Zoeken

maandag 6 juli 2020

Wie alles door een feministische bril bekijkt, ziet overal seksisme

Afgelopen week werd ik op een ochtend wakker met in mijn hoofd de gedachte dat er een opvallende parallel is tussen wat feministen het 'patriarchaat' noemen en wat door zwarte activisten wordt aangeduid als 'institutioneel racisme'. In beide gevallen gaat het om een onzichtbare vijand die alom aanwezig is en tegelijk ongrijpbaar. Zelfs de woordkeus is identiek, want het is maar een klein stapje van white privilige naar male privilige of van de slavernij naar een huissloof.

Voor alle duidelijkheid: dit is dus niet meer dan een allereerste verkenning van een interessant onderwerp en ook een bescheiden inkijkje in het brein van een schrijver. Toen ik thrillers schreef, begon ik steevast te werken aan een nieuw boek zonder dat ik enige idee had hoe het verhaal zou aflopen. Vaak schoot me de ontknoping op dezelfde manier en op hetzelfde moment te binnen: na een nacht slapen, waarin mijn hersencellen op hun gemak aan het herschikken waren geweest.

Nadat ik bovenstaande observatie op Twitter had geplaatst, kreeg ik natuurlijk niet alleen maar bijval. Kom je (als witte man) aan een van beide begrippen, dan doe je bij voorbaat alles fout. Ik begreep zelfs dat je als man tegenwoordig niets meer zou mogen zeggen over een onderwerp als abortus, omdat het een vrouwenzaak is en alleen vrouwen zich in zo'n situatie kunnen inleven. Onzin natuurlijk, want als romanschrijver kroop ik het ene moment in de huid van een serieverkrachter en even later in die van een 16-jarig, misbruikt meisje dat zichzelf sneed.


In mijn boeken (en dan heb ik het vooral over de titels die na 2008 zijn verschenen) laat ik zien dat je elk onderwerp van verschillende kanten kunt bekijken. Dat kan echter alleen maar als je de wereld niet definieert vanuit een rotsvast geloof of een vastomlijnde ideologie, want dat leidt steevast tot oogkleppen en een starre blik. Wie alles bekijkt door een feministische bril, ziet overal seksisme en precies hetzelfde geldt voor racisme.

Het feminisme strijdt niet alleen voor gelijke rechten, maar ook tegen het patriarchaat. Dat is een historisch ontstaan mannenbolwerk dat erop gericht is vrouwen uit te sluiten en stelselmatig achter te stellen. Nog steeds krijg ik met enige regelmaat te horen dat vrouwen in ons land worden behandeld als 'tweederangsburgers'. Dat zogenaamde patriarchaat is succesvol in het onderdrukken van vrouwen zonder dat je er precies je vinger op kunt leggen of het kunt terugvoeren op één organisatie of individu. Het is hardnekkig, maar het is ook een beetje een ongrijpbaar krachtenveld.


En zo lag ik op een ochtend in bed te mijmeren over de vaststelling dat dat wel een beetje lijkt op de term 'institutioneel (of systemisch) racisme'. Het is hardnekkig en het is overal, het zit diep verankerd in het hele systeem en het gaat eeuwen terug in de tijd. Die (vermeende?) parallel smeekt om een doorwrochte masterscriptie, maar ik volsta hier met een eerste verkenning, inclusief de vaststelling dat  'male privilige' en 'white privilige' heel dicht bij elkaar liggen en dat beide stromingen niets voorstellen zonder hun eigen zelfbedachte idioom vol daders en slachtoffers.

Voordeel van een dergelijk wereldbeeld, is dat het duidelijkheid verschaft en de wereld indeelt in goed en kwaad. Het levert voldoende brandstof voor een levenslange strijd en vormt een lucratief verdienmodel. Je hoort ergens bij, levert een rechtvaardige strijd en staat aan de goede kant van de streep. Bovendien kan het dienen als verklaring - en daarmee als excuus - voor eigen falen. Wie niet bereikt wat hij graag had willen bereiken, kan dat altijd wijten aan krachten in het systeem die bepaalde groepen systematisch op achterstand zetten. Bovendien kun je op voorhand elke lastige discussie winnen door de opponent weg te zetten als 'seksist' of 'racist'.

donderdag 25 juni 2020

In een goede krant staan soms net zo goed foute koppen

Afgelopen weekend stond er een groot artikel in De Volkskrant over een onschuldige jongeman die per ongeluk werd aangezien voor een terrorisme-verdachte en bij zijn hardhandige arrestatie door een kogel werd geraakt. In de bijbehorende kop wordt hardop de vraag gesteld of hem dat ook zou zijn overkomen als hij 'wit was geweest'. Dat is een wat tendentieuze vraagstelling, want met een Aziatisch uiterlijk zou hij evenmin aan het signalement hebben voldaan. Daarmee lift de krant gemakzuchtig mee op de maatschappelijke verontwaardiging en gooit zo onnodig olie op het vuur. 


Dat we in een beeldcultuur leven, mag gerust een open deur heten. Het schijnt dat een kwart van alle scholieren moeite heeft met begrijpend lezen en dat valt net zo goed te verklaren uit het feit dat het onderwijs verslechtert als uit de vaststelling dat bewegende beelden tegenwoordig allesbepalend zijn. Nu was het altijd al zo dat één foto soms meer zegt dan duizend woorden, maar dat proces is in een stroomversnelling geraakt door computergames, sociale media, internet en het simpele feit dat elke smartphone een camerafunctie heeft.

Deze ontwikkeling verdient een boek - of misschien wel een hele boekenplank - maar heeft in elk geval geleid tot een versimpeling. Je kunt beelden gemakkelijk manipuleren en je kunt de complexe werkelijkheid terugbrengen tot één simpel beeld. De ruim acht minuten film waarin George Floyd het leven laat is heb ik niet eens helemaal uit hoeven kijken om tot de conclusie te komen dat ze weerzinwekkend zijn en getuigen van een ongekende wreedheid en arrogantie. Die knie in de nek is zo'n kracht beeld dat er een standbeeld van zou moeten worden gemaakt (en het zou me zelfs verbazen als dat al niet in de maak is).


Tegelijk kun je vaststellen dat de omstandigheden en achtergronden bij de dood van George Floyd zijn gereduceerd tot één eenvoudig narratief waaraan niet mag worden getornd. Natuurlijk is het verleidelijk om bij elke confrontatie tussen een witte agent en een zwarte verdachte een racistisch motief te vermoeden, maar dat is te simpel en daarmee doe je de werkelijkheid bij voorbaat tekort. Amerika heeft een probleem met politiegeweld, maar het heeft ook een vuurwapenprobleem. De ene verdachte heeft zomaar zijn hand in de zak, de andere houdt een pistool vast.

Wat George Floyd is overkomen, had nooit mogen gebeuren en de betrokken politieman verdient zelf rechtsvervolging. Het kan dat het een onverbeterlijke racist is, maar misschien is het ook gewoon een sadistische schoft. Ook nog niet helemaal opgehelderd is de vraag in hoeverre de twee elkaar goed kenden. Bekend is dat ze bij dezelfde club hebben gewerkt als beveiliger, dus het kan net zo goed een persoonlijke wraakoefening zijn geweest of een vendetta. Ook dan is een racistisch motief niet uit te sluiten, maar dat maakt niet meteen alle agenten racistisch of het hele politie-apparaat overbodig.


Neem bijvoorbeeld de beeldvorming rondom de steekpartij in Reading waarbij drie doden te betreuren vielen en talloze gewonden. In eerste instantie werd het door de politie afgedaan als een 'gewone' steekpartij (alsof zoiets ooit gewoon is of zou moeten zijn), maar later werd het als een terreuraanslag aangemerkt met de aantekening - of misschien moet je zeggen: de aanname - dat de 25-jarige Libische immigrant op eigen houtje zou hebben geopereerd.

Kijk je naar de dodelijke slachtoffers, dan zie je dat het allemaal witte mannen waren, waarvan pas later bekend werd dat het om drie homoseksuele mannen ging. Dat laat tal van mogelijkheden open. Zo kan het dat de dader zijn slachtoffers volstrekt willekeurig heeft uitgekozen, het kan dat hij bewust op zoek was naar witte slachtoffers of naar mensen die er in zijn ogen Brits uitzagen of westers of niet-gelovig. Maar ook niet uit te sluiten valt dat het om een 'hatecrime' gaat. Zo zie je hoe lastig een gebeurtenis te duiden is, want je zou dit ook zo kunnen framen dat de straten morgen gevuld zijn met boze mensen en regenboogvlaggen.



Voor alle duidelijkheid: het gaat mij alleen om de aandacht voor de zaak George Floyd en de vanzelfsprekendheid waarmee die kwestie als 'racistisch' werd bestempeld, tegenover de bescheiden media-aandacht voor deze zaak en de terughoudendheid om dit te duiden als doelbewuste aanslag op drie homoseksuele mannen. Komt het doordat de dader zelf ook tot een minderheid behoort die wellicht slachtoffer is van systemisch racisme? Is het niet opportuun omdat je mensen die moeite hebben met massa-immigratie niet in de kaart wil spelen? Of versimpelen we de werkelijkheid alleen wanneer dat een bepaalde actiegroep of belangenorganisatie goed uitkomt?

Feit is dat we het een kwaliteitskrant eerder zullen vergeven dat die een tendentieuze of suggestieve kop plaatst dan wanneer dat gebeurt in een krant die 'fout' was in de oorlog en door sommige mensen zelfs als 'racistisch' wordt bestempeld. De grap is - of de ironie - dat juist De Telegraaf heel vaak mensen van kleur in een positieve context aan het woord laat of opvoert zonder daarbij de kleur te benoemen. Volgens mij doe je op die manier veel meer aan het bestrijden van vooroordelen en racisme dan met chronische boosheid, snelle conclusies en simpele beschuldigingen.

dinsdag 16 juni 2020

Het gaat niet om zwart of wit, maar om vijftig tinten grijs

Afgelopen week onderstreepte ik een passage in de Volkskrant die laat zien dat elk terecht debat gemakkelijk kan ontaarden in totalitarisme. Volgens die passage moet het nu maar eens afgelopen zijn met het 'bothsidism'. Dat is een lelijk, onvertaalbaar woord, maar het komt erop neer dat er nu even geen plaats meer is voor nuances. En dat terwijl ik in mijn boek Een jaar in het donker bijna tot vervelens toe betoog dat er aan elk verhaal altijd twee kanten zitten en dat zich tussen goed en kwaad een enorm grijs gebied bevindt.


De bewuste passage komt uit een stuk over The New York Times. Die respectabele krant ontsloeg een chef van de opinieredactie die een uitgesproken rechts ingezonden stuk had geaccepteerd en geplaatst. Volgens dezelfde chef staat vrije pers voor pluriformiteit en fungeert de krant als platform voor een veelvoud aan meningen en geluiden. Tegenstand kwam vooral van de jongere verslaggevers bij de krant (zeg maar de 40-minners) die minder verdraagzaam zijn als het gaat om afwijkende meningen en absoluter in hun standpunten.

Grappig (of beter gezegd: verontrustend) is dat de opvatting dat de waarheid in het midden ligt door die groep wordt neergezet als 'dogma', terwijl het in werkelijkheid bijna altijd zo is. Die wijsheid komt echter pas met de jaren, want ik ben blij dat ik nooit hoef te discussiëren met een 20-jarige versie van mezelf. Ook ben ik blij dat veel pennenvruchten van mijn hand zijn verschenen in het pré-internet tijdperk en daardoor door de geschiedenis zijn opgeslokt. Ik geloof niet dat ik veel beter of mooier ben gaan schrijven, maar mijn opvattingen zijn wel een stuk genuanceerder.


In 2018 zag ik meer dan 250 films in de bioscoop. Daardoor kwam ik in aanraking met zoveel verschillende gezichtspunten, dat ik alleen maar kon vaststellen dat er voor alles wel iets te zeggen valt en dat je elk onderwerp van verschillende kanten kunt bekijken (in films zelfs letterlijk). Dat lijkt een open deur, maar zorgde bij sommige jonge journalisten voor opengesperde ogen of ontstentenis. Terwijl de vaststelling alleen maar is is dat goed en kwaad geen keurig afgebakende begrippen zijn, maar slechts de uiteinden van een mistig grijs gebied daar tussenin.

In die tijd ging het maatschappelijk debat niet over 'racisme', maar over 'metoo'. Aan dat onderwerp besteedde ik twee hoofdstukken, hoewel ik genoeg aantekeningen had gemaakt om moeiteloos een kwart van het boek mee te vullen. Het standpunt was toen (en is dat misschien nog steeds) dat je slachtoffers van grensoverschrijdend seksueel gedrag altijd op hun woord moet geloven. Dat kun je denken en daar kun je naar handelen, maar dan hoef je bij echtscheidingen voortaan ook alleen nog maar te luisteren naar háár kant van het verhaal.


Dat de waarheid in het midden ligt, is natuurlijk veel te simpel gesteld, al was het alleen maar omdat hij zelden precies netjes in het midden ligt. Beter is het om te zeggen dat er meerdere waarheden naast elkaar kunnen bestaan en ook dat er in ieder mens ruimte is voor tegenstrijdige emoties. Wat ik daarmee bedoel kan ik eenvoudig illustreren met een voorbeeld dat in het verlengde ligt van datzelfde boek. Daarin beschrijf ik de film Girl, over een Vlaamse jongen die op ballet zit en zich gevangen voelt in het verkeerde lichaam.

Het is een indrukwekkende film die ik iedereen aanraad en die de kijker niet onberoerd laat. Je leeft intens mee met de hoofdpersoon, bent getuige van zijn/haar worsteling en twijfelt geen moment aan het feit dat je naar een meisje zit te kijken (ondanks het feit dat de rol gespeeld wordt door een acteur die zelf niet transgender is). Prachtige film, die ook nog eens laat zien dat een dergelijk proces altijd een worsteling zal blijven, hoe begripvol de maatschappij en de directe omgeving ook is.

Voordat de film begon, nam ik plaats achter de leestafel van LantarenVenster om te wachten tot de zaal openging. Toen er tegenover mij een vrouw plaatsnam van mijn eigen leeftijd, registreerde mijn brein in een fractie van een seconde dat ik keek naar iemand die in een mannenlichaam is geboren. Daar zit in mijn geval geen enkel waardeoordeel achter, hooguit de vaststelling dat je hersenen het blijkbaar feilloos aanvoelen als er iets in het plaatje niet helemaal klopt.


Afgelopen week kwam schrijfster JK Rowling onder vuur te liggen door een uitspraak over dit onderwerp die op zich helemaal niet zo wereldschokkend is - of dat in elk geval niet zou moeten zijn. Mensen van mijn generatie zijn opgegroeid met Sonja Barend en hebben dit fenomeen allang geaccepteerd. Dat neemt niet weg dat ik heel even verbaasd was toen ik bovenstaande foto in de krant zag en daarnaast de kop 'zij'. Het blijkt om een vrouwelijke minister uit Zuid-Korea te gaan, maar je brein ziet in eerste instantie een licht kalende man met lang haar.

Als journalist interviewde ik ooit twee mannelijke, heteroseksuele travestieten die zich professioneel lieten opmaken door twee vrouwen (en die tegen hun werkgever hadden gezegd dat een een snipperdag namen). Soms gingen ze op zo'n dag naar een hotelkamer om zich daar om te kleden en een enkele keer waagden ze zich zelfs op straat. Een van hen vertelde dat hij er soms over fantaseerde om een foto van zichzelf als vrouw in huis te laten slingeren, in de hoop dat zijn eigen echtgenote zou zeggen dat ze het 'een mooie vrouw' vond.

Ik vond het een tragisch en moedig verhaal dat vraagt om de vaardige handen van een romanschrijver. Tegelijk vraag ik me af (net als een van de personages uit het tweede seizoen van AfterLife) waar deze categorie is gebleven in de hele lbgtq-discussie en waar in het hele spectrum hij thuishoort. Maar ook hier is de vaststelling dat ik een heel mooi, respectvol en begripvol artikel heb geschreven, terwijl ik tegelijk moeite moest doen mijn gezicht twee uur lang in de plooi te houden. Je kunt dus tegelijk de tragiek zien en beseffen dat je een serieus gesprek aan het voeren  bent met een buschauffeur in vrouwenkleren.

donderdag 11 juni 2020

Ook met aflossen ging ik destijds dwars tegen de tijdgeest in

Toen ik in 2008 besloot om versneld mijn hypotheek te gaan aflossen, werd ik door vrijwel iedereen voor gek verklaard. Je was immers 'een dief van je portemonnee' als je extra afloste en moest 'maximaal profiteren van de hypotheekrenteaftrek'. Met dat in het achterhoofd hoeft het niemand te verbazen dat ik ook in andere discussies niet klakkeloos meega in de mores van de dag en het dominante narratief.


Laten we eerst weer eens teruggaan in de tijd. Toen ik als jongen van 20 politicologie studeerde in Amsterdam, kwam ik daar terecht in een links, feministisch bolwerk. Zo kreeg ik tijdens een van de eerste werkcolleges te horen dat alle verschillen in gedrag tussen man en vrouw het gevolg zijn van opvoeding en van socialisatie (dus van verwachtingen en vooroordelen van ouders en opvoeders en stereotypes in boeken en Hollywoodfilms). Ik was pas net van de middelbare school en nog niet droog achter mijn oren, maar dat leek me erg onwetenschappelijk en onwaarschijnlijk).

Dus belde ik met mijn broer (die biologie studeerde in een andere stad) en noteerde op een lijstje alle aangeboren, biologische verschillen tussen mannen en vrouwen. Je kunt je voorstellen dat het niet in goede aarde viel toen ik dat lijstje de eerstvolgende keer opsomde, ook niet bij de aanwezige mannen die de geslachtsdaad als 'onderdrukkend' beschouwden. Je kunt je misschien óók voorstellen dat het lastig is in een dergelijke setting stand te houden als je er als enige iets anders over denkt. Toch denk ik er een kleine veertig jaar later nog steeds ongeveer hetzelfde over.


Over het genoemde onderwerp zegt Douglas Murray iets interessants in het boek dat ik net heb uitgelezen (en dat mooi aansluit op wat ik daar in een van mijn eigen boeken zélf over noteer). Wie iets wil weten over de eventuele aangeboren verschillen tussen man en vrouw, moet maar eens gaan praten met mannen of vrouwen die in transitie zijn en mannelijke of vrouwelijke hormonen krijgen toegediend. Onlangs nog las ik een interview in de krant met een man die vrouw wilde worden en die in één klap afrekende met het idee dat je wordt geboren als blanco blad.

Zodra hij testosteronremmers kreeg toegediend, keerde hij gevoelsmatig terug naar de periode voor de puberteit. Nadat hij vervolgens vrouwelijke hormonen kreeg toegediend, werd hij emotioneel en huilerig. In het boek van Murray staat dat het soms zelfs je voorkeuren verandert als het gaat om muziek en films. Er valt ook te lezen dat het toedienen van testosteron leidt tot meer daadkracht, agressie en geslachtsdrift. In dit tijdsgewricht valt daar echter niet over te praten, want gelijkheid tussen man en vrouw impliceert gelijksoortigheid en inwisselbaarheid.


Oók interessant is dat ik een sociale wetenschap studeerde, maar in die tijd (tussen 1980 en 1988) géén kennis maakte met het moderne jargon dat daarbij hoort. De faculteit aan de UvA was uitgesproken feministisch en marxistisch, maar niemand had het over white privilige, white fragility, institutioneel racisme, intersectionaliteit, culturele toe-eigening, micro-agressie, hate speech en ga zo maar door. Nadat ik was afgestudeerd is er dus een compleet vocabulaire opgetuigd, waarvan voorheen niemand de betekenis kende of zonder voorkennis had kunnen doorgronden.

Interessante vraag - misschien zelfs wel de hamvraag - is wat dat betekent. Hebben sociale wetenschappers met deze nieuwe woorden allerlei misstanden blootgelegd of dienen ze slechts als 'bewijs' voor diepgewortelde discriminatie en racisme? Ik heb de boeken van Gloria Wekker en Anousha Nzume een paar jaar geleden gelezen en was er niet heel erg van onder de indruk. Het is te lang geleden voor details, maar ik herinner me dat ik beide boeken wat onwetenschappelijk en vooringenomen vond, terwijl ze nu als standaardwerken worden beschouwd en als onmisbare leerstof voor witte mensen.

Elke nieuwe generatie heeft recht op z'n eigen verzet, verontwaardiging en verandering (en daar horen ook oudere mensen bij die het vanaf de zijlijn hoofdschuddend gadeslaan). Mijn indruk daarbij is dat retoriek belangrijker is geworden dan de realiteit. Mijn gevoel is ook dat deze manier van actievoeren eerder zal leiden tot rassenrellen dan tot minder racisme. Misschien heb ik het mis, maar in mijn laatste boek (Eindelijk hypotheekvrij!) haal ik een oud opiniestuk aan waarin ik een Europa voorzie vol 'etnische spanningen'. Het onderstreept dat mijn boeken niet alleen over 'aflossen' gaan, maar ook dat de aarde niet gestopt is met draaien op de dag dat ik hypotheekvrij werd.


maandag 8 juni 2020

Valt er nog iets te melden over aflossen als je eenmaal hypotheekvrij bent?

Nu we precies drie maanden hypotheekvrij zijn, begin ik te merken dat het onderwerp 'aflossen' zijn glans begint te verliezen. Niet zo gek natuurlijk, want alle dieetboeken kunnen naar de kringloop zodra je streefgewicht is bereikt. Tegelijk begin ik me af te vragen welk carrièrepad iemand als Jeffrey Afriyie straks gaat kiezen wanneer alle zwarte pieten knalgeel zijn. Is het probleem dan opgelost of verschijnt er vanzelf iets nieuws op de agenda?


Laat ik beginnen met een disclaimer (of beter gezegd: laat ik mezelf eerst een beetje indekken), want dit is een heikel onderwerp. In mijn voorlaatste boek Een jaar in het donker begeef ik me ook al even in het mijnenveld van feminisme en antiracisme en dat doe ik op mijn tenen en met de grootst mogelijke omzichtigheid. Bij sommige onderwerpen - en zo staat dat ook letterlijk in datzelfde boek - begeef je je op zulk glad ijs, dat je al een bult op je voorhoofd hebt voordat je je schaatsen goed en wel hebt aangetrokken.

Sowieso is er op dit terrein sprake van een generatieconflict. Iemand die in 1961 is geboren heeft een totaal ander wereldbeeld - en een volstrekt ander referentiekader - dan iemand die pas in 2000 ter wereld kwam. Het is dus goed om even te benadrukken waar ik vandaan kom. In mijn jeugd had je Rock Against Racism. Je had een punkband met een transseksueel als zanger (Wayne County, later Jane County). En je had een punkzanger die zong dat hij 'glad to be gay' was (hoewel hij later, net als Jan Rot, alsnog samen met een vrouw een gezin stichtte).


Dat is de eerste vaststelling die je moet doen als het om 'racisme' gaat: in mijn geboortejaar was Nederland nog een vrijwel geheel blank land. Dat is het grote verschil met de VS, waar veel zwarte inwoners rechtstreeks afstammen van bevrijde slaven. Slavernij betekent in onze contreien dus iets heel anders en ligt veel minder gevoelig. In Amerika hoef je maar en paar generaties terug te gaan en je bent op een katoenplantage in Georgia. Sterker: een van mijn favoriete blueszangers (de in 1957 overleden Big Bill Broonzy) had een moeder die tot slaaf gemaakt was. Hier in Nederland was de slavernij al afgeschaft toen mijn Duitse voorouders medio negentiende eeuw de grens overtrokken.

Stel nu dat je een Rotterdammer bent die al sinds 1960 in die stad woont en de samenstelling van zijn buurt heeft zien veranderen van 100% wit naar 95% allochtoon. Ben je dan een 'racist' als je daar aan moet wennen (of misschien wel nooit aan zult wennen) of moet je mensen van die generatie ook even de tijd geven en ze niet te snel wegzetten als oud, boos of erger. De transformatie naar een multicultureel Nederland is razendsnel gegaan en wordt extra bemoeilijkt door de hoge bevolkingsdichtheid. Iemand die in 1970 uit Rotterdam vertrok en nu uit nostalgie even terugkeert, herkent zijn stad in elk geval niet meer terug.


Voor alle duidelijkheid: in dit blog plaats ik een paar kanttekeningen, kaart ik zaken aan die wat onderbelicht blijven in de hele discussie of niet bekend zijn. Zo laat ik graag bovenstaande foto zien om aan te tonen hoe kleurenblind ikzelf was geworden en hoe ver we met z'n allen waren gekomen. We praten hier over een Duitse punkband (Stomper 98) met een zwarte drummer. Niemand van hun fans - vooral skinheads - die zich daaraan stoort en niemand die het er verder ooit over heeft. Ze bestaan sinds 1998 en ik heb er een hele rits cd's van.

Daar valt van alles over te zeggen, bijvoorbeeld dat die bandsamenstelling geheel organisch is ontstaan. De hierboven afgedrukte foto op de omslag van De Kampioen is met de beste bedoelingen tot stand gekomen, maar heeft tegelijk iets kunstmatigs en geforceerds. Mijn indruk is dat de voortdurende nadruk op antiracisme (en vooral de acties van KOZP) mogelijk een averechts effect hebben, omdat je mensen juist veel bewuster maken van kleur. Ik beschouwde mensen uit overzeese gebiedsdelen altijd als Nederlanders, nu zie ik ze opeens als zwarte mensen. Dat zet de klok in sommige opzichten juist een paar decennia terug en werkt contraproductief.


Afgelopen zaterdag stond deze column in het Algemeen Dagblad. De kop klopt, want racisme is niet alleen iets waar witte mensen zich schuldig aan maken. Wat dat betreft zou het pas écht revolutionair en baanbrekend zijn geweest als de ANWB een Marokkaanse man op de cover had gezet met een zwarte vrouw (of omgekeerd). Daarover gaat het echter niet in haar column, want die houdt zich braaf aan het heersende narratief. Er staat niet één zin in die je aan het denken zet, die schuurt, die je op een andere manier naar een bekend beeld laat kijken, die verrast of die afwijkt van wat je hoort in Dit is M of een willekeurige andere talkshow. Kortom: je wordt er niet veel wijzer van, maar krijgt alleen maar ingepeperd hoe je naar dit probleem behoort te kijken.

Ikzelf heb in dit blog zomaar wat zaken aangestipt, beweer nergens dat racisme niet bestaat of is uitgebannen en geef zelfs niet eens antwoord op de belangrijkste vraag in het intro. Dat doe ik misschien een volgende keer, als ik het boek The Madness of Crowds van Douglas Murray uit heb. Dat boek lag al een paar maanden op een stapel, maar bleek ineens razend actueel door de ontwikkelingen van de laatste week. Ik denk zelfs dat het deels een retorische vraag is, want net als verstokte feministen hebben antiracisten er natuurlijk helemaal niets aan als het probleem dat ze zeggen te bestrijden daadwerkelijk uit de wereld wordt geholpen. Dan sta je - hoe gek dat misschien ook klinkt -  met net zulke lege handen als een aflosgoeroe met een hypotheekvrije huis en heb je geen enkel bestaansrecht meer.


maandag 11 mei 2020

De coronacrisis kun je beschouwen als een gedwongen time-out

Dit is voor iedereen een rare en onzekere tijd, maar vanuit mijn optiek bezien is het zelfs bijna niet te bevatten. Zo schreef ik in mijn laatste column dat het soms bijna lijkt alsof iedereen zich ineens verplicht moet houden aan alle leefregels die wij onszelf na oktober 2008 hadden opgelegd. Dat is natuurlijk onzin, maar feit is dat dit 'nieuwe normaal' verdacht veel lijkt op mijn oude vertrouwde leven. In die zin kun je deze crisis beschouwen als een wijze les én als een gedwongen time-out. 


Er wordt de laatste tijd volop gespeculeerd over de vraag hoe de wereld eruit komt te zien, zodra dit alles achter de rug is. Zelf verwacht ik dat hij opvallend veel zal lijken op hoe het tot voor kort was, tenzij dit virus van geen wijken weet en de boel jarenlang grondig overhoop gooit. Het gros van de mensen kan niet wachten om weer in het vliegtuig te stappen of te gaan winkelen, zeker niet als daar geen enkel risico meer aan verbonden zou zijn.

Zelf hebben wij de boel radicaal omgegooid na de vórige crisis, maar daar was dan ook een dwingende reden voor. Zo ben ik fanatiek gaan aflossen in het volle besef dat ik mijn pensioen niet zou gaan halen in loondienst. In het boek Hypotheekvrij! maak ik daar geen woorden aan vuil (om de simpele reden dat ik toen nog bij mijn laatste werkgever in dienst was), maar ik wilde van het aflossingsvrije deel van de schuld af voordat ik mijn baan daadwerkelijk zou verliezen.


Om dat voor elkaar te krijgen, zijn wij vanaf november 2008 gaan leven alsof - zoals ik dat in diezelfde column omschrijf - de intelligente lockdown toen al van kracht was. Ik kocht jaren achtereen geen nieuwe kleren, kwam zelden of nooit in een restaurant en sloeg soms zelfs de zomervakantie over. Als we deze zomer helemaal niet weg kunnen of noodgedwongen in Nederland moeten blijven, haal ik daar dan ook mijn schouders over op.

Nu zit opeens het hele land in hetzelfde schuitje, met dát verschil (en dat is een essentieel verschil) dat wij het min of meer uit vrije wil deden en supergemotiveerd waren. Wat we deden, of juist niet deden, diende een duidelijk doel en had meteen effect. Nu lijkt het middel soms wel erger dan de kwaal en verkeren veel huishoudens in acute financiële nood. Tegelijk is het een broodnodige time-out, alsof het noodlot aan de noodrem trok.


Zelf heb ik dat twee keer eerder meegemaakt en beide keren pakte het wonderwel uit. Zo konden wij in 2011 bovenstaand stuk weidegrond kopen, dat toen nog helemaal overwoekerd was en vol stond met brandnetels. Op de dag dat de definitieve erfgrens werd bepaald, kon ik me niet langer inhouden en ging ik de begroeiing te lijf met een doodgewone zweefmaaier. Die moest ik af en toe optillen, omdat het gras tot mijn knieën kwam en daarbij landden de vlijmscherpe messen soms gevaarlijk dicht bij mijn voet.

Nu was ik in die tijd al half overspannen, doordat ik elke vijf weken een compleet maandblad in elkaar moest timmeren. Ik weet nog goed hoe mijn brein registreerde dat de grasmaaier tegen de rand van mijn regenlaars tikte zonder daaruit de conclusie te trekken dat ik veiligheidsschoenen moest aantrekken of maar beter helemaal kon stoppen. Dus eindigde ik even later op de Eerste Hulp en bracht ik de weken daarop in bed door met twee gehechte en gebroken tenen. Het werk ging gewoon door, maar ik kon heel even bijkomen met een laptop op schoot.


Het tweede voorbeeld stamt uit diezelfde hectische periode. Schreef ik als weekbladjournalist doorgaans zo'n twee artikelen per week, toen het een maandblad werd maakte ik er wel twee (of zelfs drie) per dág. Ik jakkerde van het ene onderwerp naar het andere en soms zelfs van het ene naar het andere land. Zo zat ik op een dag ineens in een hotel in Italië voor de introductie van de nieuwe Lancia Ypsilon en maakte ik een proefrit door de omgeving.

Deze keer werd ik gekoppeld aan Paul van Eijndhoven, hoofdredacteur van het Italië Magazine. Meestal was ik op pad met autojournalisten, maar dit reisje was speciaal bedoeld voor glossy's en publieksbladen. Halverwege de testrit, bij een café met uitzicht op het Comomeer, stelde hij voor om even te pauzeren voor een kop koffie. Zo zat ik even later gelukzalig te nippen aan een kop espresso, terwijl het heel eventjes rustig werd in mijn eigen hoofd.


Het is een gebeurtenis van niks - want ik durf te wedden dat hij het zelf niet eens meer weet - maar voor mij was het zo'n zeldzaam moment dat ik bijna wel kon janken van geluk. Tegelijk was ik zelf niet bij machte om die rust te pakken, dus ik had iemand nodig die me een halt toeriep. Vandaar dat het me eeuwig bij zal blijven en ik me altijd nog had voorgenomen om hem er, al is het bijna een decennium later, nog eens expliciet voor te bedanken.

Wat hij toen deed - ik zou bijna zeggen: hoe hij in mijn leven ingreep - doet het coronavirus nu met het collectief. De regels versoepelen alweer en hetzelfde geldt voor de bijbehorende zelfdiscipline, maar even hebben we dat heerlijke moment van rust en stilte mogen ervaren. In een van mijn boeken noteer ik dat je af en toe letterlijk moet stilstaan om even stil te staan bij wat echt belangrijk is in het leven. Daar heb ik toen al even van mogen proeven aan de oever van het Comomeer en dat smaakte absoluut naar méér.

maandag 4 mei 2020

Gaat de coronacrisis ons hele leven op z'n kop zetten?

Begin maart, nog voordat mijn nieuwe boek goed en wel gedrukt was, begon ik aan de opvolger van Eindelijk hypotheekvrij! Inmiddels heb ik zoveel ruw materiaal dat ik dat boek - dat ik gekscherend al eens Eindelijk voorbij! heb genoemd - in theorie nu al op de markt zou kunnen brengen als een soort appendix. Vraag is op dit moment niet alleen of dat bewuste boek ooit echt zal verschijnen, vraag is ook hoe het leven er ná corona precies uit komt te zien. In elk geval heeft het op microniveau mijn muzieksmaak al radicaal gewijzigd.



Op het eerste oog lijkt het misschien niet heel interessant om te weten naar welke muziek ik precies luister als ik de krant zit te lezen of een boek aan het schrijven ben (zeker wanneer muziek slechts een marginale rol speelt in je leven), maar het is symptomatisch voor de aardverschuiving die deze crisis heeft veroorzaakt. Er wordt veel gespeculeerd over hoe het leven er ná corona precies uit zal komen te zien en dat is niet voor niets. Veel van wat vertrouwd is, zal straks niet meer bestaan of onherkenbaar van gedaante zijn veranderd. Met andere woorden: er staan ons tal van kleine en grote veranderingen te wachten.

Grappig genoeg had ik het onderwerp voor dit blog al bedacht, toen ik bovenstaande column las in de zaterdagkrant die ik elke week van onze buren krijg. Schrijver Ilja Leonard Pfeijffer vertelt daarin hoe de crisis van invloed is op zijn muzieksmaak. Hij hield altijd al van klassieke muziek, maar hij heeft de laatste tijd binnen dat genre vooral behoefte aan 'voorspelbare' klanken. Die bieden hem in deze onzekere tijd niet alleen troost door hun schoonheid, maar ook houvast door de structuur van de composities. Hij luistert dus niet alleen naar andere muziek, maar hoort daarin plots ook iets heel anders.


Nu is mijn eigen muzieksmaak altijd al tamelijk eclectisch geweest, want ik luister zowel naar punkrock als naar de door Pfeijffer genoemd componist Palestrina. Van hokjes heb ik me nog nooit iets aangetrokken en ook niet van wat hoort, want het enige wat telt is wat je er zélf in hoort. Dus luister ik met vlagen naar oude blues, dan weer naar de hele tijd naar hiphop of Duitse symfonische rock. Maar de laatste weken is het vooral - en niet geheel toevallig - spacerock. Aanleiding is de heruitgave van het verzamelalbum Roadhawks, maar er is een reden waarom ik daarna bij Hawkwind bleef hangen.

Aan de ene kant heeft dat met nostalgie te maken, want het is muziek waar ik naar luisterde toen ik op de middelbare school zat. Aan de andere kant is dit, met al die bliepjes en piepjes en teksten over ruimtereizen en een toekomst vol geavanceerde robots, natuurlijk de ultieme vorm van escapisme. Je zit met je hoofd in de kosmos en relativeert de aardse problemen door je de ontzagwekkende omvang en oneindigheid van het heelal voor te stellen. Het gevolg is dat ik voor de komst van corona een stuk of zes cd's bezat van Hawkwind, terwijl ik nu al ruimschoots op het dubbele zit.


Daar bleef het echter niet bij, want naast de instrumentale spacerock van ons eigen Monomyth (waarvan ik inmiddels alle vier de cd's in bezit heb) stopte ik opeens ook een album van Richard Pinhas in mijn virtuele boodschappenmandje. Die artiest vertegenwoordigt óók een nostalgische waarde, want aan mijn vakanties in Frankrijk hield ik als tiener drie langspeelplaten over van de elektronicapioniers Heldon. Eén daarvan had ik jaren gelden al eens op cd gekocht, maar nu volgde ik opeens de verrichtingen van oprichter Pinhas met volle aandacht.

Op een van zijn albums staat een instrumentaal nummer dat langer duurt dan een uur. Je hoort vervormde gitaren, soms zo vervormd dat je denkt naar synthesizers te luisteren, aangevuld met slagwerk van een Japanse drumvirtuoos. Het is muziek die enorm veel van de luisteraar vraagt en waarin je pas na verschillende luisterbeurten iets van een structuur kunt ontdekken. Het is in zekere zin precies het omgekeerde van wat Pfeijffer doet, maar heeft tegelijk alles te maken met de coronacrisis. Niet alleen leidt het enorm af, je brein is ook de hele tijd bezig om iets totaal onbekends en onvoorspelbaars te bevatten.