zet of een camper (of een soort blokhut in de vorm van een schuurtje of misschien zelfs wel een volwassen boomhut in een van die bomen). Ideaal is het niet, maar hou bij dat alles dat eerder genoemde appartement zonder balkon in gedachten. Hier kun je niet alleen zonnebaden, tuinieren en luieren, maar ook elke dag pootjebaden in de rivier.


Wat de gedachte achter de advertentie precies is, weet ik niet want het stuk grond maakt nu nog deel uit van een tuin die hoort bij een villa die elders in dezelfde folder te koop staat voor meer dan een miljoen. Zijn er misschien mensen die graag aan het water wonen zonder een enorme tuin om te onderhouden (en dus liever kiezen voor een groot huis met een kleine tuin) of is er iets anders aan de hand? Persoonlijk zou ik dan toch liever dat huis hebben én die lap grond, al was het maar omdat je je waarschijnlijk ook wel een tuinman kunt veroorloven als je in deze prijsklasse zoekt en buitenruimte een garantie is voor rust en privacy.

Zelf heb ik geen interesse, omdat ik al een heerlijk tuin heb op een schitterende plek, maar anders was ik er zeker even langs gefietst en was ik ijverige verder gaan fantaseren. Want je kunt ook zelf in een bootje gaan wonen, terwijl je kinderen in een boomhut slapen of desnoods in een daktent op een auto. Het is allemaal wat onorthodox, en het is soms letterlijk een kwestie van kamperen en improviseren, maar het klinkt allemaal even avontuurlijk en zorgt gegarandeerd voor dat permanente vakantiegevoel waar ik inmiddels helemaal verslaafd aan ben geraakt.

woensdag 29 maart 2017

Dáárom moet elke huizenbezitter het boek Hypotheekvrij! lezen

De AFM maakt zich zorgen over de nog steeds grote groep huizenbezitters met een geheel of gedeeltelijk aflossingsvrije hypotheek. Samen met twee grote banken denkt de toezichthouder na over de vraag hoe men die groep ertoe kan aanzetten in actie te komen en extra te gaan aflossen. Een oplossing is nog niet gevonden, hoewel het waarschijnlijk enorm zou helpen als ze al die mensen een exemplaar zouden opsturen van mijn boek Hypotheekvrij! Zelf doe ik dat boek nooit aan iemand cadeau zonder de disclaimer dat ze na lezing gegarandeerd gaan aflossen (net zoals mensen na lezing van De omgekeerde werkweek meestal ook in deeltijd willen gaan werken).


Natuurlijk is de kop boven het artikel zwaar aangezet, al was het maar omdat de hoogleraar die geciteerd wordt het heeft over een "tijdbommetje". Niet elke aflossingsvrije hypotheek levert aan het einde van de looptijd problemen op, al was het maar omdat er vaak helemaal geen sprake is van een afgebakende looptijd. Zelfs had ik ooit twee van dat soort leningen en die zouden gewoon door zijn gelopen tot mijn dood als ik niet tussentijds had afgelost. De ene liep volgens de bepalingen door tot "datum aflossing", nummertje twee tot het jaar waarin ik theoretisch honderd zou zijn geworden. Van een aflossingsvrije hypotheek kom je dus nooit af, maar je hoeft ook niet per se na dertig jaar je huis te verkopen.

Belangrijk is dus om niet alleen na te denken over het hoe en wat van je aflossingsvrije hypotheek, maar ook om na te kijken wat daarover precies in je papieren staat. Ooit sprak ik een vrouw die heel blij vertelde dat ze kort daarvoor een aflossingsvrije hypotheek had afgesloten met een looptijd van 30 jaar, zonder dat ze antwoord kon geven op mijn vraag wat er ná die dertig jaar zou gebeuren. Soms verlengt de bank de hypotheek zonder problemen, maar het kan ook dat ze opnieuw naar je inkomen kijken en tot de conclusie komen dat dat tekort schiet. In dat geval zul je een deel van de schuld in één klap moeten aflossen of je huis inderdaad te koop moeten zetten.


Wie mijn in 2012 verschenen boek heeft gelezen, wéét dat allemaal en zal op tijd maatregelen proberen te nemen. Ik overdrijf niet als ik zeg dat ik wekelijks mailtjes krijg van mensen die vertellen dat ze door dat boek versneld zijn gaan aflossen of hun grote dure huis hebben ingeruild voor een kleiner en goedkoper exemplaar. Deze week nog las ik het verhaal van een man van 26 die elke maand 1200 euro extra aflost en op die manier over een jaar of zes in een hypotheekvrij appartement hoopt te wonen (hoewel zijn omgeving hem voor gek verklaart omdat hij dat geld niet uitgeeft aan vakanties en dure auto's).

Florius stuurt haar klanten met een aflossingsvrije hypotheek in sommige gevallen naar een adviseur en vergoedt de helft van de kosten, terwijl ze dus ook gewoon 9 euro 95 zouden kunnen uitgeven (plus porto) om hun klanten te verblijden met een gratis boek. Er zullen best huizenbezitters zijn die mijn boek na lezing schouderophalend bij het oud papier gooien, maar in de meeste gevallen zullen ze een goed gesprek voeren met hun partner en maatregelen nemen. Zelf ben ik in 2008 gaan aflossen en daar heb ik nog geen dag spijt van gehad (zeker niet omdat ik straks tien jaar voor mijn AOW-datum helemaal hypotheekvrij ben).


Het zou natuurlijk ironisch zijn als banken je nu gaan vertellen wat ze volgens de omslag van de eerste druk juist niet vertelden, maar de tijden zijn nu eenmaal veranderd. Tegelijk heeft nog steeds 30% van álle huizenbezitters een volledig aflossingsvrije hypotheek en dan praat je over meer dan 200 miljard. Vooral huishoudens die hun hele hypotheek aflossingsvrij hebben gefinancierd, niets hebben gespaard en geen erfenis in het verschiet hebben, kijken straks waarschijnlijk raar op hun neus en lopen het risico dat ze noodgedwongen moeten verhuizen of opeens geconfronteerd worden met torenhoge lasten omdat de HRA na dertig jaar vervalt en de bruto lasten op eigen kracht moeten worden betaald.

Hoogleraar Johan Conijn wijst erop dat mensen liever niet nadenken over de einddatum van hun hypotheek, net zoals ze ook niet nadenken over hun pensioen. Dat is heel menselijk en psychologisch goed verklaarbaar, maar grappig genoeg werkt het ook andersom. Dat ik nu, op mijn 55ste, in feite al met pensioen ben heeft alles te maken met het feit dat ik een kleine tien jaar geleden als een dolle ben gaan aflossen. Wie gaat morrelen aan de einddatum van zijn hypotheek, gaat vanzelf ook morrelen aan zijn pensioendatum en kan ik het gunstigste geval veel vroeger van zijn vrijheid gaan genieten in een volledig afgelost huis.


donderdag 23 maart 2017

Waarom zijn klimaatsceptici eigenlijk zo sceptisch?

Op sociale media viel de afgelopen dagen te lezen dat de opwarming van de aarde in een stroomversnelling is geraakt die zomaar kan betekenen dat er na de eerstvolgende bocht een angstaanjagende waterval op ons wacht. Wie dat maar een eng idee vindt, kan zich troosten met de conclusie dat de wereld vooral last heeft van "klimaathysterie" (Marianne Zwagerman) en van een "opwarmingsverhaal" (Leon de Winter). Zelf ben ik toevallig net zo'n opwarmingsverhaal aan het lezen - namelijk de roman Goud Roem Citrus van Claire Vaye Watkins -  en dat gaat je bepaald niet in je kouwe kleren zitten. Vraag is dus niet alleen wie er in deze discussie gelijk heeft, maar ook waarom klimaatsceptici eigenlijk zo graag willen geloven dat het allemaal oncontroleerbare onzin is.


Natuurlijk is Goud Roem Citrus niet meer dan het is, namelijk een roman. Het is een verzonnen verhaal, geschreven door iemand van 31 die waarschijnlijk te veel boeken heeft gelezen van Frank Herbert. Tegelijk is dat de kracht van schrijvers van dit soort dystopische boeken: dat ze hun lezers meenemen naar een helemaal niet zo verre of vergezochte toekomst. Zoveel fantasie is er niets eens voor nodig om je voor te stellen hoe het is om te leven in een wereld waarin de zon onbarmhartig schroeit, water zeldzamer is dan goud en ook rijke westerlingen zich aan hebben moeten sluiten in de onafzienbare stroom klimaatvluchtelingen.

In die zin laat dit boek zich lezen als de ochtendkrant van 2032 (die tegen die tijd natuurlijk helemaal niet meer bestaat, net zoals er ook geen vers fruit meer is en alle bomen kaalgevreten zijn en zo broos als papier). In Goud Roem Citrus heeft de opwarming van de aarde ons definitief ingehaald en is er geen ontkennen meer aan. Het is The Walking Dead maar dan zonder zombies en met een zinderende zon. Je stapt je voordeur uit en bent opeens in de woestijn van Nevada. Ik weet nog steeds niet of ik het een goed boek vind, maar ik weet wel dat ik na de eerste paar hoofdstukken veel meer genoot van mijn schaal druiven en mijn koude glas water.


Ondertussen - en dat betekent in mijn geval dus tussen het lezen door - lees ik op Twitter dat er sprake is van klimaathysterie en schrijft Leon de Winter op zijn vaste plek in de krant dat er geen sprake is van door de mens veroorzaakte opwarming van de aarde, maar slechts van een "opwarmingsverhaal". Het klimaat fluctueert nu eenmaal en dat heeft niets te maken met onze vervuilende en verkwistende levensstijl maar alles met geologische en kosmische krachten. Als we al invloed hebben door onze CO2-uitstoot, dan is dat alleen maar in positieve zin want zo stellen we de volgende ijstijd juist weer een beetje verder uit.

Nu ben ik een politicoloog met een talenpakket, dus ik kan alleen maar afgaan op wat ik over dit onderwerp lees (bijvoorbeeld dat het in New York in februari al even 21 graden was). Als journalist schreef ik in 1988 al een artikel over wat toen meestal nog het "broeikaseffect" werd genoemd en vorig jaar zomer las ik tijdens mijn vakantie De klimaatoorlogen van Harald Welzer. Tegelijk las ik naast de column van Leon de Winter en de tweets van Marianne Zwagerman óók het boek De menselijke maat van Salomon Kroonenberg, dus niemand kan mij ervan beschuldigen dat ik in een filterbubbel leef waarin GroenLinks de agenda bepaalt.


Vooropgesteld dat ik niet 100% zeker weet dat klimaatsceptici onzin verkondigen, meen ik wel een verklaring te hebben voor hun reflex. Die lijkt namelijk héél erg op die van mensen die naar excuses zoeken om vooral niets te hoeven aflossen. De laatste jaren is dat stukken minder geworden, maar toen wij in 2008 begonnen met met het aflossen van onze hypotheek heb ik alle k*tsmoezen wel de revue zien passeren. Zo kreeg je altijd een boete als je afloste, moest je natuurlijk wel "leuke dingen" kunnen blijven doen en had je er niks aan als je op je 55ste een hartaanval kreeg op de drempel van je hypotheekvrije huis dat je net een dag eerder helemaal had afgelost. Aflossen is soms afzien en daar hebben de meeste mensen helemaal geen zin in.

Zuinig leven om je eigen hypotheek af te kunnen lossen is dan misschien nog wel op te brengen, maar niemand gaat superzuinig leven om te sparen voor zijn achterkleinkinderen. Dat speelt dus ook mee in de hele klimaatdiscussie. Mensen willen overal 130 rijden, in de zomer het vliegtuig pakken naar Bali en lekker alles kopen waar ze blij van worden. Klimaatsceptici willen zonder schuldgevoel vasthouden aan hun oude verkwistende levensstijl en dus moet het allemaal wel onzin zijn. Toegeven dat opwarming misschien bestaat betekent immers: minder vliegen, minder vlees, minder vervuiling en misschien wel minder keuzevrijheid. Dat lijkt een flinke stap terug, maar is waarschijnlijk veel verstandiger dan op de oude voet doorgaan tot er geen weg terug meer is.

maandag 20 maart 2017

Wie komt er nou precies van een andere planeet?

Als straks overal te lezen valt dat "rokjesdag" een feit is, dan klopt dat niet. De eerste echte dag waarop je met blote benen de straat op kon viel dit jaar namelijk al op donderdag 16 maart. Die dag fietste ik op mijn dooie gemak over het schitterende fietspad langs de Oude Maas, terwijl de zon uitbundig scheen en het ineens volop lente was. Toen ik een paar uur later in mijn korte broek boodschappen ging doen, werd ik echter aangestaard of ik van een andere planeet afkomstig was (of in elk geval op het verkeerde vliegveld was uitgestapt). Dat is dus met alles in het leven de vraag: ben jij zelf raar of doet de rest iets verkeerd?


De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat bovenstaande foto vórig jaar is gemaakt en ook op een heel andere plek (namelijk in de Alblasserwaard). Hij dient dan ook slechts ter illustratie, want afgelopen donderdag was ik in mijn eentje aan het fietsen zodat ik hooguit een selfie had kunnen maken. Wel droeg ik precies dezelfde outfit: een korte wielerbroek met daarboven een shirt én een shirt met lange mouwen. Echt zomer is het natuurlijk pas als je ook met korte mouwen kan fietsen, maar het was warm genoeg voor blote benen.

Een dag eerder was het ook al lekker genoeg om buiten in de tuin een boek te kunnen lezen, maar van dat feit hebben alleen mensen met een omgekeerde werkweek of een plakbandpensioen kunnen profiteren (en niet te vergeten al die ZZP'ers die in de luxe positie verkeren dat ze zelf hun tijd kunnen indelen). Zelf val ik in alle drie die categorieën, zodat het weekend wat mij betreft zomaar ineens midden in de week kan vallen en er ook nooit sprake is van een slechte zomer. Vorig jaar bijvoorbeeld begon mijn zomervakantie pas toen die voor de rest van het gezin net was afgelopen en bleef het tot ver in september mooi weer.


Officieel begint het "kortebroekenseizoen" hier in huis pas op 1 april en duurt het tot eind september (dus precies een half jaar). Dat is echter slechts een richtlijn want hij wordt ook tevoorschijn gehaald als het in maart al lekker is en hij blijft in de kast als het in april niet echt wil vlotten met het weer (wat de laatste jaren ook nogal eens is gebeurd). Dit jaar heb ik hem al drie keer aangehad, al heb ik tegelijk ontdekt dat ik dat beter alleen in mijn eigen tuin kan doen. Ga je in maart boodschappen doen in een korte broek, dan staren mensen je aan alsof je "Stille Nacht" aan het neuriën bent met een kerstmuts op.

Nu trekken sporters over het algemeen veel sneller iets luchtigs aan, want toen ik het weekend van 11 maart logeerde bij een vriend in de Eifel en we een lange fietstocht maakten door het fraaie heuvellandschap, zagen we onderweg niet alleen een skater met een korte broek maar ook een vrouw op een mountainbike die niet meer droeg dan een fietsbroek en een tanktop. Door de inspanning komt je lichaam snel op temperatuur, zodat je een heel andere beleving hebt van het weer. Daar komt in mijn geval bij dat de verwarming hier in huis vaak op 15 graden staat, zodat ik het buiten al heel aangenaam vind als het daar óók 15 graden is.


Belangrijker dan de vraag wanneer het nou precies "lekker weer" is en op welke datum rokjesdag valt (waarschijnlijk pas na het ingaan van de zomertijd), is de vraag of je je iets moet aantrekken van starende of afkeurende blikken. De vraag of het "raar" is om op 15 maart in een korte broek door Dirk van de Broek te lopen kun je moeiteloos vervangen door de vraag of het "raar" was om al in 2008 versneld te gaan aflossen. Toen was dat namelijk nog een vies woord en kwam je de uitdrukking "hypotheekvrij" in de media nergens tegen. Tegelijk beschouw ik het nog steeds als het verstandigste besluit óóit.

Bij lezingen zeg ik ook wel eens dat je waarschijnlijk aardig op de goede weg bent als mensen je aankijken of ze water zien branden. Dat is geen waterdichte redenering en ook geen wetenschappelijk verantwoorde conclusie, maar in de praktijk blijkt vaak dat je je niet teveel moet aantrekken van wat andere mensen doen of vinden maar dat je beter je eigen koers kunt bepalen en blind moet varen op je gevoel. Zo heb ik ontdekt dat je best een zomervakantie kunt overslaan als je in ruil daarvoor 365 dagen per jaar vakantie hebt en dat het geen kwestie is van afzien als je de kachel zo laag mogelijk zet omdat je dan al vroeg in de lente beloond wordt met mooi zomerweer.

dinsdag 14 maart 2017

Er bestaat dus werkelijk zoiets als welverdiende rust

Afgelopen weekend logeerde ik bij een vriend in een uitloper van de Eifel, pal aan de grens met Luxemburg. Daardoor kon ik goedkoop tanken voor de terugreis, nadat we drie dagen lang van het mooie weer hadden genoten en het schitterende landschap. Na afloop besefte ik eens te meer dat een weekend twee keer zo lang duurt als je er een mini-vakantie van maakt, dat alles staat of valt met het weer en dat nietsdoen vooral leuk is nadat je eerst van alles en nog wat hebt gedaan. Zo vierde ik dit weekend namelijk het heuglijke feit dat de eerste versie van mijn nieuwe boek helemaal af is. 


Op Twitter suggereerde ik dat ik er een paar dagen tussenuit was omdat ik mezelf om die reden had getrakteerd op een weekendje weg, maar dat had meer met toeval te maken dan met timing. De afspraak dat ik langs zou gaan bij deze vriend - die in Luxemburg werkt als expat - dateert al van maanden geleden, dus het kwam alleen maar goed uit dat ik net het laatste hoofdstuk van mijn nieuwe boek had afgerond. Ook met het weer mazzelden we, want in eerste instantie zag het er zo belabberd uit dat ik zelfs van plan was mijn mountainbike niet eens mee te nemen.

In plaats van de regen die eerst voorspeld was, werden we getrakteerd op drie dagen lenteweer met de zondag al absolute uitschieter. Die benutten we meteen maar met een fietstocht van meer dan 4 uur, waarbij we onderweg neerstreken op een zonovergoten terras langs de Moesel. Ik kwam vrijdag aan om half twee en diezelfde middag hadden we meteen al een mooie tocht gemaakt door de heuvels en het omliggende Saarland.. Dat herhaalden we de volgende dag, gevolgd door een bezoek aan de stad Trier, met als afsluiting een pizza in Liersberg.


Toen ik zondagavond om half elf thuiskwam, had ik het heerlijke gevoel dat ik een midweek weg was geweest in plaats van 2,5 dag. Natuurlijk ging het weekend de volgende dag gewoon verder (zo ga ik zo dadelijk na de lunch lekker in de tuin een boek zitten lezen), maar toch is een weekendje weg een heel andere ervaring dan een weekend in je eigen biotoop. Alleen de heen- en terugreis vind ik een beetje een dealbreaker, want het blijft zonde om in totaal een hele werkdag in de auto te zitten voor ruim twee dagen ontspanning.

Wel genoot ik intens van de ruimte, de rust, het prachtige heuvellandschap en de vriendelijkheid van de plaatselijke bevolking, zeker toen ik na thuiskomst in de krant had gelezen dat het hier weer heel druk was geweest op de weg en in de welbekende attractieparken. Alleen al daarom heb je als mens in dit land (beter gezegd: in dit deel van het land) een omgekeerde werkweek nodig: omdat het op een zomerse maandag oneindig veel rustiger is op de fietspaden dan op een zonovergoten zondag. Nu kon ik maandag rustig bijkomen van de reis en op mijn gemak alsnog alle zaterdagkranten lezen.


Dat was trouwens ook wel eens rustig: de dag beginnen met een kop koffie en een boek in plaats van de gebruikelijke mediaconsumptie. Ik kreeg via Twitter natuurlijk wel het nodige mee van de rellen in Rotterdam, maar verder stond dit weekend toch vooral in het teken van dit onwaarschijnlijk mooie liefdesverhaal van Patrick Ness dat net zo goed door Neil Gaiman geschreven had kunnen zijn. Het heeft verder niet veel om het lijf, maar ik heb me voorgenomen om na elke film die op een roman is gebaseerd een ánder boek te lezen van dezelfde schrijver. Dat is heel verfrissend, want voordat ik A Monster Calls zag had ik zelfs nog nooit van Patrick Ness gehoord.

Wel weet ik inmiddels dat je helemaal niet vreselijk calvinistisch hoeft te zijn om te beseffen dat het pas echt goed rusten is na gedane arbeid, net zoals je heel anders onder de douche staat als je net vier uur op de mountainbike hebt gezeten. Het is niet voor niets zo dat vrijdag mijn favoriete bioscoopdag is: dan geniet ik van een film in de wetenschap dat ik die week één column heb geschreven, twee blogs heb gepubliceerd en drie hoofdstukken van mijn nieuwe boek heb geredigeerd. Om echt intens te kunnen genieten van het nieuwe nietsdoen moet je dus af en toe ouderwets je mouwen opstropen en meters maken.