Zoeken

vrijdag 18 mei 2018

Wat ik als man in elk geval geleerd heb van #MeToo.

Bijna anderhalf jaar nadat de hashtag #MeToo de wereld overspoelde, zit ik nog steeds te wachten op iemand die het grote grijze gebied tussen man en vrouw in kaart durft te brengen. Dat is hard nodig aangezien je als schrijver tegenwoordig al de krant kunt halen vanwege 'seksueel grensoverschrijdend gedrag' wanneer je iemand ooit tegen haar zin op de mond hebt gekust (dat gaat niet over mij, maar zo ver gaat het dus al). Desondanks: ik heb als man een paar zinnige dingen geleerd van #MeToo, dus al die ophef heeft zeker zin gehad.


Maar eerst even over Harvey Weinstein, de man waar het allemaal mee begon. Ik kan niet naar zijn foto kijken - en dan heb ik nog niet eens de meest louche uitgezocht - zonder het idee te hebben dat het om een mugshot gaat. Anders gezegd: als je die man in een film zou casten als seriemoordenaar of kinderverkrachter, zou iedere recensent schrijven dat het er veel te dik bovenop lag. Je moet niet te snel aan typecasting doen, maar deze man zou je als rechter alleen al op basis van zijn uiterlijk kunnen veroordelen, zelfs als het bewijs rammelt en hij een prima alibi heeft.

Dat zeg ik, omdat ik nu pas goed kan navoelen hoe het is om als groep te worden aangesproken op het gedrag van een paar kwaadwillende individuen. Nu snap ik veel beter hoe vredelievende moslims worstelen met bommenlegers die zeggen te handelen uit naam van de islam. Ja, natuurlijk wil je dan best benadrukken dat je daar tegen bent, maar tegelijk heeft het helemaal niks met jou te maken. De vraag is zelfs of je als samenleving redelijkerwijs kunt verwachten dat mensen zich nadrukkelijk distantiëren van dat soort acties, want zelf beschouw ik mannen die om het hardst met #MeToo meehuilen stiekem ook een beetje als slijmballen en overlopers.


Belangrijk is om het hoofd koel te houden en alles een beetje in perspectief te blijven zien. Als weldenkend mens ben ik uiteraard tegen misbruik en seksuele intimidatie, maar ik herinner me nog heel goed het gemak waarmee Goedele Liekens op televisie de aanklacht tegen Kevin Spacey meteen maar even opschaalde van 'aanranding' naar 'verkrachting'. En ik vind het ook totaal absurd dat je als volwassen man publiekelijk door het slijk gehaald wordt wegens 'seksueel grensoverschrijdend gedrag' wanneer je zes jaar geleden een vrouw tegen haar zin op de mond hebt gekust. Als #MeToo straks van toepassing is op elke onbeholpen versierpoging, moet je niet verrast zijn wanneer mannen verstarren en bang zijn dat alles wat ze doen direct wordt bestraft of ooit wordt opgerakeld.

Tegelijk - en nu komt weer een leermomentje - zie ik dingen achteraf in een heel ander licht. Ooit was ik er als journalist op de Autosalon in Parijs getuige van hoe een uitgelaten collega met zijn mobiele telefoon in het voorbijgaan een upskirt foto maakte van een van de aanwezige modellen die al die nieuwe automodellen opluisterden. Ik herinner me nog goed de geschokte blik van dat meisje, alsof ze zojuist had ontdekt dat iemand een camera in haar badkamer had gemonteerd en haar al tien jaar ongemerkt bespioneerde. Als man denk je uit stoerheid tegenover je vrienden een leuke prank uit te halen, maar je onderschat de impact die zoiets heeft op een vrouw. Anders gezegd: hij raakte haar met geen vinger aan, maar ze keek alsof ze zojuist was aangerand.

Zelf had ik toen net een Nokia waarmee je alleen maar kon bellen, dus ik had amper door wat er precies gebeurde en vond het op dat moment misschien zelfs wel grappig. Nu, ouder en wijzer, heb ik er spijt van dat ik toen niet tegen die jongen heb gezegd dat hij een beetje normaal moest doen. Want als man heb je er totaal geen idee van hoe het is om als vrouw altijd op je hoede te moeten zijn en je onveilig te voelen. Dat is misschien wel de kern van #MeToo: het griezelige besef dat een man in theorie altijd zijn toevlucht kan nemen tot geweld om zijn zin door te drijven. Het gaat vaak om verschil in macht, maar net zo goed om verschil in kracht.

Hoe diep die angst zit, en hoe lichtvaardig je dat als man zou vergeten, ontdekte ik toen ik op een zomerse avond na een filmbezoek naar huis fietste. Het was nog licht en op straat was het door de aangename temperatuur bijna net zo druk als overdag. Ik reed op mijn stadsfiets een kilometer of 25 en hield daarbij de snelheid aan van een vrouw op een e-bike die honderd meter voor me reed. Dat deed ik zonder nadenken, net zoals je op de snelweg met je auto soms op de rechterbaan blijft rijden achter een vrachtwagen die negentig rijdt. Pas toen ze bij een groen stoplicht bleef staan en schichtig opzij keek toen ik voorbij reed, besefte ik dat je als vrouw al heel snel het gevoel moet hebben dat je gevaar loopt, dat iemand op je loert of je zelfs opzettelijk achterna zit.

Ik reed echt op een enorme afstand achter haar op een doorgaande fietsroute waar iedereen dezelfde kant uitreed, maar toch moet ze zich unheimisch hebben gevoeld en het als bedreigend hebben ervaren. Dat is dus misschien wel de belangrijkste les: dat je gedrag heel anders kan worden geïnterpreteerd en dat je als man soms zonder je het te realiseren iets verkeerd doet. Misschien moeten mannen dus nóg beter beseffen dat vrouwen altijd alert moeten zijn op gevaar en hun gedrag daarop afstemmen. Dat donkere park waar jij om tien uur 's avonds fluitend en nietsvermoedend doorheen peddelt, is voor een vrouw - en misschien wel je eigen dochter of vrouw - een duister oord waar overal gevaar loert en een plek om te mijden.

dinsdag 15 mei 2018

Wat gebeurt er als je de balans op maakt na twéé jaar met een basisinkomen?

Gisteren bevond ik mij opeens weer in een raar soort raamvertelling, toen ik op een ligstoel in de tuin een boek aan het lezen was waarin stond dat het onzin was dat mensen met een basisinkomen op zak alleen nog maar lui in een ligstoel liggen. Het leverde niet alleen een daverende schaterlach op, maar riep ook een paar vragen op. Want hoe staan de zaken er nu eigenlijk voor nu ik al twéé jaar van een soort basisinkomen geniet?  En waarom hoor je de laatste bijna niemand meer over dit onderwerp? 


Een klein jaar geleden verscheen mijn boek Leven van de lucht, waarin ik verslag doe van mijn ervaringen met een soort zelf gefinancierd basisinkomen. In dat boek probeer ik antwoord te geven op de vraag wat het met je doet - en welke keuzes je maakt - als je elke maand zomaar 1000 euro in ontvangst mag nemen. Natuurlijk kreeg ik dat geld niet van Vadertje Staat, want die doet nog niet mee met dit soort malle ideeën. In plaats daarvan had ik 60.000 euro bij elkaar gespaard, zodat ik mezelf vijf jaar lang een vast maandelijks bedrag uit kon keren.

Inmiddels zijn we nog eens een jaar verder en bevind ik me halverwege maand 25 van mijn privé-experiment. Het oorspronkelijke spaarpotje waarmee ik op 1 mei 2016 van start ging, is geslonken tot 35.000 euro, maar hoe zit het met mijn arbeidsethos? Ben ik het nietsdoen alweer zat en maak ik me op alle mogelijke manieren nuttig? Of blijkt dat gevoel van vrijheid zo verslavend dat het naar méér smaakt en is er geen weg meer terug?


Het blijkt dat er onder mijn volgers op Twitter mensen zijn - vaak beroepscoaches - die verwachtten dat dit een soort tussenjaar was. In hun ogen was het een tijdelijk experiment, een soort sabbatical om af te rekenen met de laatste spoortjes werkstress. Daarna zou ik handenwrijvend weer aan de slag gaan, misschien wel in een heel andere sector, en al dan niet betaald. Dat is een reflex die ik in mijn boeken ook wel eens heb genoemd: als je het niet naar je zin hebt op je werk, ga je op zoek naar ander werk.

In werkelijkheid bevalt mijn huidige leven me zo goed, dat het idee dat ik me ooit nog ergens vrijwillig om 9 uur zou melden, volstrekt absurd is en onbestaanbaar. Op dezelfde manier kan ik me niet voorstellen dat er op een zomerse dag als vandaag iemand is die écht liever de hele dag op kantoor zit dan op het strand of het terras (of op een ligstoel in de tuin of een racefiets of een bootje op de plassen). Vergeet ook niet dat ik 56 ben en aan niemand had hoeven uitleggen waarom ik lekker niks doe als de VUT niet voortijdig was afgeschaft.


Vandaag vraagt Peter de Waard zich in zijn column in De Volkskrant af waarom het zo stil is geworden rondom het basisinkomen. Dat was mij natuurlijk ook al opgevallen, want in de aanloop naar het verschijnen van Leven van de lucht was het even een hype terwijl je er nu nagenoeg niets meer over hoort. Als verklaring geeft hij dat economische groei en een in sommige sectoren alweer nijpend tekort aan arbeidskrachten niet goed samen gaan met het gratis uitdelen van geld aan de beroepsbevolking.

Met een basisinkomen op zak maakt iedereen waarschijnlijk andere keuzes, maar één ding is zeker: het geeft geeft je een enorm gevoel van vrijheid en van macht. Wat mij elke dag weer verrast is het opwindende gevoel dat vanaf nu alles mogelijk is en dat niets meer hoeft. Ik kan zomaar besluiten om in één jaar tijd 200 films in de bioscoop te zien of spontaan een trekkingbike kopen om lange, meerdaagse tochten mee te maken. Net zoals een kostwinner vaak een kostwinnaar is (in die zin dat hij/zij thuis het laatste woord heeft), zo ben je met een basisinkomen op zak automatisch baas over je eigen tijd.

vrijdag 11 mei 2018

Dat veelgeroemde Zweedse model is dus helemaal niet zo feministisch

Onlangs opperde ik dat het interessant zou zijn om in interviews eens aan feministen te vragen in welk land ze als vrouw liever geboren zouden zijn. Het scheelt namelijk nogal wanneer je nuchter moet vaststellen dat je nergens beter af bent dan in dit land met al zijn vrijheden. Voorspelbaar genoeg waren er toch een paar mensen die opmerkten dat het in IJsland, Zweden en Noorwegen allemaal veel beter geregeld is als het gaat om kinderopvang, vaderschapsverlof en het dichten van de loonkloof. Dat klopt waarschijnlijk, maar als graadmeter voor vrouwenemancipatie is het Scandinavische model een tikje overschat.


Er waren ook mensen die zich hardop afvroegen wat ik nu precies met die vraag duidelijk probeerde te maken. Zelf zou ik het nogal verhelderend vinden als we vast moeten stellen dat je als vrouw het geluk hebt om te mogen leven in een land waar de vrouwenemancipatie zijn voltooiing nadert en iedereen het er in grote lijnen wel over eens is dat vrouwen gelijke rechten hebben en gelijke kansen zouden moeten hebben (inclusief het recht op gelijke betaling). Bovendien zegt het antwoord ook iets over de vraag hoe vrouwen zich een feministische heilstaat voorstellen. Uit al dat gemopper op het patriarchaat kun je namelijk niet meteen afleiden hoe de ideale samenleving er in hun ogen uit zou moeten zien en hoe ver we daar nog precies van verwijderd zijn.

Het heersende idee is dat het in Nederland al aardig de goede kant op gaat, maar dat we op het gebied van vrouwenemancipatie nog een heleboel kunnen leren van Scandinavische landen als Noorwegen en Zweden. Aan dat rooskleurige beeld valt echter wel het een en ander af te dingen na het lezen van bovenstaand artikel uit NRC Weekend. Daar stonden een heleboel dingen in die ook voor mij nieuw zijn, bijvoorbeeld het feit dat er in de jaren vijftig verhoudingsgewijs veel jonge mannen vanuit Zweden zijn geëmigreerd naar landen als Australië en de Verenigde Staten. Ook werden er in dat land zo weinig kinderen geboren dat bezorgd gesproken werd over een 'bevolkingscrisis'.


Om een na-oorlogse verzorgingsstaat op te bouwen en de welvaart te laten groeien, was het noodzakelijk dat vrouwen de arbeidsmarkt betraden. Om die reden werd er een heel pakket aan maatregelen genomen waar hedendaagse feministen nog steeds vol trots naar verwijzen: gratis kinderopvang voor kinderen vanaf vier jaar, riant ouderschapsverlof voor zowel vaders als moeders, subsidies voor grote gezinnen en ga zo maar door. Letterlijk staat er in het artikel: "Kinderen moesten geen belemmering zijn voor moeders om betaald werk te doen".

Laat die laatste zin even goed tot je doordringen. Het was de Zweedse overheid dus niet zozeer te doen om de bevrijding van de vrouw of het vergroten van het individuele geluk van de helft van de bevolking, maar om het ten volle benutten van hun arbeidspotentieel. Je kunt daar een feministisch sausje overheen gieten, maar in de kern is het slechts een pragmatisch, of zelfs ronduit kapitalistisch winstmodel met als doel zoveel mogelijk belastinginkomsten te genereren. Daar profiteert uiteindelijk iederéén van, want zonder werkenden zouden wij hier ook geen AOW hebben. Tegelijk heeft het met emancipatie of vrouwenrechten net zoveel te maken als autorijden met het vermoorden van insecten.


Ik kan niet vaak genoeg benadrukken dat wij hier in huis de rollen naar volle tevredenheid hebben omgedraaid (waarbij mijn vrouw meer is gaan werken en ik meer in het huishouden doe). Dat neemt niet weg dat ik vind dat emancipatie vaak veel te eenzijdig wordt ingevuld en ook te vaak het karakter aanneemt van eenrichtingsverkeer. Zo zag ik niet zo lang geleden de film Die Göttliche Ordnung, waarin Zwitserse vrouwen niet alleen strijden om kiesrecht, maar ook het recht opeisen om buitenshuis te gaan werken. Dat is vanuit hedendaags perspectief niet meer dan vanzelfsprekend, maar tegelijk vraagt niemand in die film ooit aan de man van de hoofdrolspeelster of hij het eigenlijk wel leuk vindt om twee jaar in militaire dienst te gaan of om veertig jaar fulltime te werken als kostwinner. Hij mag dan wel kiesrecht hebben, maar hoeveel heeft hij zélf eigenlijk te kiezen?

Het Scandinavische experiment heeft blijkens het artikel in NRC Weekend nog een merkwaardig schaduwrandje doordat er verhoudingsgewijs veel huiselijk geweld voorkomt. Wetenschappers hebben daar niet echt een sluitende verklaring voor en spreken het vermoeden uit dat dat komt door "verzet tegen gendergelijkheid en woede over de relatief hoge status van vrouwen". Dat valt niet uit te sluiten, maar is tegelijk ook de meest logische uitkomst als je door een feministische bril naar de feiten kijkt. Vrouwenmishandeling hoeft lang niet altijd iets te maken te hebben met het feit dat het slachtoffer een vrouw is, maar kan net zo goed terug te voeren zijn op alcoholmisbruik en depressieve gevoelens die het gevolg zijn van die lange donkere wintermaanden. Zo blijkt maar weer eens dat iets lang niet altijd is wat het lijkt als je er op een iets andere manier naar kijkt.

maandag 7 mei 2018

Over een kleine twee jaar hebben we twéé hypotheekvrije huizen

Op 1 maart 2020 bereiken we - precies acht jaar na het verschijnen van het boek Hypotheekvrij! - een belangrijke mijlpaal. Vanaf dat datum ben ik niet alleen van mijn woningschuld af, maar mag ik me ook de bezitter noemen van twee hypotheekvrije huizen. In mijn laatste boek (Leven van de lucht uit 2017) besteed ik een heel hoofdstuk aan dat onderwerp, maar bij het schrijven van Hypotheekvrij! besloot ik ons vakantiehuis in Overijssel buiten beschouwing te laten. Persoonlijk denk ik dat er niet veel verschil is tussen iemand die een huis bezit van 3 ton en iemand anders die in een huis woont van 2 ton en daarnaast een vakantiehuis heeft van 1 ton, maar de gevoelswaarde is volstrekt anders. Gek eigenlijk, want met een hypotheekschuld van 160.000 euro had ik óók vier pandjes in Rotterdam-Zuid kunnen bezitten.


Eigenlijk is dit dus gewoon weer het zoveelste bewijs voor de stelling dat het nogal wat uitmaakt welke keuzes je als mens maakt. Toen we in 1987 ons eerste huis kochten, had dat gemakkelijk het eerste exemplaar kunnen zijn in een lange reeks waarbij je steeds iets mooier en groter gaat wonen. Het begrip 'wooncarrière' was toen nog in zwang en hield in het meest extreme geval in dat je begon in een appartement en eindigde in een vrijstaand huis. Zo groeide je woning mee met je inkomen en je gezinsgrootte en had je het prettige gevoel steeds een stapje hoger te komen op de zogeheten 'property ladder'.

Omdat wij meteen al in een (bescheiden) vrijstaand huis trokken, ontbrak de behoefte om te verhuizen. Er waren wel mensen die veronderstelden dat we bij de komst van ons tweede kind zouden verkassen, maar dat vond ik maar een onzinnige reden aangezien er ooit een gezin met elf kinderen in datzelfde huis had gewoond terwijl het toen nog een stuk kleiner was. Toch begon het op een gegeven moment te kriebelen, omdat je als mens ook wel eens iets anders wil, iets nieuws of gewoon iets avontuurlijks en verrassends. Zo kwam het dat we in de jaren negentig een vakantiehuisje kochten in Overijssel en in 2006 nog eens eentje in Taubenheim in Duitsland.


Inmiddels weet ik als geen ander dat je niet twee keer zo gelukkig wordt van twee huizen en zéker niet drie keer zo gelukkig wanneer je je onroerendgoedportefeuille nog verder uitbreidt. In Hypotheekvrij! vertel ik openhartig hoe dat huisje in Duitsland een omslagpunt markeert. Je kunt ook zeggen dat de grote ontnuchtering in ons geval al twee jaar voor het uitbreken van de kredietcrisis een feit was. Ik vond het grappig dat bij elk nieuw perceel de hoeveelheid eigen grond precies verdubbelde (van 500 vierkante meter in Overijssel tot 1000 vierkante meter in Duitsland), maar tegelijk ontdekte ik op proefondervindelijke wijze dat het waanzin is om steeds maar meer te willen. Je kunt ook zeggen dat ik op zoek was naar een ingewikkelde oplossing voor een in wezen simpel probleem.

Toen de kredietcrisis in oktober 2008 uitbrak, wist ik niet hoe snel ik naar een makelaar moest bellen om ook ons Nederlandse vakantiehuis in de etalage te hangen. Ik herinner me nog goed hoe blij het meisje aan de andere kant van de lijn klonk toen ze opnam en hoe teleurgesteld ze even later was toen bleek dat ik de zoveelste beller was die in paniek besloten had zijn bezittingen te dumpen. Als we het toen daadwerkelijk hadden weten te verkopen, had ik het aflossingsvrije deel van onze hypotheek waarschijnlijk in één klap kunnen aflossen. De kans is groot dat ik het boek Hypotheekvrij! dan helemaal niet had geschreven en er zelf ook veel minder van had opgestoken. Nu waren we wel gedwongen om het veel zuiniger aan te doen, de bakens op alle fronten te verzetten en de woningschuld geheel op eigen kracht af te lossen.


Toen ik nog fulltime werkte en elke dag in de file stond, keek ik soms de hele week uit naar dat weekendje in de bossen. Het is wel eens gebeurd dat ik op donderdag na mijn werk richting het noorden reed om in ons huisje te overnachten en op vrijdag heerlijk door de omgeving te fietsen. Een vakantiehuis neemt echter een heel andere plaats in je leven in als je met deeltijdpensioen bent, nooit meer de wekker hoeft te zetten en voor je gevoel toch al elke dag vakantie hebt. We hebben het jaren geleden al uit de verkoop gehaald, maar verhuren het nu voor langere tijd aan mensen die in scheiding liggen of hun huis verkocht hebben en wachten op de oplevering van hun nieuwe woning. Gevolg is dat mijn vrouw er 2,5 jaar geleden voor het laatst was geweest en ik er zelf ook alleen nog maar met een zakelijke blik naar keek.

Dat veranderde als bij toverslag toen we er eind vorige week even waren om de nieuwe meubels te plaatsen. Na twee decennia was de boel nodig aan vervanging toe, zodat we op de keuken na het hele woongedeelte hebben opgefrist. Met wat heen en weer schuiven kwamen we uit op bovenstaande indeling en keek ik opeens met heel andere ogen naar ons eigen huisje. Mede door het stralend mooie weer kon ik me goed voorstellen hoe we hier in de nabije toekomst een deel van het jaar zouden kunnen gaan wonen, zeker als mijn vrouw óók helemaal met werken was gestopt. Zo kan het dus gaan in een mensenleven: eerst zit je te bibberen omdat je je baan dreigt kwijt te raken en te bidden dat iemand je van deze zware last verlost, even later ben je reuzeblij dat destijds niemand heeft toegehapt en je er zelf straks misschien nog jarenlang van kunt genieten.

maandag 30 april 2018

Dus dertigers kunnen maar beter helemaal niks aflossen???

Vorige week kreeg ik deze link doorgestuurd met het verzoek of ik de schrijver van dat bewuste artikel een 'pannenkoek' wilde noemen. Nu meen ik me te herinneren dat ik financieel adviseur Paul van der Kwast gekscherend al eens een rare kwast heb genoemd, maar ook dat is wat al te gemakkelijk en niet vreselijk aardig. Daar komt bij dat ik op mijn wenken werd bediend, want kort nadat ik het dringende advies van Van der Kwast aan dertigers had gelezen om maximaal te lenen en vooral niets af te lossen, kreeg ik een mailtje van een 28-jarige vrouw die over vijf jaar al helemaal uit de schulden verwacht te zijn. Nu valt er voor elk scenario wel iets te zeggen, maar dit lijkt me stukken verstandiger en voordeliger dan wachten met aflossen tot de kinderen het huis uit zijn.


Met dit soort onderwerpen moet je natuurlijk heel voorzichtig zijn, al was het maar vanwege het feit dat ik geen gecertificeerde pensioendeskundige ben maar een politicoloog met een extra master in planologie. Ik weet dus wel het een en ander van stadsplanning, maar dat is heel iets anders dan estate planning of financial planning. In 2008 zijn wij zelfs gaan aflossen zonder ook maar enig advies in te winnen bij wie of wat dan ook, dus het is allemaal op eigen verantwoordelijkheid en voor eigen risico. Tegelijk heeft het in ons geval allemaal wonderwel goed uitgepakt, terwijl ik in het stuk van Van der Kwast juist lees dat je beter zoveel mogelijk kunt lenen en zo weinig mogelijk kunt aflossen.

Nu staan er bepaald zinnige adviezen in het artikel uit Intermediair, dus laten we daar eerst maar eens mee beginnen. Zo stelt hij dat iedereen spaargeld achter de hand moeten houden voor onvoorziene uitgaven. Dat lijkt een open deur, maar ik schrik er regelmatig van hoe weinig geld sommige mensen opzij zetten en ook hoe bedroevend weinig ze in totaal op hun hun spaarrekening hebben staan. Natuurlijk kan het inkomen zodanig zijn dat sparen niet lukt, maar in de meeste gevallen heeft het vooral met het uitgavenpatroon te maken. Zelf vind ik het prettig om minimaal 20.000 euro achter de hand te hebben, maar liefst nog veel meer. Je moet dus nóóit - en dat is ook bijna een open deur - al je geld gebruiken om af te lossen.


Sinds 2012 moet iedere nieuwkomer op de woningmarkt verplicht aflossen om nog in aanmerking te komen voor hypotheekrenteaftrek. Iedereen met een lineaire hypotheek of een annuïtaire variant weet op dag 1 dus al dat hij over vijfentwintig of dertig jaar van zijn schuld af is. Strikt genomen is het dus inderdaad niet nodig om tussendoor af te lossen, al ben ik het niet eens met het advies van van der kwast om je aflossingsvrije hypotheek ongemoeid te laten met de dooddoener 'dat komt eventueel later wel'. Als wij hadden gewacht met extra aflossen tot de kinderen het huis uit waren, was ik een jaar of 65 geweest, terwijl ik nu op mijn 47ste in actie ben gekomen en op mijn 55ste al bijna helemaal kon stoppen met werken.

Dat van die overlijdensrisicoverzekering lijkt me een solide advies, maar voor de rest druipt het egoïsme ervan af: zoveel mogelijk lenen, lekker ruim leven, de kinderen later zelf voor hun studie laten opdraaien en geld aftroggelen van je ouders. Vooral dat laatste stuit me nogal tegen de borst, omdat ik vind dat wij als ouders inmiddels wel genoeg betaald hebben voor onze kinderen. Er zal aan het einde van de rit best een erfenis overschieten, maar ik ben niet van plan om als ze eenmaal het huis uit zijn wéér mijn portemonnee te trekken. In plaats daarvan zou ik liever in natura betalen door 
op de kleinkinderen te passen zodat ze minder kwijt zijn aan kinderopvang (net zoals mijn ouders en schoonmoeder in ons geval ook hebben gedaan).


Maar eigenlijk heb ik verder geen enkel ander argument nodig dan dat mailtje dat ik ontving van een lezeres van Hypotheekvrij! die in het kort uiteenzette hoe zij en haar twee jaar oudere partner het voor elkaar hebben gekregen dat ze straks al op hun 33ste (en 35ste) helemaal hypotheekvrij zijn. Hun verhaal laat niet alleen zien dat dertigers helemaal niet achter het net hoeven te vissen op de woningmarkt, maar ook dat Van der Kwast een reusachtige blinde vlek heeft in zijn redenatie. Met een hypotheekvrij huis op je vijfendertigste kun je datzelfde trucje namelijk met gemak nog een keer uithalen met een duurder huis (en daarna misschien zelfs nog een keer). Zo woon je op een gegeven moment gratis in je eigen droomhuis, terwijl al die mensen die niks hebben afgelost in een huis wonen dat van de bank is.

Financieel advies is altijd een kwestie van maatwerk en je zult mij dus nooit horen zeggen dat mensen per se dit of dat moeten doen. In dit geval hoef je je ook alleen maar beter af te vragen wie nu precies beter af zijn: dat stel van begin dertig dat in een hypotheekvrij huis woont en misschien zelfs op dat moment pas aan gezinsuitbreiding begint of die drukke dertigers met jonge kinderen die helemaal niks aflossen, een fortuin kwijt zijn aan kinderopvang, bijna nooit thuis zijn om van hun huis te genieten en zelfs als volwassenen nog hun hand moeten ophouden bij hun ouders. Je kunt je ook afvragen of je liever luistert naar een adviseur die nog druk aan het werk is en een uurtarief hanteert van 125 euro of eentje die al lekker in een luie stoel in de tuin ligt te lezen :-)

woensdag 25 april 2018

Persoonlijk vind ik het vooral een privilege om niet te hoeven werken

Het is me al vaker opgevallen dat mensen het toejuichen als ik met een kritische blik naar de bankwereld kijk of onze overconsumptie onder de loep neem, maar terughoudend of zelfs afkeurend reageren als ik met een frisse blik kijk naar wat anno nu te boek staat als 'feminisme'. Zo vind ik het een heel interessante vraag of je mijn vrouw geëmancipeerder moet noemen nu ze meer dagen is gaan werken of dat ík juist feministischer ben omdat ik steeds meer in het huishouden doe. Dat bleek een foute vraagstelling, zo kreeg ik te horen, want bij emancipatie gaat het in de eerste plaats om gelijke kansen en keuzevrijheid. Even later was daar echter weer onze emancipatieminister die een heel duidelijk geluid liet horen: vrouwen moeten vooral hard aan de slag!


Toen ik nog fulltime werkte en - ik herhaal het nog maar een keer - elke maand twee werkweken in de auto zat als pendelaar tussen Rotterdam en Amsterdam, had ik bij sommige mensen een wat bedenkelijke reputatie. Dat zit zo: ik vond (en vind overigens nog steeds) dat het belachelijk is om als hoofdkostwinner je eigen overhemden te moeten strijken als je om zeven uur moe thuiskomt uit je werk, terwijl je vrouw de hele dag thuis is geweest. Heel veel discussies hadden we daar zelf overigens niet over, maar ik heb voor de aardigheid wel eens uitgerekend dat ik de hele bovenverdieping zou kunnen schoonmaken in de tijd die het me kostte om 's ochtends op mijn werk te komen.

Nu we de rollen min of meer hebben omgedraaid, denk ik daar nog steeds precies hetzelfde over. Hoewel ik naast het huishouden ook de nodige tijd kwijt ben aan het schrijven van columns, blogs en boeken, vind ik het niet meer dan billijk dat ik de rest van de tijd besteed aan opruimen, stofzuigen, boodschappen doen, koken, grasmaaien, strijken, was ophangen en de vaatwasser in/uitruimen. Mijn motto is dat mijn vrouw, die om zeven uur vertrekt en vaak pas om zes uur thuis is, 's avonds niets hoeft te doen wat ik overdag had kunnen doen. Het ironische is dat die uitspraak in deze context heel geëmancipeerd klinkt, terwijl het me voorheen bombardeerde tot de Archie Bunker van de arbeidsmarkt.


Vanmorgen kreeg ik op Twitter het verwijt dat ik het allemaal weer goed geregeld had, omdat ik destijds lekker carrière aan het maken was, terwijl mijn vrouw de kinderen baarde en opvoedde. Nu diezelfde kinderen zo'n beetje op eigen benen staan, hebben we de rollen omgedraaid zodat ik alle tijd heb om in de tuin te gaan zitten of naar de bioscoop te fietsen, terwijl mijn vrouw de kost verdient. Dat is een heel interessante visie, niet alleen omdat ik die wel vaker hoor maar omdat het zo lijkt alsof vrouwen altijd aan het kortste eind trekken. Dat laatste is natuurlijk een beetje inherent aan het feminisme, want dat concept impliceert dat je als vrouw altijd wel 'ergens' het slachtoffer van bent.

Laat ik beginnen met de vaststelling dat iedereen zelf op zoek moet naar de ideale rolverdeling. Zo antwoordde ik deze mevrouw dat ik het geen enkel probleem had gevonden als we vanaf het begin (lees: 1991) de rollen hadden omgedraaid. Hoe 'zwaar' het opvoeden van kinderen precies is, hangt van heel veel zaken af, onder meer van je financiële situatie, je gezondheid en veerkracht en van het aantal kinderen (en de vraag of die misschien speciale aandacht nodig hebben). In ons geval zat er negen jaar tussen de eerste en de tweede, zodat we altijd maar één kind tegelijk op school hadden. Diezelfde basisschool had ook nog eens een continurooster, zodat je feitelijk je handen vrij had tussen half negen en kwart voor drie.


Zo kon het gebeuren dat ik in de krant een opiniestuk las over mannelijke privileges, waarin tien keer het woord 'privileges' voorkomt zonder dat ik snapte waar ze het precies over had. Want terwijl ik 'lekker' carrière aan het maken was, maakte mijn vrouw de eerste vier levensjaren van onze kinderen heel bewust en intens mee. Die eerste jaren zijn zwaar, maar tegelijk is dat ook verreweg de leukste en meest dankbare periode. Om die reden kun je het ook beschouwen als een voorrecht om daar met je neus bovenop te zitten, ook al omdat ik het analoog aan deze situatie altijd heel armoedig vind als tweeverdieners met een mooi huis zo hard moeten werken om datzelfde huis te betalen dat ze zelden of nooit thuis zijn.

Veel jonge vrouwen hadden moeders of oma's die terecht gefrustreerd waren vanwege het feit dat ze niet mochten doorleren of moesten stoppen met werken zodra er kinderen kwamen. Die frustratie is heel begrijpelijk, maar heeft er wel toe geleid dat mensen (lees: vrouwen) de omgekeerde situatie zijn gaan idealiseren. Ik had heel leuk werk, maar ik werkte in de eerste plaats om geld te verdienen en vind het oneindig veel leuker dat ik op mijn 55ste kon stoppen met datzelfde werk. Als het om 'privileges' gaat, voel ik me nu dus pas écht bevoorrecht al voel ik me tegelijk ook wel eens een beetje schuldig als ik op vrijdag in de bioscoop zit terwijl mijn vrouw op hetzelfde moment voor de klas staat.

dinsdag 17 april 2018

In welke surrealistische wereld zijn mensen nog steeds niet aan het aflossen?

Afgelopen maandag - op dezelfde dag dat ik mijn nieuwe column mailde naar de redactie van het magazine Radar+ - werd er in het consumentenprogramma Radar aandacht besteed aan 'aflossingsvrije hypotheken'. Econoom Erica Verdegaal legde op de voor haar kenmerkende treffende manier uit waarom de term 'aflossingsvrij' zo bedrieglijk is en presentatrice Antoinette Hertsenberg waarschuwde dat oudere huiseigenaren die nooit iets hebben afgelost straks misschien uit hun huis zullen worden gezet. Hoewel ik de uitzending met belangstelling heb bekeken, had ik na afloop het gevoel dat me net verteld was dat roken bij nader inzien toch schadelijk is. Want onder welke steen hebben al die huiseigenaren met een aflossingsvrije hypotheek de afgelopen tien jaar dan geleefd? 


Het was het toppunt van een week die af en toe toch al behoorlijk surrealistische trekjes begon te vertonen. Steeds vaker heb ik het gevoel terecht te zijn gekomen in een soort loop waarin heden en verleden elkaar soms op een interessante manier overlappen of zelfs inhalen. Dat is natuurlijk mede het gevolg van het feit dat ik op mij 56ste al min of meer met pensioen ben terwijl ik strikt genomen nog een jaar of twaalf moet wachten op mijn eerste AOW-uitkering. Dan ben je al gauw de enige die in de tuin zit terwijl iedereen hard aan het werk is of de enige verkeersdeelnemer die geen haast heeft. Met een omgekeerde werkweek kom je vanzelf een beetje in een soort omgekeerde wereld terecht en snap je al snel niet meer waar al die artikelen in de media over 'stress' en 'burn-outs' nou eigenlijk over gaan.

Op zich heeft het niks te betekenen, maar afgelopen weekend keek ik naar een dvd van de Nederlandse film Weg van jou. Dit jaar ga ik niet alleen zo vaak mogelijk naar de bioscoop, ik probeer op dvd en Blu-Ray ook mijn achterstand een beetje in te halen. Zo kijk ik voor straf naar elke film van eigen bodem die ik tegenkom, sinds ik zo dom was om Waterboys in de bioscoop over te slaan. In Weg van jou komt Evi uit Rotterdam in Zeeuws-Vlaanderen terecht op een ongezellige kamer in een oude boerderij tot ze door haar kersverse collega's op bovenstaand idyllisch huisje wordt geattendeerd. Toen dat in beeld verscheen, veerde ik verrast op omdat het bijna leek of ze bij óns thuis naar binnen aan het gluren was.

Nu is ons huis ongeveer de helft korter en ligt het veel minder idyllisch (want in de Randstad en niet op het Zeeuwse platteland), maar de eerste indruk is hetzelfde. De afgelopen jaren heb ik ook geleerd dat je je niet moet laten afleiden door details, maar juist oog moet hebben voor de grote lijnen. Zo mijmerde ik op weg naar mijn werk in de file vaak over Ian Fleming die 's ochtend boeken schreef over James Bond en 's middags een duik nam in een azuurblauwe zee. Dat leek een volstrekt onbereikbaar ideaal tot ik besefte dat ik nu precies zo leef, aangezien ik de ochtenden gebruik voor een column of een blog en ik daarna op warme dagen een duik kan nemen in de afgedamde rivier die door ons dorp stroomt.

   
Het werd echter pas écht surrealistisch toen ik - ook weer op dezelfde dag als die uitzending van Radar - een pakje aannam van een meneer van UPS met daarin het album Burning Cities van de Skids. Die naam zegt de meeste mensen waarschijnlijk niks meer en dat is begrijpelijk aangezien hun laatste album Joy uit 1981 stamt. Vanwege dat hiaat van 36 jaar heeft iemand dit album al bestempeld als de comeback van de eeuw, wat ik persoonlijk iets teveel eer vind, maar het is om meer dan één reden een verbluffende ervaring. Zo ontbreekt op deze plaat uiteraard wijlen Stuart Adamson, maar horen we wel de gitarist van Big Country en diens zoon. Dat is een loop die een interessant loopje neemt met de chronologie van de geschiedenis, omdat Big Country juist weer de band is die Stuart Adamson oprichtte na het verlaten van de Skids.

Zelf maakte ik op Twitter melding van de aanschaf van deze plaat met de mededeling dat ik zanger Richard Jobson heb geïnterviewd in 1983 toen ik nog studeerde en nog niet in loondienst werkte als journalist. Ik was een groentje dat als freelancer werkte voor de Groene Amsterdammer, nu ben ik aardig grijs aan het worden en alweer twee jaar met vervroegd pensioen. Zo lijkt het bijna wel alsof Jobson zich al die jaren bewust heeft stilgehouden tot ik weer een draaitafel had gekocht en alle tijd had om plaatjes te draaien. Onzin natuurlijk, maar ik schreef in het gelijknamige boek al dat een plakbandpensioen soms ook een punkbandpensioen is. De titel boven dat bewuste interview uit 1983 had in elk geval niet toepasselijker kunnen zijn.


Iets dergelijks dacht ik gisteren ook even toen ik naar die uitzending van Radar keek en eigenlijk niets hoorde wat ik al niet wist. Daar gáán we weer, flitste het door me heen, alsof een arts op televisie met een plechtig gezicht kwam uitleggen dat roken toch echt heel schadelijk is voor je gezondheid. Die vergelijking maak ik niet zomaar, want ik vermoed dat veel huizenbezitters stiekem wel wéten dat ze eens goed naar hun hypotheekvoorwaarden zouden moeten kijken, maar dat onderwerp liever voor zich uit schuiven tot de bank aanbelt of steeds dringender mailtjes begint te sturen. Lastig daarbij is ook dat lang niet iedereen met een aflossingsvrije hypotheek in de problemen hoeft te komen, zeker niet als deze tegen een lage rente voor lange tijd is vastgezet en geen dwingende einddatum kent.

Tegelijk laat deze uitzending zien wat het gevolg is van de ontlezing en het belachelijke vooroordeel dat er in de krant alleen 'oud nieuws' staat. Ik zie wel eens grafieken voorbijkomen waaruit blijkt dat de oplage van veel kranten sinds de eeuwwisseling is gehalveerd en dat proces is nog lang niet ten einde. Iedereen met een abonnement op een dagblad had allang kunnen lezen op welke ijsberg je afkoerst wanneer je een volledig aflossingsvrije hypotheek hebt en ondertussen niets hebt gespaard of afgelost. Datzelfde geldt in nog veel sterkere mate voor al die mensen die in 2012 mijn boek Hypotheekvrij! kochten en nu alweer zes jaar fanatiek aan het aflossen zijn. Dat is dus pas een échte kloof in de maatschappij: tussen de categorie mensen die goed geïnformeerd is en die grote groep die snel even langs het laatste nieuws skipt op weg naar het boeken van de eerstvolgende vakantiereis.