Zoeken

maandag 14 augustus 2017

Hoe lang kun je als mens ongestraft roofbouw blijven plegen?

Het interessantste verhaal dat ik afgelopen weekend in de krant las, was een interview met Bas Hoogland in De Telegraaf. Ik weet dat er mensen zijn die met die krant nog niet eens hun billen zouden willen afvegen, maar ik kan wel verklappen dat ik net zo vaak iets interessants uitknip uit de Telegraaf als uit de Volkskrant. Voor een brede blik en een afgewogen oordeel moet je niet alleen buiten je eigen bubbel durven treden maar ook alles lezen wat op je pad komt. Het verhaal van Hoogland laat zien dat je als mens niet ongestraft roofbouw kunt plegen op je eigen lichaam, maar ook dat je op tijd het roer kunt omgooien. Grappig genoeg is hij net zo oud als ik, weegt hij precies net zoveel en heeft hij een vrouw met dezelfde voornaam als die van mij. 


Het interview zal vast en zeker ook wel online te vinden zijn, maar ik ben nog een ouderwetse krantenlezer. Dat is geen principekwestie en heeft meer te maken met het feit dat ik voor mijn 'werk' al vaak genoeg op een scherm zit te turen en daarom liever fysieke boeken lees en een papieren krant in mijn handen houd. Het is niet alleen een andere ervaring, maar ook een andere lichamelijke houding. Bovendien schaam ik me met terugwerkende kracht een beetje voor het blinde enthousiasme waarmee ik destijds de compact disc heb omarmd als ik nu langspeelplaten beluister en me elke keer weer verbaas over het kraakheldere, warme geluid. Het was absoluut een technologische innovatie, maar het werd deels met valse argumenten verkocht.

Hoe dan ook, ik las het interview met Hoogland (die ik natuurlijk al kende en al tijden volg op Twitter) op het moment dat we thuis net een serieus gesprek hadden gehad over een onderwerp dat al onze generatiegenoten aangaat. Tussen je vijftigste en je zestigste loop je het gevaar dat je de gevolgen ondervindt van alle ongezonde (financiële) beslissingen die je eerder in je leven hebt genomen. Je kunt straffeloos dertig jaar lang een pakje per dag roken tot je van de dokter ineens een onherroepelijke diagnose krijgt. Op dezelfde manier kun je er ook voor kiezen om niks te sparen en niets af te lossen tot je je baan kwijt raakt of beseft dat het nog wel érg lang duurt voordat je officieel met pensioen mag.


Let wel, het gaat me daarbij niet om de schuldvraag, want gezondheid is grotendeels een kwestie van genen en geluk. Wat je echter wel duidelijk ziet, is dat je op deze leeftijd wordt afgerekend op verkeerde beslissingen die je in het verleden hebt gemaakt en de rekening krijgt gepresenteerd voor oude gewoonten en ongezond gedrag. In Hypotheekvrij! schreef ik al dat aflossen van alles te maken heeft met afvallen, maar het verband gaat nog veel verder. Het is niet voor niets dat gesproken wordt over een 'gezonde financiële huishouding'. Omgekeerd heb ik ook nadrukkelijk geschreven dat een hypotheekvrij huis geen garantie biedt voor een onbezorgd leven, want het betekent alleen maar dat je goedkoop woont en niet snel je huis meer kunt worden uitgezet.

Voor Bas Hoogland kwam de ommekeer toen hij een paar jaar geleden getroffen werd door een hartaanval, gedotterd moest worden en de diagnose diabetes kreeg. Hij besloot zijn drukke baan op te zeggen, viel bijna vijfentwintig kilo af en runt nu op zijn 56ste een B&B op een idyllische plek in Zuid-Limburg. Wat mij betreft valt dat ruimschoots binnen de definitie van een "plakbandpensioen", waarmee maar weer eens is aangetoond dat je dat begrip zo ruim kunt nemen als je zelf wil. Hoogland gooide op tijd het roer om, maar nog beter is het natuurlijk om de bakens te verzetten op het moment dat je nog helemaal gezond bent. Zelf had ik op het laatst bijna een burn-out en daar herstel je nooit meer volledig van.


Stress ken ik niet meer want mijn agenda is heerlijk leeg, al geef ik zelf de voorkeur aan de grap dat ik mijn leven tegenwoordig laat regeren door de bioscoopagenda. Op dinsdag zit ik meestal al te puzzelen naar welke film ik vrijdag zal gaan en steeds vaker besluit ik om er meteen maar drie achter elkaar te gaan zien. Groter kan het contrast met een gewone werkdag niet zijn, want ik ken niemand die liever van 9 tot 5 op kantoor zit dan van kwart over 10 tot kwart over 4 in de bioscoop. Bovenstaand schema zorgde overigens nog wel voor enige haast, want ik moest met 25 km/u door Rotterdam sjezen om op tijd te zijn voor de tweede film en zat letterlijk één minuut voor aanvangstijd hijgend in de zaal.

Pas vanmorgen besefte ik dat je de vergelijking die ik hierboven maak nog veel breder kunt trekken en dat is geen prettige gedachte. Net zolang je als mens decennia lang elke dag een fles wijn kunt leegdrinken tot je opeens de rekening krijgt gepresenteerd, zo bestaat ook de kans dat we als mensheid alle waarschuwingssignalen blijven negeren die de natuur ons geeft tot we op een dag geconfronteerd worden met de gevolgen van een op hol geslagen broeikaseffect. Zelf denk ik dat het zo zal gaan: dat we stiekem wel weten dat wat we met z'n allen doen niet goed en gezond is, maar pas werkelijk tot inkeer komen als het veel te laat is en we middenin een rampenfilm zitten zonder superhelden en zonder happy end.

maandag 7 augustus 2017

Vakantie is in zekere zin een overdosis nietsdoen

Schreef ik in mijn vorige blog dat ik voor het eerst in jaren weer eens vijf dagen had gekampeerd, ruim een week later was het tijd voor onze échte zomervakantie. Zoals bekend hoeft die in mijn geval maar aan twee criteria te voldoen: niet te duur en niet te ver weg. Het weer is een beetje een risicofactor als je zo redeneert, maar deze keer hadden we geluk. Na een wat wisselvallige eerste week in het Zwarte Woud was het zeven dagen lang zulk lekker weer dat ik elke dag kon beginnen met een goed boek op een ligstoel in de schaduw van een fruitboom. Dat was op zich natuurlijk heerlijk, maar op een gegeven moment snakte ik ernaar om eindelijk weer eens iets nuttigs te gaan doen. Zo blijf ik ambivalente gevoelens koesteren richting het onderwerp "vakantie" en kan ik alleen maar vaststellen dat mijn leven in Nederland veel meer in balans is.


Natuurlijk is het lastig uit te leggen aan mensen die op zaterdagavond thuiskomen en op maandag weer op kantoor verwacht worden, maar stiekem ben ik altijd blij dat ik weer thuis ben. Dat heeft niets te maken met heimwee of een soort vakantiefobie, maar alles met het feit dat vakantie in veel opzichten teveel van het goede biedt. Zo heb ik de afgelopen veertien dagen zoveel achter het stuur gezeten, dat ik me heb voorgenomen om de komende twee weken geen meter meer auto te rijden en alles met de fiets te doen.

Gek genoeg moet ik tot vervelens toe aan mensen uitleggen waarom ik er niet meer over peins om ooit nog 1400 kilometer naar Toscane te rijden, zelfs niet als ik de heenreis in drie behapbare stukken zou hakken. Ik vond ons appartement in het Zwarte Woud al ver genoeg en weet bij voorbaat dat ik niet twee keer zoveel ga genieten van mijn vakantie als ik twee keer zo ver rijd. Bovendien schrik ik een beetje terug van de bijna Afrikaanse temperaturen in dat deel van Europa, want ik gedij beter bij 23 graden dan bij de 41 graden die onlangs in Rome werden gemeten.


Natuurlijk is het ook mooi in Umbrië, in Kroatië of in de Auvergne, maar ik was oprecht verrast door de schoonheid van het landschap in het Zwarte Woud. Bij beide appartementen hadden we een prachtig uitzicht vanaf onze ligstoel en op het tweede adres was het zelfs zo rustig dat je 's nachts door het open raam geen enkel geluid hoorde.We bezochten een paar musea (waaronder het Phonomusem in St. Georgen dat geheel gewijd is aan de historie van de platenspeler), gingen geregeld naar het zwembad, hebben lange wandeltochten gemaakt en door schilderachtige stadjes geslenterd.

Tussendoor had ik tijd genoeg om zoveel boeken te lezen dat ik zelfs voortijdig door mijn voorraad heen was en een greep moest doen in het stapeltje Engelse boeken dat mijn oudste zoon voor de gelegenheid had meegenomen. Zo las ik The Sense of an Ending van Julian Barnes (terwijl ik nog steeds de gelijknamige film niet heb gezien) en begon ik op de laatste dag in Paper Towns van John Green, hoewel ik dat niet heb uitgelezen en inmiddels heb omgeruild voor het huiveringwekkende Room van Emma Donoghue.


Voor een leesmonster als ik is het natuurlijk heerlijk om gemiddeld één boek te lezen per anderhalve dag, maar toch ligt verzadiging op de loer. Na veertien dagen moest ik vaststellen dat vakantie vooral een overdosis is: van nietsdoen, van kilometers achter het stuur, van boeken lezen, van pizza's in een restaurant en van lekker broodjes bij de koffie. Dat klinkt natuurlijk niet echt als een straf (en dat is het ook niet), maar ik voelde me na afloop toch een beetje een badmeester die tijdens zijn all-in vakantie de hele dag naast het zwembad heeft gelegen. Anders gezegd: mijn leven is de laatste jaren zó in balans, dat de balans in de vakantie juist een beetje zoek is.

Na twee weken wilde ik dus maar wat graag weer eens iets nuttigs doen (al is het maar de dakrand verven of de hordeur repareren), terwijl ik ook wel weer eens naar de bioscoop wilde of lekker een eind wilde fietsen. Toen ik nog in loondienst was, snakte ik naar rust en was ik maar wat graag bereid om daarvoor vijftien uur achter elkaar achter het stuur te kruipen. Tegenwoordig pak ik op de laatste dag van de vakantie fluitend mijn koffer in om thuis weer de draad om te pakken en troost ik me met de gedachte dat de eerstvolgende buitenlandse reis nog minsten negen maanden op zich laat wachten.

zaterdag 15 juli 2017

Staycation? Ik ben dit jaar al in Zuid-Limburg geweest én in Zuid-Afrika

Mijn boektitels zetten sommige mensen op het verkeerde been. Zo gaan bijna alle journalisten die me thuis komen interviewen er voetstoots vanuit dat ik allang hypotheekvrij ben, terwijl we in werkelijkheid nog een piepkleine woningschuld hebben van 44.000 euro die in maart 2020 afloopt. Je hoeft ook maar één keer een zomervakantie over te slaan en op Twitter twee keer de hashtag #staycation te gebruiken of mensen verkeren in de veronderstelling dat je er in de zomermaanden nóóit meer op uittrekt. Dat laatste is in elke geval niet waar, want we zijn nog maar net terug van een vijfdaagse kampeervakantie in Zuid-Limburg.


Ook tijdens deze kampeertrip moest ik het weer uitleggen. Want hoe kan ik nou eigenlijk zeggen dat ik met plakbandpensioen ben, terwijl ik één column per week schrijf en één boek per jaar (en het nu zelfs zo druk heb met het redigeren van mijn nieuwste pennevrucht dat ik amper tijd heb voor een bezoek aan de bioscoop)? Veel mensen hanteren nog steeds een verkeerde of verouderde definitie van het woord "pensioen", zeker als het gaat om het soort vroegpensioen waar ik voor gekozen heb. Grootste verschil met vroeger (lees: voor 1 mei 2016) is dat ik niets meer voor het geld doe en dus alleen nog kies voor dingen die ik leuk of zinvol vind. Je hoeft als vroeggepensioneerde niet op je handen te gaan zitten, maar je moet ook niks meer.

Belangrijkste regel is en blijft dat er geen regels zijn. Zo hadden we al jaren niet meer gekampeerd (behalve in onze eigen achtertuin) tot we werden uitgenodigd voor een familieweekend op een camping in Zuid-Limburg. Dus haalden we het lichtgewicht,katoenen trekkerstentje tevoorschijn dat we voor het laatst in de vorige eeuw hadden gebruikt en de iets grotere Vendex-tent die ook minstens vijftig jaar oud moet zijn. Het zorgde voor veel hilariteit op de camping, maar het laat zien dat je het begrip duurzaam net zo kunt oprekken als je zelf wil. Bovendien beschouw ik dit persoonlijk nog steeds als écht kamperen, al hoef je met een camper natuurlijk nooit een natte tent in te pakken.


Dat moesten wij afgelopen woensdag wél, zodat we ze ze thuis allebei nog een keer hebben opgezet om ze goed te laten drogen. De kans bestaat dat ze straks namelijk weer voor tien jaar in de kast verdwijnen (hoewel het ons zo goed beviel dat het naar meer smaakte dus je weet maar nooit). Er slaapt niemand in, maar toch hoef je maar een paar tenten her en der in de tuin neer te zetten om een permanent vakantiegevoel te hebben. Dat laat zien hoe simpel je je geest op het verkeerde been kunt zetten en hoe flexibel je brein is (en dat verklaart ook hoe het mogelijk is dat ik elk jaar een boek produceer zonder dat ik het gevoel heb ook maar één seconde te werken).

Als enige familielid had ik mijn smartphone (lees: een afgedankte iPhone 4 van mijn oudste zoon) thuisgelaten zodat ik tussen de bedrijven door bijna een heel boek heb uitgelezen. Voor vertrek had ik Koorts van Deon Meyer al verslonden en voor deze trip had ik Proteus uit de bieb gehaald. Dat is een al wat ouder boek van hem dat eerder is verschenen onder een andere titel bij een andere uitgever, maar dat na zijn doorbraak opnieuw is uitgebracht. Dankzij dat boek was ik die vijf dagen niet alleen in Zuid-Limburg, maar zat ik in zekere zin ook op een snelle motorfiets in Zuid-Afrika terwijl er met helikopters en commando's op me werd gejaagd. Zo duurden die vijf dagen gevoelsmatig niet alleen twee keer zo lang, maar ben ik ook in dubbel opzicht even helemaal weg geweest.


Natuurlijk was deze vakantie niet alleen maar leuk en grappig, want mijn luchtbed moest elke avond opnieuw worden opgepompt en de heenreis duurde door alle files zo lang dat ik aankondigde na thuiskomst mijn auto in de brand te steken en nooit meer één kilometer gemotoriseerd af te leggen. Dat trauma (3,5 uur reistijd ipv 2 uur) was echter snel vergeten, maar qua bioscoopbezoek had ik door dat verblijf op de camping wel een achterstand opgelopen. Dus besloot ik gisteren de schade in te halen door meteen maar drie films achter elkaar te bekijken. Zo bracht ik bijna een hele werkdag (de eerste begon om 10.15 uur en de laatste was precies om 5 uur afgelopen) door in de bioscoop en had ik onder lunchtijd precies genoeg tijd over voor een bakje boerenpatat van Bram's Gourmet Frites.

Het was nog een heel gepuzzel om die films op elkaar te laten aansluiten, met als gevolg dat ik twee keer de Erasmusbrug over moest, maar het was tegelijk een heel leerzaam experiment. Het waren drie heel leuke films, maar eenmaal thuis had ik toch het knagende gevoel dat ik een dag had gemist. Heel mooi weer was het niet, maar ik had wel de hele tijd binnen gezeten. Vraag is dus of ik dit nog een keer ga doen (hoewel het ook best een aardig experiment zou zijn om er vijf of zes achter elkaar te zien), maar de vraag is vooral of je dat frustrerende gevoel niet hebt, of zou moeten hebben, na élke werkdag.


Feit is dat ik deze druilerige en winderige vrijdag in het centrum van Rotterdam heb doorgebracht, terwijl ik met mijn hoofd in zonniger streken vertoefde. Niet geheel toevallig had ik namelijk drie Franse films bij elkaar gezocht die overigens niet veel meer met elkaar gemeen hadden dan de taal. Louise en Hiver was een verstilde, prentenboek-achtige animatiefilm (soort kruising tussen Die Wand en The Snowman), terwijl Rock 'n Roll een veel grappigere comedy was dan ik op basis van de recensies had verwacht en Retour en Bourgogne inderdaad een voortkabbelende film waarin je je heerlijk kunt vergapen aan die prachtige wijnstreek.

Pas later bedacht ik - of besefte ik - dat deze lukraak bij elkaar gekozen films behalve het land van herkomst nóg een rode draad hadden. Op hun eigen manier gingen ze allemaal over ouder worden, over vergankelijkheid, over familierelaties, over herinneringen die we koesteren en over de keuzes die we allemaal maken in een mensenleven. Aan dat thema zou je een compleet blog kunnen wijden, maar nu was het meer een onverwachte bonus aan het einde van een welbestede vrije vrijdag die onderstreept dat je elke dag maar op één manier kunt doorbrengen maar dat er altijd ruimte is voor verdieping en verrassingen en voor subtekst en symboliek.

vrijdag 7 juli 2017

Met een basisinkomen mag je natuurlijk gewoon door blijven werken

Deze week stond voor mij geheel in het teken van het basisinkomen. Niet alleen ben ik druk bezig met het redigeren van de pdf van mijn nieuwe boek, ik deed ook een telefonisch interview met de voorzitter van de Vereniging Basisinkomen. Ondertussen verscheen er een omslagartikel van mijn hand in Max Magazine en stond ik in de file richting Amsterdam zodat het warempel leek of ik gewoon weer een fulltime baan had. Uiteindelijk is dat ook de achterliggende gedachte van het basisinkomen: dat je lekker druk bent met van alles en nog wat zonder je al te druk te hoeven maken over je inkomsten. Toch beviel dit overvolle schema me een stuk minder goed dan mijn gebruikelijke dagindeling.


Voor alle duidelijkheid: ik heb gisteren het boek Koorts uitgelezen van Deon Meyer dat ik afgelopen zaterdag had geleend uit de bibliotheek, dus in mijn schema was in elk geval tijd genoeg om een boek van 500 pagina's uit te lezen. Dat was me nooit gelukt in de tijd dat ik nog écht een volledige baan had, tenzij ik dat boek moest lezen voor mijn werk. Diezelfde Deon Meyer heb ik namelijk al eens geïnterviewd toen hij op het punt stond om door te breken in ons land. Ik herinner me nog dat ik vooraf mijn twijfels had (want wat moest ik nou met een Zuid-Afrikaanse auteur?), terwijl hij nu met voorsprong mijn favoriete thrillerschrijver is.

Tegelijk baal ik ervan dat ik deze week nul keer in de bioscoop ben geweest en alleen op zondag tijd had voor een rondje op de racefiets. Maandag kreeg ik de pdf van mijn boek toegestuurd en die laatste controle moet grondig gebeuren. Er glipt in de eerste druk altijd wel een tikfout doorheen, maar als schrijver wil je het liefst dat alles in één keer goed is. Dus zat ik elke dag uren te lezen in een boek dat ik niet alleen zelf heb geschreven maar dat ik inmiddels ook kan dromen. Daarnaast moest ik alvast een extra column schrijven voor het RD omdat we er in de zomer even niet zijn en ik geen enkele week wil overslaan. Er zijn columnisten die hun plek tijdelijk overdragen aan een collega, maar ik hecht aan continuïteit en wil mijn lezers niet teleurstellen.


Ondertussen tekende ik voor een omslagverhaal in Max Magazine, zodat je niet alleen kunt stellen dat ik nog steeds journalist ben, maar zelfs weer heel even een áutojournalist. Het is grappig om te zien hoe snel je je oude vak weer oppakt, terwijl het toch alweer een jaar geleden was dat ik een tijdschriftartikel had geschreven. Toen ik nog in loondienst was, schreef ik er soms twee per dag, nu gerust twee per jáár. Met een basisinkomen op zak blijf je dus gewoon werken, maar je bepaalt wel je eigen tempo. Stiekem geef ik de voorkeur aan één column per week en één boek per jaar, zodat ik genoeg doe maar ook meer dan genoeg vrije tijd overhoud. Ondertussen ben ik namelijk op een leeftijd gekomen, waarop ik eigenlijk geen kostbare tijd meer wil verspillen.

Gisteren heb ik dat wél gedaan omdat ik naar een concert van Johnny Moped ben geweest. Het voert te ver om uit te leggen wie dat is en waarom ik er met alle geweld bij wilde zijn, maar ik moest er helemaal voor naar Amsterdam. Ik zeg "helemaal" want ik reed 's middags om kwart voor vijf weg en stond pas om 7 uur voor de deur van Paradiso. Toen ik nog werkte legde ik deze afstand soms vijf keer per week af, maar ik snap steeds minder goed hoe ik dat in vredesnaam volhield en ook niet wat ik mezelf daarbij vóórhield. Kortom: ik had het optreden niet willen missen, maar ik ben reuzeblij dat ik tegenwoordig mijn werk kan doen aan de keukentafel en ook helemaal zelf kan beslissen of ik zin heb om te werken.


Met het optreden van Johnny Moped sloot ik dus weer iets af (al kun je beter zeggen dat ik weer een oude jeugdheld aan mijn lijstje toevoegde), maar besloot ik ook dat ik dit echt nooit meer wilde. Het kost soms moeite om mensen uit te leggen wat dat jarenlange heen en weer gependel tussen Rotterdam en Amsterdam met mijn psyche heeft gedaan, al helpt het wel als ik er een macaber rekensommetje van maak. Zo schrijf ik in Leven van de lucht dat ik voorheen elke week langer in de auto zat op weg naar en van mijn werk dan mijn vrouw daadwerkelijk aan het werk was. Eerder had ik al eens uitgerekend dat ik elke maand twee volle werkweken onderweg was, zodat het begrip "autojournalist" in mijn geval heel letterlijk genomen kan worden.

Heel toevallig verscheen er deze week een stukje over mijn ervaringen met een basisinkomen op de website van de Vereniging Basisinkomen zonder dat ik wist dat ik voorzitter Alexander de Roo amper twee dagen later zelf zou interviewen. De weerslag van dat gesprek is binnenkort terug te vinden in datzelfde Max Magazine, want het onderwerp heeft alles te maken met de penibele situatie waarin veel werkloze 50-plussers na hun ontslag terechtkomen. Het was zo'n interessant gesprek dat ik het nauwelijks als "werk" kan betitelen, maar toch hoop ik dat ik volgende week eindelijk weer eens tijd heb om op de racefiets te stappen en een paar keer naar de film te gaan.

vrijdag 30 juni 2017

Natuurlijk moet je niet klakkeloos alles aflossen

Ruim een week geleden was ik te gast in het programma Dagwacht op NPO1. Dat is op zich niet zo bijzonder want ik ben wel vaker op de radio te horen geweest, maar deze uitzending was om twéé redenen heel speciaal. Om te beginnen was ik twee uur lang te gast, terwijl je normaal gesproken al blij mag zijn met zes minuten zendtijd. Verder vond de uitzending plaats op een onmogelijk tijdstip: tussen 4 en 6 uur in de ochtend. Toch bleken achteraf veel meer mensen het te hebben gehoord dan ik van tevoren gedacht had, want de dagen erop werd ik voortdurend aangesproken. Er was zelfs een kritische luisteraar de vond dat ik niet zomaar op de radio had mogen zeggen dat je na de eerstvolgende beurscrash bankaandelen moet inslaan.


Ik was uitgenodigd omdat het thema van deze maand "geld" was en bevond me in het gezelschap van besparingsdeskundige Marieke Henselmans. Grappig genoeg tekent zij voor het éérste citaat uit mijn boek Hypotheekvrij! dus ik wist vooraf al dat we redelijk op één lijn zitten. Terugluisterend vond ik dat we klonken als een soort ongehuwd vrekkenechtpaar en soms zelfs als een komisch duo. Niet alleen praat je iets losser dan gewoonlijk als het midden in de nacht is, er mag af en toen ook best gelachen worden als het om zoiets serieus als geld gaat. Vandaar dat ik opmerkte dat mijn familie na mijn dood natuurlijk geen doodskist hoeft te kopen van 2000 euro als ik bij leven op een tweedehands racefiets rijd van 150 euro.

Het was grappig om twee uur lang in de uitzending te zijn, waardoor het wel een radio-aflevering leek van het programma Zomergasten. Omdat het radio was (en ondanks het feit dat het midden in de nacht was) zat ik in mijn korte broek achter de microfoon, want het was die week tropisch warm en het koelde 's nachts ook niet verder af dan naar een graad of 20. Wel had ik even zitten puzzelen hoe ik het zou aanpakken qua bioritme, want om op tijd in de studio te zijn zou ik de wekker al om kwart over twee moeten zetten. Dus besloot ik de dag ervoor al om 5 uur op te staan en 's avonds om 9 uur weer naar bed te gaan.


Dat werkte wonderwel, want ik dommelde al om half tien weg zodat ik op het moment dat de wekker ging (of eigenlijk wekkers, want ik had er voor alle zekerheid drie gezet) bijna vijf uur had geslapen. De presentator had er juist voor gekozen om wakker te blijven, zodat het voor hem nog steeds woensdag was terwijl het voor ons allang donderdag was. Ondanks het tijdstip kwam ik voor mijn gevoel redelijk goed uit mijn woorden, zeker nadat ik een paar koppen koffie had gedronken. Ondertussen passeerden allerlei thema's de revue, waaronder pensioenen, hypotheken en goedkope budgetbegrafenissen (niet per se mijn lievelingsonderwerp, maar daar gaat het nieuwste boek van Marieke Henselmans over dat in september verschijnt).

De dagen erna bleek dat veel meer mensen de uitzending hadden gehoord dan ik vooraf gedacht had. In de bibliotheek werd ik spontaan aangesproken door een medewerkster die altijd de radio aanzet als ze niet kan slapen en midden in de nacht wakker word. Stomtoevallig had ze nét dat fragment gehoord, waarin ik vertelde dat je met een bibliotheekabonnement gratis alle boeken kunt lenen die je maar wilt lezen en je dus nooit hoeft te vervelen. Mijn boekhandelaar had een staartje meegepikt van de uitzending omdat hij altijd om half zes opstaat en dan meteen de radio aanzet (of misschien heeft hij zelfs wel een wekkerradio, dat kan natuurlijk ook).


Twee dagen na de uitzending werd ik zelfs op mijn vingers getikt door een kritische luisteraar die vond dat ik niet zomaar had mogen adviseren om na de eerstvolgende beurscrash aandelen in te slaan van banken en verzekeraars. Mocht er een herhaling komen van 2008, dan zullen de banken volgens hem namelijk niet gered worden met gemeenschapsgeld maar met ons eigen geld. In technische zin: er volgt dan geen bail-out, maar een bail-in,vergelijkbaar met wat er in 2013 op Cyprus is gebeurd. Dan kan het zomaar gebeuren dat iedereen met meer dan 100.000 euro op de bank de rest van zijn geld mag inleveren en kun je zelfs uitsluiten dat er banken omvallen die voorheen met staatssteun zouden zijn gered.

Mijn verweer was dat ik alleen maar had gezegd dat mijn jongste zoon (die wel eens belangstelling had getoond voor aandelen) na de volgende crash aandelen van banken mag kopen. Dat mag hij doen op mijn advies en mijn verantwoordelijkheid. Zelfs als hij daar ál zijn spaargeld insteekt, gaat het om een bedrag dat te overzien is (en dat ik hem ook kan terugbetalen als hij zijn lesje heeft geleerd en ik er helemaal naast blijk te zitten). Ik heb nadrukkelijk niet gezegd, en wil zeker ook niet niet gezegd hebben, dat iedereen straks als een blind paard zijn mandje vol moet laden met aandelen ING en Aegon als de bubbel is gebarsten. Dat kan achteraf best een goed advies zijn, maar je moet het wel in de context zien van het gesprek.

Zo weet iedereen dat ik een voorstander ben van "aflossen", maar dat wil niet zeggen dat je dat onder alle omstandigheden moet doen en ook niet zonder nadenken. Ik kan zo verschillende voorbeelden uit mijn  mouw schudden waarbij versneld aflossen helemaal niet noodzakelijk is en extra aflossen zelfs helemaal geen goed idee. Financieel advies is maatwerk en afhankelijk van leeftijd, hypotheekvorm, toekomstverwachting én toekomstplannen. Je kunt daar wel een paar algemene leefregels uit destilleren (zoals het feit dat een hypotheekvrij huis een mooie aanvulling is op je pensioen en kopen op de lange duur altijd voordeliger is dan huren), maar het is zeker niet zo dat iedereen altijd alles moet aflossen en zéker niet alleen omdat om je heen iedereen dat doet of omdat ik het zeg.

vrijdag 23 juni 2017

Hoe "rijk" moet je precies zijn om eerder te kunnen stoppen met werken?

Eerder deze week viel in Trouw te lezen dat alleen rijke mensen het zich kunnen veroorloven om eerder te stoppen met werken dan de wettelijke AOW-leeftijd. In het artikel viel te lezen dat vroegpensioen een "luxegoed" aan het worden is waar alleen "vermogenden" aanspraak op kunnen maken. Zo ontstaat de wrange situatie dat laagopgeleiden, die vaak veel éérder zijn begonnen met werken, langer door moeten werken terwijl ze meer risico lopen op arbeidsgerelateerde klachten en ook eerder versleten zijn. Dat wringt en dat is wrang, dus je zou eens goed moeten kijken naar de mogelijkheid om een soort flexibele AOW in te voeren of een recht op pensioen na 45 gewerkte jaren. Tegelijk is het misschien goed om eens in te zoomen op de vraag hoe je begrippen als "rijk" en "vermogend" in dit geval precies moet definiëren.


Dat laagopgeleiden (die doorgaans veel eerder zijn begonnen met werken en gemiddeld ook nog eens minder lang leven) langer moeten doorwerken dan mensen met een hogere opleiding en een hoger inkomen, is natuurlijk oneerlijk. Onlangs sprak ik een hovenier van 28 die dat werk inmiddels al tien jaar doet en nu al last heeft van zijn rug. Hoe zo iemand zonder kleerscheuren de pensioengerechtigde leeftijd zou moeten halen, is me een raadsel. Wie vandaag 28 is, weet dat hij minstens tot zijn 72ste door zal moeten werken voor hij recht heeft op AOW. In zijn geval weet je nu dus al dat hij dat niet gaat halen zonder zich te laten omscholen of af te laten keuren, want je praat bijna over een halve eeuw. Eerlijker zou zijn om hem na 45 dienstjaren (dus op zijn 63ste) te laten afvloeien met een soort VUT-regeling.

Lastig is wel hoe je dat precies zou moeten berekenen, want ik ben al in 1983 gaan freelancen als journalist, terwijl ik pas in 1987 een fulltime baan kreeg. Tellen die eerste vier jaar dan mee als gewerkte jaren (terwijl ik nog studeerde) of begint de teller pas te lopen op het moment dat ik 36 uur per week begon te werken? Los daarvan ben ik een extreem voorbeeld van iemand met een hogere opleiding die pas op zijn 27ste in loondienst is getreden (dus acht jaar later dan die hierboven genoemde hovenier) en veel eerder is gestopt met werken. Op het moment dat er een einde kwam aan mijn loopbaan als journalist, had ik nét 25 dienstjaren achter de rug en was ik nog 17 jaar verwijderd van mijn AOW-datum.


In zekere zin bevond ik mij toen op een merkwaardige tweesprong, want er zijn in deze maatschappij heel veel dingen die als "scheef" of "oneerlijk" bestempeld kunnen worden. Op mijn leeftijd kun je een slimme 45-plusser zijn met een HBO-diploma of een universitaire graad die nooit meer aan de bak komt (en dan maar uit pure wanhoop post gaat bezorgen en alles aanpakt wat op zijn pad komt) of je bent een geluksvogel die met vroegpensioen gaat omdat hij "rijk" is. Zoals bekend val ik min of meer in die tweede categorie, hoewel ik me categorisch verzet tegen de term "rijk". Als ik rijk ben (of vermogend, of beter gesitueerd zoals De Volkskrant dat vandaag noemt) dan hadden al mijn oud-collega's, studiegenoten, vrienden en familieleden dat inmiddels óók moeten zijn.

Op Facebook merkte iemand terecht op dat je juist moet spreken van de omgekeerde situatie: je bent rijk omdát je eerder kunt stoppen met werken. Zelf heb ik al eens in een van mijn boeken geschreven dat het veel meer met vindingrijkheid te maken heeft dan met rijkdom, want als anderhalfverdieners (weekbladjournalist en parttime basisschoollerares) hadden wij helemaal geen exorbitant gezinsinkomen. Tot wij in 2008 het roer radicaal omgooiden hielden we elke maand helemaal niet zoveel geld over, terwijl we vanaf dat moment elk jaar tussen de 15.000 en 20.000 euro wisten af te lossen. Zo daalden onze vaste lasten gestaag, terwijl we zelf langzaam gewend raakten aan een veel lagere levensstandaard.


Je kunt als krant dus schrijven dat ik met vroegpensioen ben omdat ik "vermogend" ben, maar net zo goed dat ik blijkbaar het vermogen bezit om een bevredigend leven te leiden met een veel lager inkomen. Door te suggereren dat je "rijk" moet zijn om eerder te stoppen met werken, zet je mensen dus massaal op het verkeerde been en wek je de indruk dat het slechts voor een enkeling is weggelegd. Mijn voorbeeld laat juist zien dat er veel meer mogelijk is dan je denkt, zonder dat je een vermogen bezit of dat in je schoot geworpen krijgt. Tegelijk ben je als 50-plusser natuurlijk behoorlijk de pisang als je je goedbetaalde baan verliest, terwijl je nog een aflossingsvrije hypotheek met je mee torst van 4 ton.

In die zin bevinden we ons in een schizofrene samenleving, waarbij je als hooggeschoolde oudere werkloze niet meer aan de bak komt terwijl de oudere werknemer die de dans ontspringt flink kan sparen en zelf kan bepalen wanneer hij met vroegpensioen gaat. Nog niet zo lang geleden werkte er bijna niemand meer boven de 55, terwijl we nu compleet verbijsterd reageren als een Hollywoodacteur er op zijn zestigste uit eigen beweging een punt achter zet. Het lijkt wel of we, nu we steeds langer moeten doorwerken, automatisch denken dat langer doorwerken onontkoombaar is of zelfs weldadig. In werkelijkheid is het omgekeerde het geval, hoef je helemaal niet rijk te zijn om je eigen VUT in elkaar te sleutelen en heeft Daniel Day-Lewis wat mij betreft groot gelijk.

vrijdag 16 juni 2017

Wat is eigenlijk precies de definitie van "werk" en van "pensioen"?

Toen in 2014 het boek Het nieuwe nietsdoen verscheen, kreeg ik regelmatig als reactie dat ik zelf veel te veel deed voor iemand die "nietsdoen" propageerde. Datzelfde ritueel herhaalde zich bij De omgekeerde werkweek en Het plakbandpensioen. Want hoe kun je nu zeggen dat je met pensioen bent als je wekelijks een column schrijft in de krant en stiekem alweer plannen aan het maken bent voor boek nummer 16? Misschien moeten we dus maar eens kijken naar een sluitende, of misschien wel passende definitie van "pensioen". Ondertussen ga ik elke week met opzet een paar keer overdág naar de bioscoop om te laten zien dat dat in elk geval een van de opties is met een zelfgekozen VUT.


In de reacties op dit blog zijn door sommige mensen heel interessante dingen opgemerkt over de definitie van "werk" en "pensioen". Voor de meeste mensen is het simpel: het heet werk als je ervoor betaald krijgt en anders is het een hobby of noem het vrijwilligerswerk. Wellicht kan een econoom daarmee uit de voeten (of een statistisch bureau dat stelt dat je niet werkloos bent als je tenminste één uur per week betaalde arbeid verricht), maar ik vind het een nogal povere en eendimensionale benadering. Qua tijd en inspanning (en arbeidsvreugde) maakt het voor mij niet uit of ik een betaalde column schrijf voor een krant of een gastblog voor een website waar ik niks voor krijg. Trek je dat in het belachelijke door, dan ben je met een 40-urige werkweek geen seconde aan het werk als je alles gratis weggeeft of voor niks publiceert.

Die definitie werkt dus niet, vandaar dat ik voor mezelf andere maatstaven ben gaan hanteren. Werk is wat mij betreft geen "werk" als je het voor je plezier doet, als je er lol aan beleeft en als je precies hetzelfde zou doen als je er geen cent voor kreeg. Ik ben nooit boeken gaan schrijven voor het geld (en gelukkig maar want de eerste vijf jaar leverden me precies 1000 gulden op) en beleefde net zoveel plezier aan mijn eerste ongepubliceerde manuscript als aan een bescheiden bestseller als Het nieuwe nietsdoen. Zo krijg je vanzelf de komische situatie dat ik nooit het gevoel heb dat ik werk als ik een boek schrijf, terwijl ik het tegelijk een potsierlijk idee zou vinden als iemand als Kluun zou zeggen dat hij de hele dag niets doet. Tegelijk snap ik niks van andere schrijvers die het in interviews hebben over een "worsteling" of die schrijven vergelijken met "ploeteren".


Fiscaal gezien ben ik een ZZP'er met een KvK-nummer, maar ik beschouw mezelf als een zelfstandige zonder verplichtingen. In september verschijnt Leven van de lucht, maar ik bepaal helemaal zelf wanneer ik weer aan een volgend boek begin (en ook waar dat nu weer eens over zal gaan). De grap van een zelfgefinancierd basisinkomen is namelijk dat je die keuze niet alleen zelf kunt maken, maar ook elke dag opnieuw. Vanmorgen schreef ik dit blog, maar straks ga ik lekker het gras maaien en daarna een boek lezen van Tom Lanoye. In eerdere boeken beschreef ik dus soms een situatie die ik nog aan het creëren was en waar ik naartoe aan het werken was (net zoals ik vijf jaar na Hypotheekvrij! nog steeds niet helemaal van mijn woningschuld af ben maar wel op een haar na).

Zo kon het ook gebeuren dat vorig voorjaar Het plakbandpensioen verscheen, terwijl ik strikt genomen pas op 1 mei van dat jaar daadwerkelijk met plakbandpensioen ging. Strikt genomen is ook dat slechts een kwestie van definitie, want met ingang van die datum geef ik mezelf elke maand een basisinkomen om te zien wat er gebeurt, en welke keuzes je maakt, wanneer geld niet langer de doorslaggevende factor is. Hoe je tegen het begrip "pensioen" aankijkt, hangt dus af van je eigen verwachtingspatroon maar ook van de vraag hoe je "werk" definieert en denkt over "nietsdoen" (want dat laatste is sowieso iets heel anders dan met je armen over elkaar achter de geraniums zitten).


Hoe lastig deze kwestie is (maar ook hoe leuk en inspirerend en uitdagend) laat het voorbeeld zien van een collega-auteur uit Barendrecht die op zijn 55ste zijn baan opzegde om boeken te gaan schrijven. Hij financierde dat plakbandpensioen zelf zonder er veel ruchtbaarheid aan te geven en schrijft nog steeds stug door. Wat ik náást mijn werk deed, doet hij ná zijn werk. Dus is hij nou gestopt met werken als leraar om schrijver te worden en heeft hij simpelweg een carrièreswitch gemaakt? Of is hij met vroegpensioen en gebruikt hij zijn oude dag om te doen wat hij écht wil? Beter gezegd: werkt hij nou ijverig door na zijn AOW-datum (want die is inmiddels achter de rug) of werkt hij allang niet meer?

Wat het antwoord ook is, het mag duidelijk zijn dat het niet zomaar een simpel antwoord is. Dat laat ook het hierboven afgedrukte voorbeeld zien. Voor mij is dat een perfect voorbeeld van een "plakbandpensioen", ook al heeft de man in kwestie van dat woord waarschijnlijk nog nooit gehoord. Hij bekostigt het door zijn afbetaalde huis in Amsterdam te verhuren en zelf goedkoop te wonen in Friesland. Daarnaast teren ze in op hun spaargeld en verdienen ze wat bij als postbesteller en financial coach. In de pensioenspecial van het FD worden ze opgevoerd als gepensioneerden (en wat mij betreft volkomen terecht), maar je kunt net zo goed zeggen dat ze nog steeds werken omdat ze elke dag de post rondbrengen. Het enige juiste antwoord luidt dan ook: je bent met pensioen als je dat zelf zo noemt en ook zelf zo ervaart.