Zoeken

zondag 23 september 2018

Waarom zou je (M/V) eigenlijk per se carrière willen maken?

De laatste tijd wordt er weer met alle macht op vrouwen ingepraat en aan hen getrokken om vooral méér uren te gaan draaien. Daarbij hoor je steevast dezelfde versleten argumenten: het brengt meer geld in het laatje voor de overheid, je bent het aan de maatschappij verschuldigd en je hoeft niet de bijstand in als je relatie onverhoopt strandt. Bovendien kun je in deeltijd nooit de top bereiken. Vraag is echter hoe erg dat laatste is, want zelf heb ik ook nooit mijn best gedaan om hogerop te komen.


Laat ik voorop stellen dat iedereen zo veel en zo hard en zo lang mogelijk mag werken als hij/zij zelf wil. Wie mijn boeken heeft gelezen, weet dat ik me sterk maak voor zelfbeschikking, persoonlijke vrijheid en eigen keuzes. De heersende trend is echter dat er van alle kanten aan mensen getrokken wordt om de handen uit de mouwen te steken en liefst fulltime aan de slag te gaan. Mannen doen dat meestal al uit zichzelf, dus vooral vrouwen zijn het doelwit van overheidscampagnes, peer-pressure en persoonlijke columns die inspelen op hun angst of schuldgevoel.

Daarbij krijgen 'deeltijdprinsesjes' die 'teren op de zak van hun partner' (niet mijn woorden), regelmatig te horen dat ze een carrière wel kunnen vergeten als ze parttime werken en op deze manier ook nooit de top zullen bereiken. Het verklaart de moeite die het vaak kost om voor leidinggevende functies en raden van bestuur voldoende geschikte vrouwelijke kandidaten te vinden, maar het gaat geheel voorbij aan de vraag waarom je met alle geweld steeds hogerop zou willen komen (zeker als geld en status je koud laten).


Zelf ben ik zo'n dertig jaar journalist geweest zonder ook maar één tel de ambitie te hebben om eindredacteur of hoofdredacteur te worden. Ik hield van het ambacht en de afwisseling en had er weinig zin in om de baas te spelen, te vergaderen met de directie of  eindverantwoordelijk te zijn voor de inhoud. Ik kon vrij nemen wanneer ik wilde en had als razende reporter precies die vrijheid waar ik behoefte aan had. Op dezelfde manier werkt mijn vrouw al sinds 1982 (parttime) in het onderwijs zonder dat ze ooit de wens heeft gekoesterd om directeur te zijn. Je kunt je werk decennia lang met veel plezier doen zonder ook maar één tree hogerop te komen.

Niet zo lang geleden was ik op een verjaardag en daar werd me op fluistertoon meegedeeld dat een van de vrouwelijke leraren in het gezelschap onlangs was benoemd tot rector. Die fluistertoon had waarschijnlijk met discretie te maken maar vooral met ontzag, terwijl ik de mededeling schouderophalend in ontvangst nam en ondertussen bedacht dat ze eigenlijk ook wel de leeftijd had om zo zoetjesaan te stoppen met werken. Wie belang hecht aan status, moet dus wel beseffen dat andere mensen niet zo snel onder de indruk zijn van wat er nou precies op je visitekaartje staat.


De laatste vier jaar van mijn loopbaan (die je in mijn geval dus als een rechte lijn moet zien in plaats van een ladder of een curve) kwam ik noodgedwongen in de situatie terecht dat ik chef moest spelen en freelancers moest aansturen. Het waren vier interessante jaren omdat ik eindelijk het tijdschrift kon maken dat me voor ogen stond, maar dat werd goeddeels teniet gedaan door de werkdruk, de tegenvallende advertentie-inkomsten, het overleg en de verkoopcijfers die na een veelbelovend begin langzaam begonnen af te kalven. Nu werk ik af en toe nog wat aan de keukentafel en is van een carrière in de klassieke zin in het geheel geen sprake meer.

Ook opvallend in deze discussie - maar dat is eigenlijk een apart onderwerp - is dat er in al die berichten over werkende vrouwen gesproken wordt over kinderopvang, terwijl dat maar een tijdelijke fase is. Een vrouw die op haar 28ste voor het eerst moeder wordt, heeft op haar veertigste een kind dat op de middelbare school zit en moet met een beetje pech nog dertig jaar wachten op de eerste AOW-uitkering. Juist in die wat minder hectische fase is het belangrijk om te kiezen voor wat je écht belangrijk vindt in het leven en je niets aan te trekken van wat de maatschappij van je verwacht of wat toevallig op dat moment in de mode is.

vrijdag 14 september 2018

Een jaar lang elke werkdag naar de bioscoop

Nog een paar maanden en dan verschijnt mijn nieuwe boek, waarin ik verslag doe van mijn fanatieke bioscoopbezoek in 2018. Er zijn nogal wat mensen die dat beschouwen als een stijlbreuk of als een stom onderwerp, terwijl ik het zelf juist zie als een vet uitroepteken achter de serie die in 2012 begon met het boek Hypotheekvrij! Het gaat immers in de eerste plaats over het incasseren van een welverdiende beloning na al die jaren van aflossen en afbouwen.


De werktitel van Een jaar in het donker maakt al iets beter duidelijk wat ik met dit boek - en eigenlijk met dit hele experiment - voor ogen had. Het was namelijk niet alleen mijn bedoeling om in een jaar tijd 250 films te zien in de bioscoop, maar ook om dat te doen onder wérktijd. Dus had ik het bijbehorende mapje op mijn computer 'Naar de film in kantoortijd' gedoopt, nadat ik een artikel had gelezen met een soortgelijke kop. Het getal 250 is ook niet toevallig gekozen, want dat betekent dat ik - met tussendoor twee weekjes zomervakantie - omgerekend elke werkdag precies één film heb gezien.

Nu is dat natuurlijk niet normaal (hoewel het nog lang geen wereldrecord is), maar het is dan ook nadrukkelijk bedoeld als een eenmalig experiment. Volgend jaar zal ik vast en zeker regelmatig naar de bioscoop gaan, maar wel veel minder frequent en ook niet langer met dat ene afgeronde getal in mijn achterhoofd. Met dit boek wil ik eigenlijk alleen maar laten zien wat er - door jezelf een tijdje op rantsoen te zetten en fanatiek te gaan aflossen en sparen - aan het einde van de rit allemaal op je wacht als uitgestelde beloning. Want dan is er ruim voor je echte pensioendatum ineens alle tijd voor jouw eigen hobby's, dromen en plannen.


Door het kijken naar al die films - en vooral ook door elke week zonder onderscheid naar álle nieuwe films te kijken die uitkomen - is mijn kijk op de wereld een heel andere dan aan het begin van het jaar. Het lijkt een flauwe woordgrap, maar ik kan je verzekeren dat zo'n stroom bewegende beelden uit alle uithoeken van de wereld je horizon verbreedt en je blik verandert. Ik ga op deze plek niet verklappen tot welke conclusies ik allemaal ben gekomen, maar ik ben in sommige opzichten een heel ander mens dan aan het begin van dit experiment.

Zo ben ik nu pas goed gaan beseffen hoe belangrijk het is waar dat hypotheekvrije huis eigenlijk precies staat, want ik kan met mijn Cinevillepas kiezen uit vier - en als ik Schiedam meereken zelfs vijf - theaters op fietsafstand. Ik voel me niet alleen de koning te rijk doordat ik zeer binnenkort een hypotheek heb van nul euro, maar ook omdat ik kan kiezen uit een enorm aanbod aan films. Daar komt bij dat ik onder de rook woon van zo'n wakkere stad dat ik in sommige theaters al om tien uur 's ochtends terecht kan en ik in alle vroegte langs de file op de A16 fiets op weg naar de bios.


Een jaar in het donker - dat nog niet eens af is want het jaar telt nog ruim drie maanden - wordt natuurlijk geen droge opsomming of een bundel met 250 recensies. In het boek beschrijf ik mijn bevindingen en observaties, vertel ik welke levenslessen je uit dit experiment kunt trekken en vraag ik me af wat er nog voor zinnigs te zeggen valt over #MeToo nu het stof een beetje is neergedaald. Daarmee is dit waarschijnlijk het meest beschouwende en filosofische boek tot nu toe, want aflostips ontbreken en ik heb het alleen maar over geld als ik uitreken hoeveel elke bioscoopkaartje me dankzij het vaste abonnementstarief van 20 euro per maand met terugwerkende kracht heeft gekost.

Niet iedere lezer zal het leuk vinden als ik hen een spiegel voorhoud of ga zitten graven in hun psyche. Maar op één vraag zal iedereen voor zichzelf toch een antwoord moeten proberen te formuleren. Wanneer ik op donderdag al om tien uur in de bioscoop zit en drie films achter elkaar bezoek, breng ik daar in feite een hele werkdag door en heb ik het gevoel dat ik - al dan niet in het gezelschap van mijn vrouw - te gast ben op mijn eigen kinderfeestje. De gemiddelde werknemer moet dan wel met héél sterke en vindingrijke argumenten op de proppen komen om mij ervan te overtuigen dat een hele dag op kantoor leuker of bevredigender is dan een dagje Kino...




woensdag 29 augustus 2018

Na de zomervakantie gaat de vakantie gewoon door

Op de laatste dag van de zomervakantie vroeg de eigenaar van het appartement aan de voet van het Zwarte Woud met oprecht medeleven of ik de dag na thuiskomst weer naar mijn werk moest. Het enige juiste - en eerlijke - antwoord op die vraag is dat de keukentafel mijn werkplek is en dat ik als schrijver en columnist mijn werktijden helemaal zelf kan bepalen. In die zin gaat de vakantie na thuiskomst dus gewoon door, want ik probeer het meestal zo te plannen dat ik zit te tikken met druilerig weer en alleen maar leuke dingen doe als het droog is en de zon schijnt. Vandaar dat ik met meer dan gemiddelde aandacht begon aan een artikel uit De Volkskrant waarin wordt betoogd dat we niet zonder werk kunnen.


Grappig genoeg is het bewuste artikel geschreven door een leeftijdsgenoot, want als ik de naam Sander van Walsum intik op google ontdek ik dat hij 58 jaar oud is, dus van precies dezelfde generatie als ik. Dat wakkert mijn nieuwsgierigheid alleen maar aan, want ik ben oprecht benieuwd naar de motieven van iemand die in die levensfase heel andere keuzes maakt en alles ook van een totaal andere kant belicht. Hoe is het mogelijk dat iemand van bijna 60 zich na een paar weken vakantie weer handenwrijvend op kantoor meldt?

Nu geef ik in mijn boeken altijd duidelijk aan dat (betaald) werk op heel veel verschillende manieren een belangrijke functie vervult in een mensenleven. Je kunt je hypotheek nou eenmaal niet aflossen door thuis op de bank duimen te gaan draaien en je kunt ook niet sparen zonder eerst geld te verdienen. Werk kun je beschouwen als een belangrijke maatschappelijke bijdrage, maar ook als een inkomstenbron voor je persoonlijke Plan B. Zelf schrijf ik óók nog steeds elke week een column, maar ik werk allang niet meer de hele week.


De dag na mijn vakantie heb ik voor het eerst in máánden het gras weer eens gemaaid en na het avondeten ben ik naar de bioscoop geweest in Dordrecht. De volgende ochtend heb ik vrijwilligerswerk gedaan (waar ik het later nog wel eens over zal hebben) en 's middags heb ik opnieuw een film gezien. Zo wist ik me twee dagen lang opperbest te vermaken zonder dat ik het gevoel had dat ik iets miste of de behoefte voelde om ergens te gaan solliciteren. Ik vind niet dat iedereen die in loondienst werkt een loser is (zoals iemand vorige week op Twitter suggereerde), maar ik vind het wel belangrijk om hardop de vraag te stellen waarom je als mens 40 jaar achter elkaar zou moeten werken of elke week precies 40 uur.

Merkwaardig genoeg haalt Van Walsum meteen al de econoom John Maynard Keynes erbij die ooit voorspelde dat we anno nu slechts 15 uur per week zouden werken. Dat voorbeeld wordt de laatste jaren vaak aangehaald (ook door mij in een van mijn recente boeken), maar ik kan me niet herinneren dat het daar in de jaren '80 ooit over ging. Het kan best dat Van Walsum - als historicus - toen al weet had van dat essay van Keynes, maar het kan ook dat hij zijn verleden met terugwerkende kracht en met de kennis van nu inkleurt. In de jaren 80 was er bijna geen werk, maar er werd ook heel anders gedacht over werk.


Ik heb het bewuste artikel twee keer gelezen, maar heel overtuigend vind ik het betoog niet. Volgens Van Walsum zijn we 'intrinsiek aan werk gehecht' en hechten we aan 'de sociale contacten' die het oplevert. Bovenal lijkt het alsof hij zichzelf moed aan het inpraten is na een fijne vakantie en van alles verzint om het leed wat te verzachten. Het verhaal geeft in elk geval geen sluitend antwoord op de vraag wat er zou gebeuren als de krant besloot om hem een jaartje met betaald verlof te sturen. Een paar weken vakantie is niet genoeg om af te kicken van je betaalde baan, maar wie een paar jaar heeft kunnen proeven van de vrijheid wil echt voor geen goud meer terug.

Aan het slot van zijn verhaal komt hij echter met een observatie waar ik me helemaal in kan vinden. Werk moet (al was het alleen maar omdat je die hypotheek nou eenmaal in 30 jaar moet aflossen), dus het 'moet' ook wel een toegevoegde waarde hebben. Niemand houdt het vol om zo lang met tegenzin aan de slag te gaan, dus verzinnen we er van alles bij en tuigen we een hele kerstboom op vol drogredenen. In die zin lijden we volgens hem allemaal aan een milde vorm van het Stockholmsyndroom, waarmee hij in elk geval laat zien dat hij mijn boek De omgekeerde werkweek kent óf in elk geval het Duits voldoende beheerst om het boek Arbeit van Joachim Bauer te hebben gelezen. :-)


zaterdag 4 augustus 2018

Néé, een vliegvakantie is geen mensenrecht

Enkele weken geleden schreef ik in mijn wekelijkse column op de economiepagina van het Reformatorisch Dagblad dat het geen enkele zin heeft om je huis energiezuinig te maken als je vervolgens een paar keer per jaar in het vliegtuig stapt naar Ibiza of Thailand. De bereidheid om echte offers te brengen is gering, zelfs bij mensen die het verband erkennen tussen onze manier van leven en de opwarming van de aarde. In plaats daarvan razen - of misschien moet hier wel staan: reizen - we richting de afgrond waarvan deze gortdroge zomer slechts een voorproefje is.


Zoals eerder vermeld ben ik voornemens om volgend jaar, of misschien zelfs wel met ingang van volgend jaar, alles op de fiets te gaan doen. Zelf beschouw ik het als een avontuur, net zoals versneld aflossen achter gezien eigenlijk ook één spannende ontdekkingstocht was met allemaal verrassende vergezichten. Tegelijk besef ik dat de CO2-uitstoot van een ongemotoriseerde manier van leven heel gering is, wat je dus bij voorbaat kunt beschouwen als een bijkomend voordeel.

Datzelfde gebeurde eerder al toen we superzuinig begonnen te leven om onze hypotheek versneld te kunnen aflossen. Niet alleen zorgde die levenswijze ervoor dat we jaarlijks tussen de 15.000 en 20.000 euro extra in onze hypotheek konden storten, ik besefte ook dat we op deze manier een veel kleinere ecologische voetafdruk hadden. Je kunt ook zeggen dat we door onze zuinige lifestyle zuiniger omsprongen met de planeet en geen hypotheek namen op de aarde.


Je kunt die redenering niet omdraaien (want we zijn alleen maar gaan aflossen om zelf het hoofd boven water te houden), maar het is wel een prettige bijkomstigheid dat ons gedrag tegenwoordig minder milieubelastend is. Dat blijft ook zo, want ik ben niet van plan om ineens weer met geld te gaan smijten als we in maart 2020 écht helemaal hypotheekvrij te zijn of bij die gelegenheid vuurwerk af te steken op Bali in plaats van in de eigen achtertuin.

Natuurlijk zijn er mensen die geen waarde hechten aan alle alarmerend verhalen over de opwarming van de aarde omdat het een linkse hobby is van 'klimaatgekkies', maar laten we er voor de aardigheid eens van uitgaan dat we met onze manier van leven inderdaad een soort omgekeerde zondvloed over ons afroepen en grote delen van de aarde onleefbaar maken. Kun je dan nog wel met goed fatsoen een paar keer per jaar heen en weer vliegen naar Ibiza of heeft de hierboven afgebeelde Jan Mertens misschien een punt?


In het interview krijgt Mertens de vraag voorgelegd of vliegen inmiddels niet een soort mensenrecht is geworden, waarmee we de kern van het probleem meteen te pakken hebben. In een van mijn boeken schrijf ik dat de luxe van vandaag de standaard van morgen is, waardoor het steeds meer moeite kost om een stapje terug te doen en we hebberig op een wankele ladder naar de bovenste vruchten tasten in de bijna kaalgevreten boom der wijsheid.

Want, nee, vliegen is geen mensenrecht en zelfs geen verworven recht. Goedkope vliegreizen vormen een perversie die ons op termijn duur zal komen te staan en die je alleen als een verworvenheid kunt beschouwen als je het afmeet aan je levensgeluk op de zeer korte termijn. Zelf verwacht ik echter niet dat er veel gaat veranderen in ons gedrag en onze manier van denken, zolang we Tadzjikistan in de krant een 'fietsparadijs' noemen, terwijl we in werkelijkheid zonder het te beseffen in het enige echte fietsparadijs van de wereld wonen.

woensdag 11 juli 2018

Zorgt al dat zonnige weer ook voor een zonnig humeur?

In het Volkskrant Magazine van afgelopen weekend werd hardop de vraag gesteld of er een verband bestaat tussen 'het weer' en 'geluk'. Dat lijkt me overduidelijk, maar toch blijkt dat volgens de auteur van het artikel maar lastig wetenschappelijk te bewijzen. In het artikel wordt zelfs een sociaal-psycholoog aangehaald die beweert dat zonnig weer helemaal niet leidt tot een zonnig humeur. Rara hoe kan dat?


Als mensen vragen hoe het met me gaat, luidt het antwoord doorgaans: 'Goed, maar vraag het me nog een keer in het voorjaar.' In de wintermaanden weet ik me doorgaans ook prima te vermaken, maar dan kom ik tegelijk zo weinig buiten dat ik net zo goed op twaalf hoog in de stad zou kunnen wonen. Zodra de lente aanbreekt, gaan de tuindeuren open en slenter ik vaak al om zeven uur in de ochtend met een krant onder mijn arm naar het terras.

Het aantal mogelijkheden om jezelf te vermaken (lees: de verschillende manieren om niets te doen) stijgt dan ook exponentieel. In de wintermaanden lees ik een boek op de bank, kijk ik een film in bed of ben ik te vinden in de bioscoop. In de lente en de zomer zit ik bijna elke dag op de fiets, lees ik een boek in de tuin, eten we aan de waterkant en ben ik buiten tot het donker wordt zodat de televisie niet eens aangaat. Je kunt dus ook zeggen dat ik dan een totaal ander leven leid.


Toch kun je daar volgens de krant niet zomaar conclusies aan verbinden. Nu snap ik wel dat er in deze tijden van nepnieuws en fake-accounts behoefte bestaat aan onweerlegbare feiten en wetenschappelijk onderbouwde conclusies, maar dit lijkt me een inkoppertje waar je als socioloog niet veel aan toe te voegen hebt met een paar vragenlijsten. Toevallig merkte ik een paar dagen geleden nog tegen iemand op dat een 'omgekeerde werkweek' net zo goed kan inhouden dat je van oktober tot april fulltime werkt om vervolgens zes maanden lang te genieten van de zon.

Om het verband tussen zonlicht en geluk te onderzoeken moet je dus niet klakkeloos naar landen kijken waar de zon altijd schijnt zoals de schrijfster van het artikel doet. Elke dag zon gaat al snel vervelen, net als elke dag biefstuk of elke dag seks. In ons land genieten we juist zo van mooi weer omdat het een zeldzaamheid is. De dip van afgelopen dinsdag, met donkere wolken en zowaar een beetje motregen, leek ook alleen maar ingelast om ons te herinneren aan het feit dat elke zomerse dag een cadeautje is dat je moet koesteren.


Dat laatste blijkt volgens weer een andere krant extra lastig te zijn voor mensen die gebukt gaan onder eenzaamheid. Die voelen zich op al die lange warme dagen waarop iedereen plezier lijkt te hebben en gezellig samen op vakantie gaat, juist extra ongelukkig. Iets vergelijkbaars gaat waarschijnlijk op voor mensen die op zomerse dagen moeten werken en tandenknarsend hun tijd op kantoor doorbrengen terwijl het buiten heerlijk weer is (of die, omgekeerd, juist buiten moeten werken in de brandende zon).

Crux is dat de zon je humeur versterkt. Wie zich goed voelt, zal zich op een zonnige dag iets beter voelen en nog meer genieten. Het is geen tovermiddel, en zeker geen anti-depressivum, maar meer een soort bonus. Je moet dus al een beetje blij van jezelf zijn en in de omstandigheid zijn optimaal van het mooie weer te genieten. De schrijfster van het artikel geeft zelf eigenlijk al aan waar bij de meeste mensen het probleem zit met haar vaststelling dat in deze 'moderne tijd' bijna niemand nog buiten komt.

Sterker nog, ze verpakt het als een soort retorische vraag want letterlijk staat er: hoe vaak zijn we nu eigenlijk nog buiten? Nou, wat dacht je van de hele f*cking dag? Van half zeven in de ochtend tot tien uur 's avonds? Ik zit nu even binnen aan de keukentafel te tikken (met de tuindeuren open en uitzicht op de tuin), maar als dit blog klaar is verhuis ik als de bliksem naar mijn luie stoel onder de eikenboom met weer een ander bibliotheekboek om daar de rest van de dag te genieten van de zoveelste zomerse dag van het jaar.

woensdag 27 juni 2018

Wie zijn nou de échte slachtoffers van de pensioencrisis?

Een paar dagen na mijn vorige blog over pensioenen viel in De Volkskrant te lezen dat 'ouderen' (en ik zet dat met opzet tussen haakjes omdat het over mijn leeftijdscategorie gaat) net zo goed achter het net vissen als het om dit onderwerp gaat. De groep vijftigers die ooit de arbeidsmarkt betrad tijdens een zware economische crisis, heeft de VUT praktisch voor zijn neus zien verdampen en kan alleen maar dromen van eerder stoppen met werken. Kloppen al die verhalen over een 'verloren generatie' dan toch? Of moeten we nu eens en voor altijd stoppen met generaliseren en eens aandachtig stilstaan bij de échte pensioenkloof?


Als het artikel van Gijs Herderscheê één ding laat zien, dan is het wel dat niet alleen jongeren de dupe zijn van de pensioencrisis. Ook voor vijftigers is het een hard gelag om op het meest recente pensioenoverzicht te lezen dat ze door moeten werken tot ze 67 jaar en drie maanden zijn, zeker als ze inderdaad ooms of vaders hebben die al op hun 55ste konden stoppen met een aantrekkelijke regeling. Zijn verhaal benadrukt ook dat vijftigers niet op één hoop gegooid moeten worden met de gewraakte babyboomers, omdat die in de meeste gevallen allang met pensioen zijn.

Voor vijftigers is die hogere pensioenleeftijd zelfs extra wrang, omdat ze zijn opgegroeid met commercials van een zongebruinde Kees Brusse. Elke vijftiger is ooit een twintiger of dertiger geweest die zijn eerste vaste baan kreeg met ergens in het achterhoofd het besef dat je uiterlijk op je 57ste kon gaan genieten van een zwitserlevengevoel op een palmstrand. Jongeren rekenen vaak helemaal nergens meer op, terwijl vijftigers heel lang geloofden dat zij later (en niet eens zoveel later dan hun ooms en vaders) óók met de VUT konden of een andersoortig vroegpensioen.


Gijs Herderscheê is dus geen Holle Bolle Gijs of een Gijs Geluk, maar een pechvogel uit de verloren generatie met het verkeerde geboortejaar. Weliswaar probeert hij zichzelf moed in te praten met de mededeling dat hij 'het leukste beroep' heeft en de dooddoener dat hij 'niet zo nodig met pensioen hoeft', maar de kans is klein dat hij 'nee' zou zeggen als zijn chef hem morgen een goudgerande regeling aanbood waarmee hij eerder kon stoppen. Langer doorwerken lijkt nog niet zo'n onoverkomelijke ramp als je van 1959 bent en dit jaar 59 wordt, maar het voelt straks heel anders wanneer je op je 68ste met een zucht de deur van het kantoor achter je dichttrekt en tot je grote schrik beseft dat je al bijna 70 bent.

Opvallend is dat in het verhaal van Herderscheê bijna alleen maar slachtoffers voorkomen: of je hebt een baan en moet noodgedwongen doorwerken tot je 68ste óf je bent in de crisisjaren je baan kwijtgeraakt en moet nu je spaargeld opsouperen, je huis opeten en een bijstandsuitkering aanvragen. Dat er ook mensen zoals ik bestaan die zelf een soort VUT in elkaar hebben geknutseld en genoegen nemen met een veel lagere levensstandaard (met als bijkomend voordeel dat vliegveld Lelystad zelfs helemaal dicht kan), lijkt hij niet te beseffen of te willen weten. Maar die kloof is er dus alvast: tussen koppige spaarders en slachtoffers.


De ongemakkelijke waarheid is dus dat er niet één pensioenwaarheid is die voor iedereen opgaat. Er zijn in het oog springende verliezers (mensen met zware beroepen die al op hun veertiende begonnen zijn en op hun 61ste als een wrak in de ziektewet belanden), maar veel interessanter is de vraag waarom de journalist Herderscheê (1959) nog een jaar of negen moet werken terwijl ik (1961) op maandagmiddag op mijn gemak een sciencefictionroman zit te lezen onder de eikenboom in mijn achtertuin. Om uit te vogelen hoe dat kan, zou je niet alleen de (oude) loonstrookjes met elkaar moeten vergelijken, maar ook de pensioenvoorwaarden, de hypotheekakte, de vaste lasten en de levensstijl.

Iedereen beweert in deze discussie de échte kloof te hebben gevonden, terwijl het vaak een groot grijs gebied is dat alles te maken heeft met spaargedrag en de bereidheid de tering naar de nering te zetten. Dat ik op mijn 55ste met een soort deeltijdpensioen kon, heeft alles te maken met de deeltijdbaan van mijn vrouw maar ook met het besef dat het vaak kiezen of delen is. Niet voor niets stel ik in Leven van de lucht hardop de vraag of ik bereid zou zijn om nooit meer op vakantie te gaan (met uitzondering van een fietsvakantie) in ruil voor 365 dagen vakantie per jaar. Stel jezelf die vraag straks ook maar eens voor de lol op een zonovergoten terras in een of ander warm land, als je zit te mijmeren over de toekomst, en besef dat alles afhangt van het juiste antwoord.

woensdag 20 juni 2018

Eerder stoppen met werken wordt een luxe en een statussymbool

Vanmorgen las ik in de krant dat er sprake is van een groeiende 'vroegpensioenkloof'' tussen laagopgeleiden en hoogopgeleiden. Nu zet het dagblad in kwestie alles altijd wat zwaar aan, maar in dit geval is er sprake van een dusdanig minimaal verschil dat het niet eens in jaren kan worden uitgedrukt. Veel schokkender vind ik zelf dat het volgens de bijgevoegde grafiek nog niet eens zo heel lang geleden is dat iederéén zo rond zijn zestigste kon stoppen met werken.


Volgens het bericht zouden hoogopgeleiden gemiddeld tien maanden eerder kunnen stoppen met werken. Nu is die tijdspanne best lang voor een wereldreis, maar niet als je het afzet tegen een heel mensenleven - of tegen iemands werkzame leven. Om een idee te geven: jij bent op 1 januari van dit jaar al gestopt en zit nu prinsheerlijk in de tuin, terwijl je buurman nog door moet ploeteren tot 1 november. Nu is elke dag er waarschijnlijk één teveel wanneer je lichaam op is, maar feitelijk is het een verschil van niks want van dit nieuwe jaar is alweer bijna de helft verstreken.

Vanuit mijn optiek gezien is het zelfs een bijna surrealistisch bericht, want ik ben op mijn 55ste met plakbandpensioen gegaan en schrik er juist van hoe verschrikkelijk snel de tijd voorbij gaat. Mijn laatste boek Leven van de lucht is een soort dagboekverslag van de eerste twaalf maanden van dat experiment en inmiddels zijn we alweer ruim een jaar verder. Veel schrijnender dan wat de krant meldt is dat laagopgeleiden soms al op hun zestiende zijn begonnen met werken, terwijl het voor mensen van mijn generatie niet gek is dat ze pas op hun zesentwintigste hun eerste baan kregen. Bij die tien maanden moet je in veel gevallen dus nog eens tien jaar optellen.


Volgens het krantenartikel wordt vroeg stoppen met werken 'een luxegoed'. Dat voorzag ik al toen ik in 2015 Het plakbandpensioen schreef en daarin voorspelde dat eerder stoppen met werken hét 'statussymbool' van morgen zou gaan worden. Sindsdien is de feitelijk leeftijd waarop mensen afzwaaien alleen maar gestegen, terwijl tegelijk de arbeidsparticipatie onder 60-plussers fors is toegenomen. Er zijn meer mensen aan het werk en ze moeten ook steeds langer doorwerken. Zelf krijg ik waarschijnlijk ook pas AOW als ik 68 jaar ben, dus pas over elf jaar. Daarmee vergeleken is tien maanden langer doorwerken natuurlijk een lachertje, zeker als je je hele leven de tijd hebt gehad om te sparen en af te lossen.

Begrijp me goed: ik vind het onmenselijk dat mensen met zware beroepen door moeten werken tot ze 68 zijn of ouder, want ik sprak niet zo lang geleden een hovenier van 28 die nu al kampt met beroepsgerelateerde rugklachten, terwijl hij nog minimaal 40 (!) jaar voor de boeg heeft. Boven een bepaalde leeftijd zouden mensen ook helemaal geen nachtdiensten meer moeten draaien en de kans moeten krijgen om een of twee dagen minder te gaan werken met behoud van een deel van het salaris. Maar dat neemt niet weg dat ik vind dat je een sloot niet al te snel een rivier moet noemen en een minimaal verschil niet zomaar moet bombarderen tot een enorme misstand.


Er zijn dus genoeg problemen in de wereld om je druk over te maken, maar het is een bijkomend probleem dat we tegenwoordig alles heel snel bestempelen als probleem (of als onrecht, of als een kloof, of als discriminatie of als een misstand of als scheefgroei of als een groot schandaal). Zo las ik vanmorgen een artikel over jongeren die 'buiten de boot vallen' als het om de huizenmarkt gaat. Nu is het bepaald lastig om als jongere betaalbare woonruimte te vinden of als starter ergens een hypotheek los te peuteren zonder eigen geld, maar wie het artikel aandachtig leest ontdekt dat er ook iets heel anders speelt.

Veel jongeren (en dan hebben we het in dit geval over 25-jarigen) willen na het behalen van hun diploma graag in hun studentenstad blijven wonen en stuiten daarbij op torenhoge huren en onbetaalbare koophuizen. Vroeger zou je dan je schouders ophalen en elders je heil zoeken, maar nu lees ik dat een van de woningzoekenden in het artikel haar verontwaardiging over de overspannen situatie op de Utrechtse woningmarkt kracht bij zet met de uitspraak: 'Ik weiger op deze leeftijd in een rijtjeshuis in Driebergen te gaan zitten, of het nu huren of kopen is'.

Daar heb ik dan verder ook niet veel meer aan toe te voegen.