Zoeken

woensdag 11 juli 2018

Zorgt al dat zonnige weer ook voor een zonnig humeur?

In het Volkskrant Magazine van afgelopen weekend werd hardop de vraag gesteld of er een verband bestaat tussen 'het weer' en 'geluk'. Dat lijkt me overduidelijk, maar toch blijkt dat volgens de auteur van het artikel maar lastig wetenschappelijk te bewijzen. In het artikel wordt zelfs een sociaal-psycholoog aangehaald die beweert dat zonnig weer helemaal niet leidt tot een zonnig humeur. Rara hoe kan dat?


Als mensen vragen hoe het met me gaat, luidt het antwoord doorgaans: 'Goed, maar vraag het me nog een keer in het voorjaar.' In de wintermaanden weet ik me doorgaans ook prima te vermaken, maar dan kom ik tegelijk zo weinig buiten dat ik net zo goed op twaalf hoog in de stad zou kunnen wonen. Zodra de lente aanbreekt, gaan de tuindeuren open en slenter ik vaak al om zeven uur in de ochtend met een krant onder mijn arm naar het terras.

Het aantal mogelijkheden om jezelf te vermaken (lees: de verschillende manieren om niets te doen) stijgt dan ook exponentieel. In de wintermaanden lees ik een boek op de bank, kijk ik een film in bed of ben ik te vinden in de bioscoop. In de lente en de zomer zit ik bijna elke dag op de fiets, lees ik een boek in de tuin, eten we aan de waterkant en ben ik buiten tot het donker wordt zodat de televisie niet eens aangaat. Je kunt dus ook zeggen dat ik dan een totaal ander leven leid.


Toch kun je daar volgens de krant niet zomaar conclusies aan verbinden. Nu snap ik wel dat er in deze tijden van nepnieuws en fake-accounts behoefte bestaat aan onweerlegbare feiten en wetenschappelijk onderbouwde conclusies, maar dit lijkt me een inkoppertje waar je als socioloog niet veel aan toe te voegen hebt met een paar vragenlijsten. Toevallig merkte ik een paar dagen geleden nog tegen iemand op dat een 'omgekeerde werkweek' net zo goed kan inhouden dat je van oktober tot april fulltime werkt om vervolgens zes maanden lang te genieten van de zon.

Om het verband tussen zonlicht en geluk te onderzoeken moet je dus niet klakkeloos naar landen kijken waar de zon altijd schijnt zoals de schrijfster van het artikel doet. Elke dag zon gaat al snel vervelen, net als elke dag biefstuk of elke dag seks. In ons land genieten we juist zo van mooi weer omdat het een zeldzaamheid is. De dip van afgelopen dinsdag, met donkere wolken en zowaar een beetje motregen, leek ook alleen maar ingelast om ons te herinneren aan het feit dat elke zomerse dag een cadeautje is dat je moet koesteren.


Dat laatste blijkt volgens weer een andere krant extra lastig te zijn voor mensen die gebukt gaan onder eenzaamheid. Die voelen zich op al die lange warme dagen waarop iedereen plezier lijkt te hebben en gezellig samen op vakantie gaat, juist extra ongelukkig. Iets vergelijkbaars gaat waarschijnlijk op voor mensen die op zomerse dagen moeten werken en tandenknarsend hun tijd op kantoor doorbrengen terwijl het buiten heerlijk weer is (of die, omgekeerd, juist buiten moeten werken in de brandende zon).

Crux is dat de zon je humeur versterkt. Wie zich goed voelt, zal zich op een zonnige dag iets beter voelen en nog meer genieten. Het is geen tovermiddel, en zeker geen anti-depressivum, maar meer een soort bonus. Je moet dus al een beetje blij van jezelf zijn en in de omstandigheid zijn optimaal van het mooie weer te genieten. De schrijfster van het artikel geeft zelf eigenlijk al aan waar bij de meeste mensen het probleem zit met haar vaststelling dat in deze 'moderne tijd' bijna niemand nog buiten komt.

Sterker nog, ze verpakt het als een soort retorische vraag want letterlijk staat er: hoe vaak zijn we nu eigenlijk nog buiten? Nou, wat dacht je van de hele f*cking dag? Van half zeven in de ochtend tot tien uur 's avonds? Ik zit nu even binnen aan de keukentafel te tikken (met de tuindeuren open en uitzicht op de tuin), maar als dit blog klaar is verhuis ik als de bliksem naar mijn luie stoel onder de eikenboom met weer een ander bibliotheekboek om daar de rest van de dag te genieten van de zoveelste zomerse dag van het jaar.

woensdag 27 juni 2018

Wie zijn nou de échte slachtoffers van de pensioencrisis?

Een paar dagen na mijn vorige blog over pensioenen viel in De Volkskrant te lezen dat 'ouderen' (en ik zet dat met opzet tussen haakjes omdat het over mijn leeftijdscategorie gaat) net zo goed achter het net vissen als het om dit onderwerp gaat. De groep vijftigers die ooit de arbeidsmarkt betrad tijdens een zware economische crisis, heeft de VUT praktisch voor zijn neus zien verdampen en kan alleen maar dromen van eerder stoppen met werken. Kloppen al die verhalen over een 'verloren generatie' dan toch? Of moeten we nu eens en voor altijd stoppen met generaliseren en eens aandachtig stilstaan bij de échte pensioenkloof?


Als het artikel van Gijs Herderscheê één ding laat zien, dan is het wel dat niet alleen jongeren de dupe zijn van de pensioencrisis. Ook voor vijftigers is het een hard gelag om op het meest recente pensioenoverzicht te lezen dat ze door moeten werken tot ze 67 jaar en drie maanden zijn, zeker als ze inderdaad ooms of vaders hebben die al op hun 55ste konden stoppen met een aantrekkelijke regeling. Zijn verhaal benadrukt ook dat vijftigers niet op één hoop gegooid moeten worden met de gewraakte babyboomers, omdat die in de meeste gevallen allang met pensioen zijn.

Voor vijftigers is die hogere pensioenleeftijd zelfs extra wrang, omdat ze zijn opgegroeid met commercials van een zongebruinde Kees Brusse. Elke vijftiger is ooit een twintiger of dertiger geweest die zijn eerste vaste baan kreeg met ergens in het achterhoofd het besef dat je uiterlijk op je 57ste kon gaan genieten van een zwitserlevengevoel op een palmstrand. Jongeren rekenen vaak helemaal nergens meer op, terwijl vijftigers heel lang geloofden dat zij later (en niet eens zoveel later dan hun ooms en vaders) óók met de VUT konden of een andersoortig vroegpensioen.


Gijs Herderscheê is dus geen Holle Bolle Gijs of een Gijs Geluk, maar een pechvogel uit de verloren generatie met het verkeerde geboortejaar. Weliswaar probeert hij zichzelf moed in te praten met de mededeling dat hij 'het leukste beroep' heeft en de dooddoener dat hij 'niet zo nodig met pensioen hoeft', maar de kans is klein dat hij 'nee' zou zeggen als zijn chef hem morgen een goudgerande regeling aanbood waarmee hij eerder kon stoppen. Langer doorwerken lijkt nog niet zo'n onoverkomelijke ramp als je van 1959 bent en dit jaar 59 wordt, maar het voelt straks heel anders wanneer je op je 68ste met een zucht de deur van het kantoor achter je dichttrekt en tot je grote schrik beseft dat je al bijna 70 bent.

Opvallend is dat in het verhaal van Herderscheê bijna alleen maar slachtoffers voorkomen: of je hebt een baan en moet noodgedwongen doorwerken tot je 68ste óf je bent in de crisisjaren je baan kwijtgeraakt en moet nu je spaargeld opsouperen, je huis opeten en een bijstandsuitkering aanvragen. Dat er ook mensen zoals ik bestaan die zelf een soort VUT in elkaar hebben geknutseld en genoegen nemen met een veel lagere levensstandaard (met als bijkomend voordeel dat vliegveld Lelystad zelfs helemaal dicht kan), lijkt hij niet te beseffen of te willen weten. Maar die kloof is er dus alvast: tussen koppige spaarders en slachtoffers.


De ongemakkelijke waarheid is dus dat er niet één pensioenwaarheid is die voor iedereen opgaat. Er zijn in het oog springende verliezers (mensen met zware beroepen die al op hun veertiende begonnen zijn en op hun 61ste als een wrak in de ziektewet belanden), maar veel interessanter is de vraag waarom de journalist Herderscheê (1959) nog een jaar of negen moet werken terwijl ik (1961) op maandagmiddag op mijn gemak een sciencefictionroman zit te lezen onder de eikenboom in mijn achtertuin. Om uit te vogelen hoe dat kan, zou je niet alleen de (oude) loonstrookjes met elkaar moeten vergelijken, maar ook de pensioenvoorwaarden, de hypotheekakte, de vaste lasten en de levensstijl.

Iedereen beweert in deze discussie de échte kloof te hebben gevonden, terwijl het vaak een groot grijs gebied is dat alles te maken heeft met spaargedrag en de bereidheid de tering naar de nering te zetten. Dat ik op mijn 55ste met een soort deeltijdpensioen kon, heeft alles te maken met de deeltijdbaan van mijn vrouw maar ook met het besef dat het vaak kiezen of delen is. Niet voor niets stel ik in Leven van de lucht hardop de vraag of ik bereid zou zijn om nooit meer op vakantie te gaan (met uitzondering van een fietsvakantie) in ruil voor 365 dagen vakantie per jaar. Stel jezelf die vraag straks ook maar eens voor de lol op een zonovergoten terras in een of ander warm land, als je zit te mijmeren over de toekomst, en besef dat alles afhangt van het juiste antwoord.

woensdag 20 juni 2018

Eerder stoppen met werken wordt een luxe en een statussymbool

Vanmorgen las ik in de krant dat er sprake is van een groeiende 'vroegpensioenkloof'' tussen laagopgeleiden en hoogopgeleiden. Nu zet het dagblad in kwestie alles altijd wat zwaar aan, maar in dit geval is er sprake van een dusdanig minimaal verschil dat het niet eens in jaren kan worden uitgedrukt. Veel schokkender vind ik zelf dat het volgens de bijgevoegde grafiek nog niet eens zo heel lang geleden is dat iederéén zo rond zijn zestigste kon stoppen met werken.


Volgens het bericht zouden hoogopgeleiden gemiddeld tien maanden eerder kunnen stoppen met werken. Nu is die tijdspanne best lang voor een wereldreis, maar niet als je het afzet tegen een heel mensenleven - of tegen iemands werkzame leven. Om een idee te geven: jij bent op 1 januari van dit jaar al gestopt en zit nu prinsheerlijk in de tuin, terwijl je buurman nog door moet ploeteren tot 1 november. Nu is elke dag er waarschijnlijk één teveel wanneer je lichaam op is, maar feitelijk is het een verschil van niks want van dit nieuwe jaar is alweer bijna de helft verstreken.

Vanuit mijn optiek gezien is het zelfs een bijna surrealistisch bericht, want ik ben op mijn 55ste met plakbandpensioen gegaan en schrik er juist van hoe verschrikkelijk snel de tijd voorbij gaat. Mijn laatste boek Leven van de lucht is een soort dagboekverslag van de eerste twaalf maanden van dat experiment en inmiddels zijn we alweer ruim een jaar verder. Veel schrijnender dan wat de krant meldt is dat laagopgeleiden soms al op hun zestiende zijn begonnen met werken, terwijl het voor mensen van mijn generatie niet gek is dat ze pas op hun zesentwintigste hun eerste baan kregen. Bij die tien maanden moet je in veel gevallen dus nog eens tien jaar optellen.


Volgens het krantenartikel wordt vroeg stoppen met werken 'een luxegoed'. Dat voorzag ik al toen ik in 2015 Het plakbandpensioen schreef en daarin voorspelde dat eerder stoppen met werken hét 'statussymbool' van morgen zou gaan worden. Sindsdien is de feitelijk leeftijd waarop mensen afzwaaien alleen maar gestegen, terwijl tegelijk de arbeidsparticipatie onder 60-plussers fors is toegenomen. Er zijn meer mensen aan het werk en ze moeten ook steeds langer doorwerken. Zelf krijg ik waarschijnlijk ook pas AOW als ik 68 jaar ben, dus pas over elf jaar. Daarmee vergeleken is tien maanden langer doorwerken natuurlijk een lachertje, zeker als je je hele leven de tijd hebt gehad om te sparen en af te lossen.

Begrijp me goed: ik vind het onmenselijk dat mensen met zware beroepen door moeten werken tot ze 68 zijn of ouder, want ik sprak niet zo lang geleden een hovenier van 28 die nu al kampt met beroepsgerelateerde rugklachten, terwijl hij nog minimaal 40 (!) jaar voor de boeg heeft. Boven een bepaalde leeftijd zouden mensen ook helemaal geen nachtdiensten meer moeten draaien en de kans moeten krijgen om een of twee dagen minder te gaan werken met behoud van een deel van het salaris. Maar dat neemt niet weg dat ik vind dat je een sloot niet al te snel een rivier moet noemen en een minimaal verschil niet zomaar moet bombarderen tot een enorme misstand.


Er zijn dus genoeg problemen in de wereld om je druk over te maken, maar het is een bijkomend probleem dat we tegenwoordig alles heel snel bestempelen als probleem (of als onrecht, of als een kloof, of als discriminatie of als een misstand of als scheefgroei of als een groot schandaal). Zo las ik vanmorgen een artikel over jongeren die 'buiten de boot vallen' als het om de huizenmarkt gaat. Nu is het bepaald lastig om als jongere betaalbare woonruimte te vinden of als starter ergens een hypotheek los te peuteren zonder eigen geld, maar wie het artikel aandachtig leest ontdekt dat er ook iets heel anders speelt.

Veel jongeren (en dan hebben we het in dit geval over 25-jarigen) willen na het behalen van hun diploma graag in hun studentenstad blijven wonen en stuiten daarbij op torenhoge huren en onbetaalbare koophuizen. Vroeger zou je dan je schouders ophalen en elders je heil zoeken, maar nu lees ik dat een van de woningzoekenden in het artikel haar verontwaardiging over de overspannen situatie op de Utrechtse woningmarkt kracht bij zet met de uitspraak: 'Ik weiger op deze leeftijd in een rijtjeshuis in Driebergen te gaan zitten, of het nu huren of kopen is'.

Daar heb ik dan verder ook niet veel meer aan toe te voegen.

zaterdag 16 juni 2018

Ah, natuurlijk zijn het weer 'de ouderen' die de huizenprijzen opdrijven!

Vanmorgen stond ik al om half zes naast mijn bed om met een kop koffie en een stapel kranten te genieten van de fluitende vogels in de tuin en de wereld die langzaam ontwaakte. Helaas verslikte ik me al snel in diezelfde kop koffie, toen ik in de zaterdageditie van De Volkskrant las dat 'senioren' persoonlijk verantwoordelijk moeten worden geacht voor de absurde prijsstijgingen van koophuizen, omdat ze 'steeds dominanter worden op de woningmarkt'. 


Ik zal niet zeggen dat je als witte man van middelbare leeftijd tegenwoordig nog maar weinig goed kunt doen in deze maatschappij, want dan gedraag je je precies hetzelfde als al die mensen die zich wel ergens het slachtoffer van voelen. Toch kan ik alleen maar vaststellen dat dit artikel de zoveelste tendentieuze poging is om ouderen overal de schuld van te geven en jong en oud tegen elkaar op te hitsen (of beter gezegd: jongeren het gevoel te geven dat ze achter het net vissen en stelselmatig achtergesteld worden).

Grote vraag is wat je mensen nu eigenlijk precies verwijt wanneer ze een huis kopen, de hypotheek in de loop der jaren netjes aflossen, hun kinderen opvoeden en uitzwaaien en vervolgens nog een beetje van het leven proberen te genieten in datzelfde huis. De overheid wil dat mensen steeds langer zelfstandig blijven wonen, dus dat doen ze. En wie nog vitaal is en graag in de tuin bezig is, zal zich wel een paar keer bedenken voordat hij zijn woning inruilt voor een gelijkvloers appartement met een paar zielige bloembakken.


Als ik als planoloog een verklaring zou moeten geven voor de huidige gekte op de huizenmarkt, dan zou ik er allereerst op wijzen dat er in ons land nog heel veel gebieden zijn waarin de woningmarkt nog maar net hersteld is van de gevolgen van de crisis en er van gekte helemaal geen sprake is. Het is een probleem van de grote steden, van de Randstad en van een steeds verder uitwaaierende cirkel daaromheen. Als ik eerlijk ben, heeft de snelheid waarmee deze omslag plaatsvond me verrast, want voor mijn gevoel stond eergisteren nog een groot deel van de woningvoorraad onder water.

Die omslag heb ik dus niet voorzien of voorspeld, maar ik kan wel vaststellen dat er de afgelopen jaren vanwege de crisis veel te weinig is gebouwd, met als gevolg dat er nu sprake is van een groot tekort aan woningen. Daarnaast heeft de kunstmatig lage rente mensen ertoe verleid om hun spaargeld in aandelen en vastgoed te steken, omdat dat veel beter rendeert. Daar komen dan nog professionele beleggers bij en een woningvoorraad die totaal niet aansluit op de demografische verschuiving waar we nu middenin zitten.


Ouderen kunnen het in dat krachtenveld natuurlijk alleen maar verkeerd doen. Als ze in hun eigen huis blijven wonen nadat de kinderen zijn uitgevlogen, 'houden ze een woning bezet' waar een jong gezin heel blij mee zou zijn. Mochten ze besluiten te verhuizen, dan hebben ze door overwaarde en spaargeld een voorsprong op jongeren en kunnen ze veel sneller handelen en hoger bieden. In beide gevallen hebben jongeren het nakijken, maar dat betekent natuurlijk niet dat iemand iets te verwijten valt.

Dat lijkt ook de verslaggever te beseffen, vandaar dat hij terugvalt op taalconstructies die ten onrechte een misstand suggereren (zo worden ouderen volgens het artikel steeds 'dominanter' op de woningmarkt en laat hij een van de geïnterviewden zijn verhaal doen vanuit een 'luie stoel' met uitzicht op openslaande deuren). Ook wordt er verhaald van een ouder stel dat inderdaad naar een appartement verkaste en zich daar zo verveelde dat ze toen maar een huisje in Frankrijk kochten om iets om handen te hebben.


Door alleen maar blije, gezonde senioren met een hypotheekvrij huis te portretteren, wordt de indruk gewekt dat alle ouderen er warmpjes bij zitten, de hele dag in de tuin zitten te lezen en geheel ten onrechte profiteren van het vermogen dat ze gedurende hun werkzame leven bij elkaar hebben gespaard. Dat krijg je dus als je zo'n beetje alle journalisten boven de 50 de laan uitstuurt en de krant laat volschrijven door een generatie die als eerste reflex heeft dat iets 'niet eerlijk' is.

In plaats van steeds maar uit hetzelfde vaatje te tappen en de krant te vullen met tendentieuze artikelen, zou het veel verfrissender zijn om eens een interview te doen met de eventuele kinderen van Gerard en Liesbeth, Trijntje en Willem, Ans en Frits en Truus. Want wat gebeurt er als al deze ouderen die de huizenprijzen opdrijven er straks niet meer zijn? Wie erven dan die huizen die tonnen waard zijn en al dat vermogen dat ze na een leven lang werken hebben opgebouwd?

En wat zouden diezelfde kinderen er eigenlijk van vinden als pa en ma het huis verkopen en vervolgens al hun spaargeld uitgeven aan de huur van een appartement, torenhoge servicekosten, een mooie SUV met een hoge instap en allerhande leuke reisjes? Zijn de problemen op de woningmarkt dan in één klap opgelost of krijgen we dan alsnog allemaal scheve gezichten omdat de erfenis is verdampt en jongeren andermaal met lege handen staan?

maandag 11 juni 2018

Maar natúúrlijk begin ik langzamerhand een ouwe zeur te worden

Onlangs merkte iemand op Twitter op dat ik een beetje een 'ouwe zeur' begin te worden. Dat lijkt me een terecht verwijt, want toen ik zestien was in 1977 beschouwde ik iedereen die zuur opmerkte dat The Jam niet zoveel anders klonk dan The Who óók als een ouwe zeur, terwijl ik inmiddels precies hoor wat ze bedoelen en ze alleen maar groot gelijk kan geven. Wie al wat langer meedraait in deze maatschappij, wordt vanzelf die trouwe werknemer die al vijf reorganisaties heeft meegemaakt en bij de zesde poging om het wiel opnieuw uit te vinden diep begint te zuchten.


De aanleiding om mij een 'ouwe zeur' te noemen, was het kabinetsbesluit om ook leerlingen op het MBO voortaan student te noemen. Op zich vind ik dat helemaal niet zo'n belangrijk onderwerp, maar ik liep al snel tegen het feit aan dat de meeste MBO-studenten niet eens meer weten dat er een tijd is geweest waarin HBO-studenten óók nog niet zo heetten - of zo je wilt: mochten heten. Dan snap je begrijpelijkerwijs ook niet dat er mensen zijn die dit beschouwen als een verdere afkalving van een woord dat ooit echt nog iets te betekenen had.

Als onvermijdelijke ouwe zeur slaak je af en toe een diepe zucht, bijvoorbeeld als je in een interview leest dat 'twintig jaar geleden niemand wist wat de term androgyn betekende'. Dat geloof ik best, want toen zaten we juist in een periode waarin mannen nog gewoon van Mars kwamen en vrouwen van Venus. Ga je echter nog iets verder terug in de tijd, dan kom je terecht in 1973 toen de straatmode uniseks was en je in de popmuziek bijna niet meetelde als je niet een beetje androgyn was en in interviews opbiechtte of blufte dat je biseksueel was.


De beste manier om te voorkomen dat je een 'ouwe zeur' genoemd wordt - of beter gezegd: dat je een ouwe zeur wórdt - is wijselijk je mond houden en lekker in de tuin een boek gaan zitten lezen. Dat doe ik dan meestal ook, maar ik geef één keer per week mijn mening in een blog en een paar keer per dag op Twitter. Hoe ouder je wordt, hoe ouderwetser soms je opinies en hoe meer in tegenspraak met de huidige tijdgeest, al kan het omgekeerde net zo goed gebeuren want toen in in 2008 gewoon ouderwets mijn hypotheekschuld ging terugbetalen gold dat ineens als visionair en revolutionair. Het zelfde gaat op voor mijn zogeheten 'plakbandpensioen', wat in feite neerkomt op een geheel zelf verzorgde VUT op je 55ste.

Als ik in de krant lees dat een jong stel thuis een pilletje heeft geslikt omdat ze 'een leuke avond' wilden hebben, vraag ik me af wat er in hemelsnaam gebeurd is met een bak chipito's en een film uit de videotheek (zeker als dat bewuste avondje de krant haalt omdat het een fatale afloop kende). En een artikel over de jongste lichting rappers lees ik onvermijdelijk met in mijn achterhoofd de eerste lichting rappers die ik in mijn kast heb staan. Ik moet zeggen dat ik Lil Xan heel cool vind (of hoe dat tegenwoordig ook mag heten), maar tegelijk kan ik niks met mensen die voor de lol pilletjes slikken en vind ik Stetsasonic stiekem onovertroffen.


Als mens word je dus vanzelf een ouwe zeur (net zoals je als man bijna onvermijdelijk een vieze oude man wordt), maar het wordt pas een probleem wanneer je vergeet dat je ooit jong bent geweest en suggereert dat vroeger alles beter was. Natúúrlijk is dat laatste niet zo, al was het maar omdat ik vroeger nog fulltime moest werken. Ik weet nog goed dat hiphop (en dan bedoel ik het complete wereldwijde genre) niet meer was dan één houten bak met import-cd's op de balie, maar ik kijk ook reikhalzend uit naar het nieuwe album van de Jedi Mind Tricks. Op dezelfde manier lijkt het me verdraaid lastig om boeken te schrijven zonder laptop of internet.

Jonge mensen denken nogal eens dat ze in een uniek tijdsgewricht leven en zijn ervan overtuigd dat oudere generaties alles verkeerd hebben gedaan. Dat is hun goed recht en dat is een héérlijk superieur gevoel. Ouwe zeuren daarentegen draaien niet alleen The Jam, maar hebben ook een hele rits cd's van The Who en zien vaker een interessante rode draad dan een instant-revolutie. De geschiedenis is een slinger, een golfbeweging, een herhaling van zetten, een cyclus, een opeenvolging van ontdekkingen die steeds opnieuw worden gedaan en een constante wedergeboorte van nieuwe generaties die denken dat ze alles zelf hebben uitgedokterd. In die zin zijn er waarschijnlijk dus ook altijd al ouwe zeuren geweest.

dinsdag 5 juni 2018

Gezocht: een groot eiland voor een uniek experiment!

Toen ik in 1980 politicologie studeerde aan de UvA, kreeg ik daar te horen dat álle verschillen tussen man en vrouw (en dus ook elk gedrag dat we als typisch mannelijk of vrouwelijk beschouwen) terug te voeren is op opvoeding en maatschappelijke mores. Nu, bijna veertig jaar later, lijkt dat een onderwerp waarover geen discussie meer mogelijk is, terwijl er tegelijk weinig terreinwinst is geboekt. Misschien moeten we daarom maar eens een groot onbewoond eiland zoeken waar we Cordelia Fine tot koningin benoemen en waar iedereen vanaf de geboorte volkomen sekseneutraal wordt opgevoed. Zelf ben ik namelijk héél benieuwd naar de uitkomst.


Hoewel ik in 1980 pas 19 jaar oud was en nog betrekkelijk weinig levenservaring bezat (ik was zelfs nog maagd), leek me dat toen al wat kort door de bocht. Dat gevoel werd nog eens versterkt toen mijn jongste zoon op de basisschool zat en alle kinderen voor het eerst verkleed in de klas mochten verschijnen. Toen bleek dat alle jongens eruitzagen als soldaat, piraat, ridder, cowboy of skelet en alle meisjes als prinsesjes en elfjes. Natuurlijk is het mogelijk dat dat allemaal de schuld is van Walt Disney, maar het suggereert tegelijk het bestaan van een wel heel erg geraffineerd patriarchaal complot.

Ik heb heel veel aan die studie politicologie gehad, omdat ik toen geleerd heb om kritisch te denken en om vooral zélf te blijven nadenken. Dat werd niet gedoceerd, maar dat was het gevolg van alle ideologisch gekleurde onzin die ik voorgeschoteld kreeg. Sindsdien ben ik altijd op zoek naar alle zwakke plekken in elk verhaal, of het nu gaat om verhalen over aflossingsvrije hypotheken of om mythes rondom gender en testosteron. Tegelijk betreur ik het dat 1980 wel het toneel was van werkgroepjes waarin de geslachtsdaad als onderdrukkend werd bestempeld, maar niet het startsein was van een wetenschappelijk experiment waarbij kinderen bij wijze van proef sekseneutraal werden opgevoed.


Die kinderen zouden nu bijna veertig jaar oud zijn en een schat aan informatie bieden als het gaat om de maakbaarheid van de mens. In plaats daarvan herhalen jonge vrouwelijke journalisten die in 1980 nog niet eens geboren waren de zienswijze van vrouwelijke wetenschappers die stellen dat alle verschillen tussen man en vrouw te verklaren vallen door blauwe en roze muisjes op het beschuit en het 'beeld dat kinderen meekrijgen'. Let wel: dat kan best wáár zijn of tot op zekere hoogte kloppen. Maar het kan net zo goed dat het feminisme vrouwen opzadelt met de illusie dat alle verschillen tussen man en vrouw maakbaar zijn en dat je alleen maar wat aan de knoppen hoeft te draaien om een sekseneutraal paradijs tevoorschijn te toveren.

Gevreesd moet worden dat NRC Weekend over een kwart eeuw - als er dan tenminste nog kranten bestaan - precies dezelfde wetenswaardigheden meldt, zonder dat ooit een keer is gekeken of gebleken of het standhoudt. Vandaar dat ik me weleens serieus afvraag wat er zou gebeuren als je pasgeboren kinderen op een eiland consequent sekseneutraal op zou voeden. Dat moet dan natuurlijk wel een eiland zijn zonder internet, met geheel eigen prentenboeken, jeugdhelden en televisieprogramma's die een volstrekt ander beeld laten zien. IJsland is zo'n eiland, dus wat daar gebeurt is op zich al interessant. Nog interessanter zou het zijn om ergens blanco te beginnen en te kijken of mannen en vrouwen inderdaad als een soort onbeschreven blad de wereld betreden.


Mijn eigen voorbeeld laat zien dat er veel kan veranderen, zelfs binnen één generatie of een half mensenleven. Zo zijn mijn vrouw en ik allebei opgevoed met een moeder die ons na schooltijd op zat te wachten met thee en een koekje. Mijn vrouw is echter gewoon gaan werken (zij het parttime) en inmiddels hebben we hier in huis zelfs de rollen omgedraaid. Ik geloof dus ook niet dat het in de mannelijke natuur zit om fulltime kostwinner te zijn en ik geloof al helemaal niet dat het een mannelijk privilege is om veertig jaar lang veertig uur per week te werken. Sterker nog: je mag het woord kostwinner wat mij betreft  best verbasteren tot kotswinner, want ik word al misselijk bij het idee dat ik weer echt zou moeten gaan werken.

Tegelijk vraag ik me oprecht af wat we te zien krijgen als we over een jaar of vijfentwintig een delegatie wetenschappers naar dat bewuste eiland sturen. Is seksueel misbruik geheel uitgebannen? Zijn alle mannen immuun voor vrouwelijk schoon en kijken ze even neutraal naar een naakte vrouwenborst als naar een mannelijke torso? Zijn er net zoveel vrouwelijke hooligans als mannelijke of bestaat dat hele fenomeen misschien niet eens meer? Zitten mannen daar uren met vrienden te babbelen onder het genot van een high tea en zijn vrouwen zwijgend aan het vissen? En vooral: zijn alle mensen (M/V) in die misschien wel omgekeerde wereld ook echt beter af en gelukkiger dan wij?

zaterdag 2 juni 2018

Dus Generatie Z is vooral op zoek naar zingeving?

Vanmorgen keek ik snel even de uitzending van Pauw terug van een dag eerder, nadat ik op Twitter van alles en nog wat was tegengekomen over de zoon van wijlen Antonie Kamerling. Die zat daar als representant van de jongste generatie, die een gap year niet zelden vult met een gapende leegte. Nu ben ik zelf een enthousiaste pleitbezorger van Het Nieuwe Nietsdoen, maar dat fenomeen heeft echt he-le-maal niks te maken met tot drie uur in je bed liggen en vervolgens de dag blowend op de bank doorbrengen met chillen en netflixen. Grote vraag na dit item is natuurlijk of het gaat om een persoonlijk probleem (die jongen heeft namelijk nogal wat meegemaakt) of een ziekte van een generatie.


Over de 18-jarige Merlijn Kamerling werden op sociale media niet alleen maar aardige dingen gezegd. Je kunt je ook afvragen wat precies het doel was van dit televisie-optreden, al vermoed ik dat het deels een wanhoopspoging moet zijn geweest van zijn bezorgde moeder. Ik kan me heel goed voorstellen dat Isa Hoes af en toe ook niet meer weet wat ze met haar zoon aanmoet en misschien hoopt dat dit helpt als opstapje naar een baan als presentator of acteur. Wel verbaasde het me enigszins dat ze zo gepikeerd reageerde toen Freek de Jonge voorzichtig opperde dat dit misschien ook een beetje een luxeprobleem is omdat Merlijn Kamerling is opgegroeid in een geprivilegieerde omgeving.

Nu kan ik het woord 'privilige' zelf inmiddels ook niet meer horen, maar dit gezin is een duidelijke representant van een welgestelde familie uit Amsterdam-Zuid. Wellicht is dat zelfs onderdeel van het probleem, want in arme gezinnen is er doorgaans veel minder ruimte voor typisch Generatie Y-gezeik. Tegelijk wringt het woord 'privilege' nogal, wanneer je bedenkt wat hij allemaal heeft meegemaakt en vervolgens het grote portret van zijn vader ziet hangen boven zijn bed. Daar komt nog bij dat alle kinderen van een ouder die zelfmoord heeft gepleegd, worstelen met schuldgevoelens en de angst dat ze op dit vlak misschien erfelijk belast zijn.


Genoeg dus over hem. Wat het interessante was aan dit item, is dat zijn ledigheid grotendeels werd toegeschreven aan zijn geboortejaar want hij beschouwt zichzelf als een typische representant van de Generatie Z. Als je op internet op dat woord gaat zoeken, stuit je overal op dit soort foto's zodat je al snel het idee krijgt dat het om Generatie Zelfportret gaat. Deze generatie is volgens Isa Hoes zoekende en worstelt met het leven door de hoge (onuitgesproken) verwachtingen van de maatschappij en de ouders. Uit die formulering valt op te maken dat het in de eerste plaats een probleem is dat door ánderen is veroorzaakt.   

Nu is dat natuurlijk niet helemaal onzinnig, want we hebben met z'n allen de gedachte omarmd dat alles mogelijk is, dat geluk maakbaar is en dat succes voor het grijpen ligt. Door sociale media krijgt de jongste generatie ook nog eens een volstrekt vertekend beeld van de werkelijkheid, al was het maar omdat sommige jongeren er inderdaad in slagen om met weinig moeite en zonder te beschikken over een heel bijzonder talent stinkend rijk te worden. Als er dan vervolgens niets uit je handen komt en je niet weet waar jouw talenten liggen of wat je nou eigenlijk echt leuk vindt, werkt dat verlammend en voelt dat als falen.


Persoonlijk denk ik dat je heel erg voorzichtig moet zijn met generaliseren als het gaat om generaties en hun kansen, want dan kun je er net zo goed een horoscoop bij pakken als je toekomstplannen aan het smeden bent. Zelf behoor ik (1961) tot de zogeheten 'Verloren Generatie' en dat klinkt nou ook niet bepaald alsof je aan de start verschijnt met een paar kilometer voorsprong. Van dat etiket heb ik me echter nooit iets aangetrokken, met als gevolg dat ik ook nooit het gevoel heb gehad dat ik benadeeld ben, op het verkeerde moment ben geboren of net achter het net vis.

Ik denk dat het probleem ook niet zozeer is - let op - dat Generatie Z gebukt gaat onder te hoge verwachtingen van de maatschappij, maar dat juist precies het omgekeerde het geval is. Nog iets concreter: deze generatie heeft zélf zulke torenhoge verwachtingen van het leven dat het alleen maar tegen kan vallen. Je eerste verantwoordelijkheid als mens is om in je eigen onderhoud te voorzien, een bestaan op te bouwen en wellicht later ook een gezin te onderhouden. Dat is een heel ander, en meteen ook wel veel overzichtelijker en helderder uitgangspunt dan jezelf maximaal ontplooien, beroemd worden, kijken waar je gelukkig van wordt, zoveel mogelijk van de wereld zien en uitvogelen wat je nou eigenlijk echt wil met je leven om vervolgens als een dood vogeltje te eindigen op de bank.