Zoeken

donderdag 18 mei 2017

Wat gebeurt er als je elke vijftigplusser een basisinkomen geeft?

Maandag 22 mei a.s. wordt de eerste aflevering uitgezonden van een tweedelige special van het televisieprogramma Radar. Daarin staat de vraag centraal hoe je de hardnekkige werkloosheid onder vijftigplussers het beste kunt aanpakken, een thema dat in mijn boeken met enige regelmaat terugkeert. Interessant genoeg komen ze daarbij op de proppen met een oplossing die ik in mijn vólgende boek uitgebreid uit de doeken doe. Wat zou er namelijk gebeuren als je een basisinkomen gefaseerd invoert, te beginnen bij werkloze ouderen? Storten die zich dan allemaal op vrijwilligerswerk of stort de economie in?


In de eerste special van Radar, die gewijd was aan hypotheken en begin vorig jaar werd uitgezonden, was ik zelf te gast. Het zou dus een tikje merkwaardig zijn geweest om mij opnieuw te interviewen (zeker omdat ik inmiddels ook een vaste column heb in het tijdschrift Radar+), terwijl ik aan de andere kant van alles te vertellen heb over dit onderwerp. In 2012 was ik namelijk zelf een werkloze vijftigplusser die aanhikte tegen een pensioengat van 17 jaar en werkzaam was in een sector waar de klappen het hardst aankwamen. Inmiddels ben ik met "plakbandpensioen" en betaal ik mezelf elke maand een basisinkomen uit van 1000 euro netto.

Dat is precies het bedrag waar Antoinette Hertsenberg het over heeft in het grote interview in de nieuwe Varagids. Een van de oplossing die in de documentaireserie wordt aangedragen is namelijk een basisinkomen voor werkloze vijftigplussers. In het bewuste interview wordt gesproken over een experiment met 55 vijftigplussers, hoewel dat net zo goed een soort spraakverwarring kan zijn tussen journalist en geïnterviewde. Waarschijnlijk wordt bedoeld dat je zou kunnen denken aan een experiment met werkloze 50-plussers óf 55-plussers, al zal het dan eerder gaan om een soort regelvrije bijstand dan om een écht basisinkomen voor iedereen.


Persoonlijk ben ik heel benieuwd met welke conclusies de makers op de proppen komen. De verslaggeefster van de Varagids (zelf 48 jaar) springt alvast een gat in de lucht van blijdschap bij het vooruitzicht om op je vijftigste met pensioen te gaan en vanaf dat moment alleen nog dingen te doen die je leuk vindt. Antoinette Hertsenberg antwoordt daarop dat er maar weinig mensen zijn die met een basisinkomen op zak "thuis op de bank willen zitten". Dat is een interessante opmerking, omdat het daardoor net lijkt of je als mens alleen maar kunt kiezen tussen twee uitersten: werk (en vrijwilligerswerk) óf met de armen over elkaar achter de geraniums.

Hertsenberg baseert die conclusie op de gesprekken die ze voor het programma gevoerd heeft met werkloze vijftigplussers. Dat zijn dus mensen die wanhopig op zoek zijn naar een baan (omdat ze anders hun rekeningen niet kunnen betalen en misschien wel hun huis uit moeten) en die ook geacht worden actief op zoek te zijn naar werk. Die groep heeft het gevoel langs de kant te staan, voelt zich afgedankt, krijgt afwijzing na afwijzing, profiteert als enige niet van het economisch herstel waar in de media over wordt gesproken en wordt voortdurend achter de vodden gezeten door het UWV of de Sociale Dienst.


Wat die groep zou doen met een onvoorwaardelijk basisinkomen op zak weet je niet en kom je ook niet te weten door ze aan te spreken als ze nog in een totaal andere situatie zitten. Met een beetje overdrijving zou je kunnen zeggen dat een dergelijk onderzoek net zoveel voorspellende waarde heeft als het interviewen van langgestraften in de gevangenis over hun vakantieplannen. Die gaan natuurlijk nergens heen omdat ze nergens heen kunnen en willen daar niet eens over fantaseren omdat dat veel te pijnlijk is. Op dezelfde manier gaat een werkloze vijftiger van wie de WW-uitkering binnenkort afloopt, natuurlijk niet ontspannen en zonder enig schuldgevoel met een kop koffie en een krant in de tuin zitten.

Hertsenberg heeft gelijk dat vijftigers helemaal niet uitgeblust en opgebrand zijn (en, net als haar 58-jarige echtgenoot, nog "superactief"). Wat echter vaak vergeten wordt is dat je ook een heel actieve levensstijl kunt hebben zonder bestuursfuncties en betaald werk. Zo moet je niet uitsluiten dat vijftigers met een basisinkomen op zak misschien nog wel een paar betaalde opdrachten aannemen voor de slagroom op de taart, maar hun tijd verder prima weten te vullen met lezen, kanoën, musea bezoeken, bij vrienden langs gaan, fietsen, schilderen, tuinieren, wandelen, puzzelen en voetballen. Kijk maar eens wat er gebeurt als je een niet-werkende vijftigplusser 1000 euro netto per maand uitkeert én een abonnement waarmee hij onbeperkt naar de bioscoop kan...

dinsdag 9 mei 2017

Van bleek kantoorkneusje tot blakend buitenmens

In tegenstelling tot wat de kop suggereert, gaat dit blog in de eerste plaats over dieren en pas in tweede instantie over mensen. Sinds een paar maanden zijn we namelijk in het bezit van twee katten uit hetzelfde nest en het is heel leerzaam en interessant om hun gedrag te observeren. Niet alleen blijken deze huisdieren experts in "het nieuwe nietsdoen", ze hebben een ware transformatie ondergaan sinds ze naar buiten mochten. Dat contrast is zo opvallend, dat je je af zou moeten vragen hoe "natuurlijk" wij mensen ons leven hebben ingericht en welke impact al dat getuur op een scherm op onze geestelijke en lichamelijke conditie heeft.


In mijn nieuwe boek vertel ik hoe wij ineens aan twee poezen komen, want dat was helemaal niet de bedoeling toen ik twaalf maanden geleden met plakbandpensioen ging. Soms lijkt het wel of heel andere krachten ons leven hebben overgenomen en er ook steeds meer plek is voor onverwachte gebeurtenissen sinds ik leef van een zelfgefinancierd en zelfbenoemd basisinkomen. Daar horen nadrukkelijk ook deze twee katten bij die door een keten van toevalligheden in ons gezin terecht kwamen en aanvankelijk zo schuw en gestrest waren dat ze alleen onder de bank tevoorschijn kwamen om te eten.

Vermoedelijk zijn ze afkomstig uit een huishouden waar de borden tegen de muren vlogen vanwege een vechtscheiding, al dan niet veroorzaakt door financiële problemen. Dat zou in elk geval hun schrikachtige gedrag verklaren en hun angst voor ruisende winterjassen en rammelende luciferdoosjes. In het begin hoefde je maar naar de kapstok te wijzen of ze vlogen onder de kast om daar bibberend te kijken wat voor verschrikkelijks er nu weer te gebeuren stond. Dat duurde enkele maanden, tot ze zich hier langzaam thuis begonnen te voelen en steeds meer op hun gemak raakten. Inmiddels zijn ze al zover dat ze niet meer van schrik tegen het plafond springen als je een keer niest of je neus ophaalt.


Tot voor kort waren het echter huisdieren in de meest letterlijke zin: ze zaten soms uren in de vensterbank achter het raam, maar waren met geen stok naar buiten te krijgen. In het begin hielden we ze bewust binnen om ze aan ons en aan hun nieuwe omgeving te laten wennen, maar al snel bleek dat ze geen enkele aanvechting hadden om de tuin te verkennen. Tot de oudste en de grootste een keer naar buiten glipte en zijn zusje na tien minuten zijn voorbeeld volgde. Sindsdien zijn ze de de hele tijd buiten en komen ze alleen binnen om te eten en bij te slapen op de bank. Je kunt ook zeggen dat ze onherkenbaar zijn veranderd.

In plaats van op een dekentje te liggen op een stoel of op de vensterbank boven de verwarming, rennen ze door de tuin, springen over schuttingen en drinken water uit de sloot. In korte tijd zijn ze veel zelfverzekerder en assertiever geworden en zitten ze letterlijk beter in hun vel want hun vacht lijkt zelfs meer te glanzen. Waarschijnlijk vind je dat soort observaties terug in het eerste de beste informatieve poezenboek dat je openslaat, maar het is heel interessant en leerzaam om dat soort gedragsveranderingen met eigen ogen gade te slaan. het zou me zelfs niets verbazen als buitenkatten (want zo durf ik ze inmiddels wel te noemen) langer leven dan huiskatten, zolang ze tenminste niet doodgereden worden.


Wat voor katten geldt, geldt waarschijnlijk in dezelfde mate voor mensen. Onlangs las ik een interview in het FD met schrijver Douglas Coupland, die schetst hoe de gemiddelde werknemer op kantoor acht uur op zijn werk naar een scherm zit te staren en na thuiskomst nog eens een paar uur doorbrengt achter weer een ander scherm. De enige "organische" gebeurtenis die je dan als mens hebt gehad is volgens hem het reizen naar en van je werk en het eten van de avondmaaltijd (hoewel je dat in principe ook voor de tv kunt doen, net zoals je in de trein naar je werk ook meer met je smartphone bezig bent dan met de wereld om je heen). In die zin zijn we een soort oermensen die zonder het te beseffen onderdeel vormen van een omvangrijk en misschien wel levensgevaarlijk laboratoriumexperiment.

Ondertussen zijn we labiel, opgebrand, depressief, allergisch voor van alles en nog wat en in algemene zin tamelijk ontevreden met ons leven. De menselijke geest is zo knap en vindingrijk dat die bemande missie naar de planeet Mars er straks waarschijnlijk wel echt komt als we de laatste praktische en technische obstakels hebben overwonnen, net als de eerste echte ruimtekolonie op diezelfde onherbergzame planeet. Ik hoef echter alleen maar even naar die twee geadopteerde poezen te kijken die in de tuin aan het ravotten zijn en zelfs alweer hun eerste muis hebben gevangen, om te beseffen dat ook mensen niet zijn gemaakt om langdurig te worden opgesloten in een kantoor of een koepel of zich in de meest letterlijke zin af te schermen van de buitenwereld.

woensdag 3 mei 2017

De eerste twaalf maanden met een basisinkomen zitten erop

Afgelopen maandag was een historische dag. Precies een jaar geleden, op 1 mei 2016, begon het vijf jaar durende experiment waarbij ik mezelf elke maand 1000 euro netto uitkeer bij wijze van basisinkomen. Dat geld is weliswaar afkomstig van mijn eigen spaargeld en niet van een of andere uitkeringsinstantie, maar toch kan ik zo aan den lijve ervaren wat het met je doet als je elke maand "gratis geld" ontvangt. Er zijn méér mensen die 12 maanden van een soort basisinkomen leven of hebben geleefd (denk aan Frans Kerver en Anne van Dalen), maar ik plak er nog eens 48 maanden aan vast en heb al een Plan B klaarliggen voor de periode daarna. In mijn volgende boek doe ik verslag van mijn ervaringen in dat eerste jaar.


Grappig genoeg begon het experiment vorig jaar op precies dezelfde plek waar ik nu óók verbleef op 1 mei: in een eeuwenoude boerderij op een berghelling in Frankrijk. Net als toen zagen we in een paar dagen tijd alle vier de seizoenen voorbij komen, zodat we tijdens onze vakantie konden mountainbiken in de sneeuw én buiten lezen in het zonnetje. De week leek daardoor wel twee keer zo lang te duren en maakte een onuitwisbare indruk die geheel losstaat van mijn experiment maar er wel een stempel op drukte.

Tijdens een van mijn fietstochten zag ik in het struikgewas een ree wegvluchten voor een blaffende hond. Tenminste, dat dacht ik in eerste instantie tot ik ontdekte dat het dier zélf dat geluid produceerde en waarschijnlijk alleen maar van mijn aanwezigheid geschrokken was. Even later remde ik net op tijd om te zien hoe iets verderop twee reeën doodgemoedereerd op het bospad aan overhangende boomtakken aan het knagen waren. Het waren de enige levende wezens die ik tijdens mijn tocht tegenkwam, want er waren nergens wandelaars of fietsers te bekennen (behalve de mensen met wie ik op pad was als ik er niet in mijn eentje op uittrok).


 De schoonheid van de natuur, de leegte en de stilte (het enige geluid was dat van smeltende sneeuw die van boomtakken schoof) vielen op geen enkele manier te rijmen met het dagelijks leven thuis en de al even dagelijkse drukte. Dat contrast is zo groot en ook zo onverdraaglijk, dat ik er eigenlijk alleen maar vrede mee kan hebben doordat ik tegenwoordig na mijn vakantie niet meer aan hoef te sluiten in de file maar in plaats daarvan op de fiets kan stappen naar de film (of me gewoon nog eens lekker om kan draaien in bed omdat het miezert).

Een basisinkomen maakt je leven dus meteen al een stuk draaglijker, omdat je niet meer hoeft te doen wat je wordt opgedragen en je in principe elke dag lekker zou kunnen gaan fietsen (met als extra bonus dat het op doordeweekse dagen overal een stuk rustiger is). Je kunt ook zeggen dat de vakantie na de vakantie gewoon doorgaat, zodat je niet met een knoop in je maag aan de thuisreis begint maar er thuis gewoon nog een paar vrije dagen aan vastknoopt.


Van helemaal niksdoen (of het nieuwe nietsdoen) is echter geen sprake, want mijn nieuwe boek moet binnenkort richting uitgever en de puntjes moeten nog op de "i" worden gezet. Pas nu die eerste twaalf maanden écht voorbij zijn , kan ik namelijk vertellen hoe dat eerste jaar is bevallen, wat er allemaal in mijn leven is veranderd en wat ik de komende 48 maanden allemaal nog van plan ben. Dat verklap ik natuurlijk niet op deze plek, maar ik kan alvast wel zeggen dat een basisinkomen een hele verrijking is.

In dat kader is het wel een tikje wrang dat het experiment dat op 1 mei in Utrecht van start zou gaan met een soort regelarme bijstand is uitgesteld omdat de overheid dwarsligt en weigert de regels te versoepelen. Ook Terneuzen gooide om die reden eerder al de handdoek in de ring, terwijl dit soort bescheiden proeven slechts heel in de verte iets te maken hebben met het idee van een gegarandeerd en onvoorwaardelijk basisinkomen. Doel blijft in alle gevallen om mensen zo snel mogelijk weer aan het het werk te krijgen, terwijl ik alleen maar wil kijken of het werkt.


maandag 24 april 2017

8 bioscoopfilms in 3 weken tijd

Toen ik eind december een Cinevillepas bestelde voor 19 euro per maand, had ik geen idee hoe dat zou gaan uitpakken. Ik wist dat ik er minstens drie maanden aan vast zat, maar ik had er geen rekening mee gehouden dat ik al snel niet meer zonder zou kunnen. De eerste drie weken van april zag ik zelfs zoveel films dat ik me bijna af begin te vragen hoe ik vroeger eigenlijk mijn vrije tijd doorbracht. Als ik in dit tempo doorga, staat de teller na 365 dagen op meer dan 100 films en ben ik in één jaar vaker in de bioscoop geweest dan in alle voorgaande jaren bij elkaar opgeteld. Het grappige is dat die bioscoopverslaving niet alleen mijn kijkgedrag heeft veranderd en mijn kijk op de wereld, maar ook mijn leesgedrag 


De laatste film die ik zag (maar zeker niet de láátste) was 20-th Century Women. Eerlijk gezegd twijfelde ik er een beetje aan of ik die aan mijn lijstje zou toevoegen want op de Internet Movie Database kreeg hij van verschillende recensenten het rapportcijfer 2. Er zou geen verhaal in zitten en het zou allemaal veel te langdradig en eentonig zijn. Daar stond tegenover dat hij in de Volkskrant vier sterren kreeg en ook elders goed werd besproken. Het feit dat de film zich in 1979 afspeelt sprak me op voorhand wel aan, net als de wetenschap dat de vrouwelijke hoofdpersoon net zo oud is als ik en een zoon heeft van ongeveer dezelfde leeftijd als onze jongste.

Dus ging ik eerst op woensdag naar Their Finest (drie sterren) en op donderdag naar Get Out (ook drie sterren) voordat ik op vrijdag als derde keus een kaartje "kocht" voor 20-th Century Women en compleet van mijn stoel geblazen werd. Dat gebeurt natuurlijk vooral bij films waar je het minst van verwacht, maar wat mij betreft klopte in dit geval alles: het acteerwerk, het decor, de muziek, de psychologie. Niet alleen vind ik hem de volle 5 sterren waard, de kans is groot dat ik hem zelfs nóg een keer ga bekijken. Dat doe je namelijk ook veel makkelijker als je voor een vast bedrag per maand onbeperkt naar de film mag. Eerder zag ik Arrival al dubbel en naar A Monster Calls ging ik zelfs twee keer in dezelfde week.


Ik heb geen idee hoe dit alles zich verder gaat ontwikkelen, want straks wordt het mooi weer en dan heb je wel wat beters te doen dan jezelf een paar uur opsluiten in een donkere bioscoopzaal. Maar misschien fiets ik dan wel op mijn gemak na het avondeten naar de bioscoop in plaats van op klaarlichte dag. Get Out bijvoorbeeld zag ik zo vroeg op de dag dat ik al om kwart voor negen 's ochtends op mijn fiets stapte en tussen de scholieren en forenzen naar Rotterdam peddelde. Ik kom op deze manier niet alleen veel frequenter in de bioscoop, maar ook oneindig veel vaker in mijn geboortestad. Nu al verheug ik me erop om in de zomermaanden in mijn korte broek door de stad te sjezen en onderweg ergens een ijsje te kopen.

Waar dit allemaal toe gaat leiden, weet ik dus nog niet maar het zou zomaar kunnen dat ik straks 100 films in één jaar heb gezien (en dus ook 100 van de 365 dagen naar de film ben geweest). Dat is natuurlijk absurd, maar het is tegelijk zo'n radicale breuk met mijn vorige leven (en zelfs met vorig jaar) dat het tegelijk ook aanvoelt als één groot, opwindend avontuur. Zo bekeken is die 19 euro per maand een koopje, al ving ik ook een gesprek op aan de kassa van Kino waarin iemand ter sprake kwam die een Cinevillepas voor zijn verjaardag had gekregen en er tot op heden nul keer gebruik van had gemaakt. Het zal me dus benieuwen of de nieuwigheid er voor mij ook afgaat of dat dit een verslaving is voor de rest van mijn leven.


Het leuke is wel dat je op deze manier steeds weer iets hebt om je op te verheugen. Niet alleen bekijk ik elke dinsdag welke film ik die vrijdag ga zien, ik kijk soms ook reikhalzend uit naar titels die pas over een paar maanden in roulatie gaan. Daar komen steeds weer nieuwe bij, net zoals je voor elk hoofdprogramma wel weer een trailer voorgeschoteld krijgt van een andere film die er óók best interessant uitziet. Dat kan soms tegenvallen, maar na een paar redelijke of middelmatige films zit er altijd wel weer een knaller of een klassieker tussen. Bovendien geeft het niks als een film een tikje teleurstelt, want dan ga je gewoon de volgende dag weer naar een andere.

Eerder schreef ik al dat ik na het zien van elke film die gebaseerd is op een boek, naar de bibliotheek ga om een andere titel te lenen van dezelfde schrijver. In afwachting van Alone in Berlin (die deze donderdag in première gaat) haalde ik uit de bieb niet alleen het boek Alleen in Berlijn van Hans Fallada, maar ook Een waanzinnig begin dat hij vijf jaar later publiceerde. Ik moet ze allebei nog lezen, maar verheug me nu al op zowel beide titels als op de bijbehorende film (en op al die andere films over WO2 die deze meidagen allemaal nog moeten uitkomen).

maandag 17 april 2017

Journalist in de voltooid verleden tijd

Vorige week werd ik geïnterviewd door een journalist die mij vroeg waarom ik in mijn boeken wel vertel welk werk ik voorheen heb gedaan maar niet precies bij welke werkgever en welk tijdschrift. Daar kan ik een heleboel antwoorden op geven (die ook allemaal waar zijn), maar waar het vooral op neerkomt is dat voor het verhaal dat ik wil vertellen niet belangrijk genoeg is. Als ik achterom kijk - en dat doe je vanzelf als je oude plakboeken doorbladert en je knipselarchief opruimt - dan lijkt mijn werk steeds minder een levensvervulling en steeds meer een hinderlijke onderbreking tussen mijn studententijd en mijn huidige bestaan. In een van mijn boeken vergeleek ik mijn werk met een zandkasteel dat je ingespannen en aandachtig hebt opgebouwd en dat vervolgens met één golf wordt weggevaagd.


Mijn ervaring is dat gesprekken over mijn laatste boek (en daarmee bedoel ik Het plakbandpensioen want Leven van de lucht verschijnt pas in september) een beetje heen en weer zwalken tussen twee onderwerpen. Aan de ene kant kun je mij het hemd van het lijf vragen over de vraag hoe ik mijn pensioengat van ruim vijftien jaar hoop te overbruggen - en ook hoe andere mensen van mijn leeftijd dat proberen te doen of zouden kunnen doen - aan de andere kant kun je heel veel focus leggen op het belang van betaald werk en de vraag waarom je daar überhaupt voortijdig en vrijwillig mee zou willen stoppen. Werk kan immers ook leuk zijn, geeft energie, zorgt ervoor dat je iets bijdraagt aan de maatschappij en ga zo maar door.

Zo ben ik dus aan het uitleggen uit welke potjes ik de dagelijkse boodschappen betaal, terwijl ik me ook moet verdedigen voor het feit dat ik ik het al op mijn 55ste voor gezien hield. Heel vaak zeggen mensen een tikje verwijtend dat ik "maar" 25 jaar in loondienst gewerkt heb, terwijl ik van mening ben dat daar geen regels voor bestaan en ik achteraf gezien best nog wel wat eerder had willen stoppen. Bovendien werkte ik al als journalist in 1983, toen ik nog aan het studeren was zodat ik meer dan dertig jaar lang mensen heb geïnterviewd, platen heb gerecenseerd en reportages heb geschreven. Het was leuk werk en een afwisselend bestaan, maar ik heb het tegelijk lang genoeg gedaan.


In mijn volgende boek vertel ik dat ik mezelf erop betrap dat ik steeds vaker zeg dat ik journalist "ben geweest". Strikt genomen ben je als vaste columnist (van een krant en een tijdschrift) óók een soort journalist, maar ik ben geen razende reporter meer die vragen stelt met een memorecorder op tafel. Met een basisinkomen op zak kún je die keuze ook maken, omdat je elke maand toch al genoeg geld hebt om alle vaste lasten te betalen en in je basisbehoeften te voorzien. Mijn stelling (en mijn stellige overtuiging) is dan ook dat je pas écht kunt zeggen of je werkt voor het geld of niet op het moment dat geld geen rol meer speelt of in elk geval geen doorslaggevende rol.

Afgelopen week ben ik begonnen met het opruimen van mijn knipselarchief. Daar had ik eerder al een begin mee gemaakt, maar deze keer ben ik twee keer op en neer gereden naar de papiercontainer met in totaal minstens een meter aan dossiermappen (als je op elkaar zou stapelen). Je kunt dat beschouwen als een soort voorjaarsschoonmaak, hoewel het meer te maken had met het feit dat de eerste ruwe versie van mijn nieuwe boek af is. Pas op zo'n moment heb je weer ruimte in je hoofd voor dit soort zaken, omdat het verhaal zo goed als af is en je brein min of meer blanco. Tussen die mappen vond ik ook twee plakboeken terug met daarin mijn eerste schrijfsels uit de periode 1983 en 1987.


Hoewel het leuk was om die artikelen (uit De Groene Amsterdammer) terug te lezen, bezorgde het me ook een gevoel van intense vermoeidheid. Door die jaartallen besef je namelijk opeens weer hoe lang je het werk al doet en hoe ontzettend vaak je al met een vragenlijstje op zak naar een artiest, een schrijver, een BN'er of een buitenlandse beroemdheid bent gesjokt. In mijn geval schommelt het antwoord tussen "vaak genoeg" en "veel te vaak", zodat ik niet alleen ijverig doorga met het dumpen van mijn knipsels maar ik ook de aanduiding "journalist" in mijn Twitterprofiel heb geschrapt. In zekere zin ben ik altijd al in de eerste plaats een schrijver geweest en was dit gewoon een ontzettend leuke en interessante surrogaatbaan.

Maar - en nu komt het - het was ook een beetje een surrogaatleven, een tweedehands en tweederangs bestaan waarin veel te veel kostbare tijd werd opgeslokt door files, het voorbereiden en uittikken van interviews en het uitknippen en sorteren van knipsels. Als je jong bent, maakt dat geen lor uit want dan denk je dat je onkwetsbaar bent en onsterfelijk. Op deze leeftijd begin je echter te beseffen dat je leven eindig is en dat tijd een kostbaar goed is. Aan de ene kant bent ik de laatste tijd dus vooral tijd aan het inhalen (bijvoorbeeld door dit jaar minstens 80 keer naar de bioscoop te gaan) aan de andere kant maak ik elke keer weer, en ook elke dag opnieuw, een bewuste afweging waaraan ik mijn tijd het liefst wil besteden.

donderdag 6 april 2017

Liever een tuin zonder huis dan een huis zonder tuin

In een van mijn boeken schrijf ik dat ik liever een klein huis zou willen hebben met een grote tuin dan omgekeerd. Dat is niet zomaar een woordspelletje, maar een prima manier om in kaart te brengen wat je nou eigenlijk écht wil en écht belangrijk vindt in het leven. Zo zou ik best bereid zijn om vanaf nu nooit (als in: echt nooit meer) op vakantie te gaan als dat de enige manier was om 365 dagen per jaar een soort vakantiegevoel te hebben. In mijn volgende boek ga ik nog een klein stapje verder door de vraag op te werpen of je meer hebt aan een tuin zonder huis dan aan een huis zonder tuin. Geen theoretisch dilemma, want in mijn eigen woonplaats staat momenteel 1000 m2 tuin te koop waarop je nog geen hondenhok mag plaatsen.


In mijn volgende boek (dat gepland staat voor september) haal ik comedian Pieter Derks aan die in een interview in het blad Buitenleven aangaf - of misschien wel grapte - dat je meer hebt aan een tuin zonder huis dan aan een huis zonder tuin. Vervolgens vraag ik me hardop af wat ik zou doen als ik écht voor die keuze stond. Zou ik liever als een god in Frankrijk leven in een tent op een halve hectare grond ergens in de natuur dan in een appartement ergens op zes hoog met alleen een Frans balkon? In de wintermaanden heb je natuurlijk het meest aan die laatste optie (omdat het dan sowieso weinig uitmaakt waar je woont), maar zodra het mooi weer is wil ik op elk willekeurig moment naar buiten kunnen stappen.

Hoewel ik het alleen maar noem als theoretische optie omdat je met een basisinkomen op zak allerlei onverwachte en verrassende keuzes kunt maken, keek ik toch met een andere blik naar bovenstaande advertentie. Zo vaak gebeurt het namelijk niet dat er hier in de buurt een stuk tuin te koop staat, zeker niet op zo'n schitterende plek aan het water. Dat de makelaar spreekt van een "unieke kans" is dus niet meer dan terecht, maar de vraag is natuurlijk wat je vervolgens gaat doen met een stuk grond waarop niet gebouwd mag worden. Ga je zoeken naar listige manieren om er tóch te kunnen overnachten of rijd je op elke mooie dag op je fiets naar je eigen privé-park? En wat mag dat eigenlijk kosten per vierkante meter?


Die laatste vraag heb ik hierboven meteen maar beantwoord, hoewel ik hem voor de aardigheid ook aan vrienden en familie heb gesteld (die meestal gokten dat het perceel 50.000 euro moest kosten). In werkelijkheid betaal je omgerekend 200 euro per vierkante meter en voor dat bedrag kun je elders in ons land waarschijnlijk nog wel ergens een perceel bóuwgrond kopen. Het aankoopbedrag zal ook uit eigen zak moeten worden betaald, want geen enkele bank leent jou zomaar twee ton voor een stuk gras met een paar bomen en bloemperkjes erop. Vraag is ook of er mensen zijn die dit als een goede investering zien.

Zelf zag ik meteen wel een paar mogelijkheden. Zo ligt de tuin aan het water, dus je kunt er vast wel een bootje kwijt dat groot genoeg is om in te slapen. Verder zou je er in de zomer kunnen kamperen en is het maar de vraag hoe moeilijk de gemeente doet als je er een tiny house op zet of een camper (of een soort blokhut in de vorm van een schuurtje of misschien zelfs wel een volwassen boomhut in een van die bomen). Ideaal is het niet, maar hou bij dat alles dat eerder genoemde appartement zonder balkon in gedachten. Hier kun je niet alleen zonnebaden, tuinieren en luieren, maar ook elke dag pootjebaden in de rivier.


Wat de gedachte achter de advertentie precies is, weet ik niet want het stuk grond maakt nu nog deel uit van een tuin die hoort bij een villa die elders in dezelfde folder te koop staat voor meer dan een miljoen. Zijn er misschien mensen die graag aan het water wonen zonder een enorme tuin om te onderhouden (en dus liever kiezen voor een groot huis met een kleine tuin) of is er iets anders aan de hand? Persoonlijk zou ik dan toch liever dat huis hebben én die lap grond, al was het maar omdat je je waarschijnlijk ook wel een tuinman kunt veroorloven als je in deze prijsklasse zoekt en buitenruimte een garantie is voor rust en privacy.

Zelf heb ik geen interesse, omdat ik al een heerlijk tuin heb op een schitterende plek, maar anders was ik er zeker even langs gefietst en was ik ijverige verder gaan fantaseren. Want je kunt ook zelf in een bootje gaan wonen, terwijl je kinderen in een boomhut slapen of desnoods in een daktent op een auto. Het is allemaal wat onorthodox, en het is soms letterlijk een kwestie van kamperen en improviseren, maar het klinkt allemaal even avontuurlijk en zorgt gegarandeerd voor dat permanente vakantiegevoel waar ik inmiddels helemaal verslaafd aan ben geraakt.

woensdag 29 maart 2017

Dáárom moet elke huizenbezitter het boek Hypotheekvrij! lezen

De AFM maakt zich zorgen over de nog steeds grote groep huizenbezitters met een geheel of gedeeltelijk aflossingsvrije hypotheek. Samen met twee grote banken denkt de toezichthouder na over de vraag hoe men die groep ertoe kan aanzetten in actie te komen en extra te gaan aflossen. Een oplossing is nog niet gevonden, hoewel het waarschijnlijk enorm zou helpen als ze al die mensen een exemplaar zouden opsturen van mijn boek Hypotheekvrij! Zelf doe ik dat boek nooit aan iemand cadeau zonder de disclaimer dat ze na lezing gegarandeerd gaan aflossen (net zoals mensen na lezing van De omgekeerde werkweek meestal ook in deeltijd willen gaan werken).


Natuurlijk is de kop boven het artikel zwaar aangezet, al was het maar omdat de hoogleraar die geciteerd wordt het heeft over een "tijdbommetje". Niet elke aflossingsvrije hypotheek levert aan het einde van de looptijd problemen op, al was het maar omdat er vaak helemaal geen sprake is van een afgebakende looptijd. Zelfs had ik ooit twee van dat soort leningen en die zouden gewoon door zijn gelopen tot mijn dood als ik niet tussentijds had afgelost. De ene liep volgens de bepalingen door tot "datum aflossing", nummertje twee tot het jaar waarin ik theoretisch honderd zou zijn geworden. Van een aflossingsvrije hypotheek kom je dus nooit af, maar je hoeft ook niet per se na dertig jaar je huis te verkopen.

Belangrijk is dus om niet alleen na te denken over het hoe en wat van je aflossingsvrije hypotheek, maar ook om na te kijken wat daarover precies in je papieren staat. Ooit sprak ik een vrouw die heel blij vertelde dat ze kort daarvoor een aflossingsvrije hypotheek had afgesloten met een looptijd van 30 jaar, zonder dat ze antwoord kon geven op mijn vraag wat er ná die dertig jaar zou gebeuren. Soms verlengt de bank de hypotheek zonder problemen, maar het kan ook dat ze opnieuw naar je inkomen kijken en tot de conclusie komen dat dat tekort schiet. In dat geval zul je een deel van de schuld in één klap moeten aflossen of je huis inderdaad te koop moeten zetten.


Wie mijn in 2012 verschenen boek heeft gelezen, wéét dat allemaal en zal op tijd maatregelen proberen te nemen. Ik overdrijf niet als ik zeg dat ik wekelijks mailtjes krijg van mensen die vertellen dat ze door dat boek versneld zijn gaan aflossen of hun grote dure huis hebben ingeruild voor een kleiner en goedkoper exemplaar. Deze week nog las ik het verhaal van een man van 26 die elke maand 1200 euro extra aflost en op die manier over een jaar of zes in een hypotheekvrij appartement hoopt te wonen (hoewel zijn omgeving hem voor gek verklaart omdat hij dat geld niet uitgeeft aan vakanties en dure auto's).

Florius stuurt haar klanten met een aflossingsvrije hypotheek in sommige gevallen naar een adviseur en vergoedt de helft van de kosten, terwijl ze dus ook gewoon 9 euro 95 zouden kunnen uitgeven (plus porto) om hun klanten te verblijden met een gratis boek. Er zullen best huizenbezitters zijn die mijn boek na lezing schouderophalend bij het oud papier gooien, maar in de meeste gevallen zullen ze een goed gesprek voeren met hun partner en maatregelen nemen. Zelf ben ik in 2008 gaan aflossen en daar heb ik nog geen dag spijt van gehad (zeker niet omdat ik straks tien jaar voor mijn AOW-datum helemaal hypotheekvrij ben).


Het zou natuurlijk ironisch zijn als banken je nu gaan vertellen wat ze volgens de omslag van de eerste druk juist niet vertelden, maar de tijden zijn nu eenmaal veranderd. Tegelijk heeft nog steeds 30% van álle huizenbezitters een volledig aflossingsvrije hypotheek en dan praat je over meer dan 200 miljard. Vooral huishoudens die hun hele hypotheek aflossingsvrij hebben gefinancierd, niets hebben gespaard en geen erfenis in het verschiet hebben, kijken straks waarschijnlijk raar op hun neus en lopen het risico dat ze noodgedwongen moeten verhuizen of opeens geconfronteerd worden met torenhoge lasten omdat de HRA na dertig jaar vervalt en de bruto lasten op eigen kracht moeten worden betaald.

Hoogleraar Johan Conijn wijst erop dat mensen liever niet nadenken over de einddatum van hun hypotheek, net zoals ze ook niet nadenken over hun pensioen. Dat is heel menselijk en psychologisch goed verklaarbaar, maar grappig genoeg werkt het ook andersom. Dat ik nu, op mijn 55ste, in feite al met pensioen ben heeft alles te maken met het feit dat ik een kleine tien jaar geleden als een dolle ben gaan aflossen. Wie gaat morrelen aan de einddatum van zijn hypotheek, gaat vanzelf ook morrelen aan zijn pensioendatum en kan ik het gunstigste geval veel vroeger van zijn vrijheid gaan genieten in een volledig afgelost huis.