Zoeken

maandag 5 december 2016

Hoe bezwaarlijk is het als je geld "in stenen zit"?

In mijn boek Hypotheekvrij! som ik alle nadelen op van het (versneld) aflossen van je hypotheek, hoewel dat bij nader inzien zo blijkt mee te vallen dat je het beter kunt hebben over "nadelen". Over het maximaal profiteren van de hypotheekrenteaftrek hoor je de laatste tijd immers niet veel mensen meer, terwijl je er ook geen rekenmachine bij hoeft te pakken om te weten dat aflossen bij een hypotheekrente van 5% meer oplevert dan sparen tegen 0,3%. Toch wordt nog wel eens gezegd dat het een probleem is wanneer al je geld "in stenen zit". Op papier bezit je 3,5 ton aan overwaarde, terwijl je daar nog geen kop koffie van kunt kopen. Dat is waar, maar hoe problematisch is dat precies?


Dat is geen onzinnige of theoretische vraag, want in theorie is het mogelijk dat je in een hypotheekvrij huis woont met een WOZ-waarde van een half miljoen, terwijl je bijna geen spaargeld hebt en rond moet zien te komen met alleen AOW. Dat is geen wenselijke situatie, die je om die reden ook moet zien te vermijden. Aflossen (als in: extra aflossen) doe je met spaargeld dat je over hebt, niet met het reservepotje dat bedoeld is voor een nieuwe verwarmingsketel en andere onvoorziene uitgaven. Zelf adviseer ik altijd om eerst een spaarpotje aan te leggen van 20.000 euro (of een hoger of lager bedrag waar je je prettig bij voelt) voordat je je eerste extra aflossing doet.

In het ideale geval ben je aan het sparen en aflossen tegelijk, zodat van elk tientje vijf euro in de hypotheek verdwijnt en die andere vijf naar het spaarvarken of beleggingspotje wordt doorgesluisd. Op die manier heb je aan het einde van de rit én een afgelost huis én een aardige buffer, zodat je in dubbel opzicht je keuzevrijheid vergroot. Je kunt echter ook denken aan een compleet ander scenario, waarbij je je hypotheekvrije huis van een half miljoen verkoopt en naar een huis verhuist dat slechts de helft kost (en je die andere helft lekker in je eigen zak steekt).

Naar dit "probleem" kun je echter ook op een heel andere manier kijken. Want laten we niet vergeten wat een hypotheek eigenlijk is: het is een lening die het mogelijk maakt om nu al een huis te kopen , terwijl je het geld dat daarvoor nodig is nog moet gaan verdienen. Het is logisch (en sinds 1 januari 2013 ook min of meer verplicht) om die lening in maximaal dertig jaar terug te betalen, zodat je schuldenvrij bent. In die zin verschilt het niet van een doorlopend krediet of een auto die met geleend geld is betaald, alleen liggen de rentepercentages lager. Niemand zegt ooit dat zijn geld in blik zit, als hij de laatste maandelijkse betaling voor zijn auto heeft gedaan.

Daarbij komt dat je eigenlijk niet naar de waarde van je huis zou moeten kijken, behalve als het gaat om de toegevoegde waarde. In de jaren negentig hebben we ons gek laten maken (en hebberig en overmoedig) met het begrip "overwaarde", terwijl we nu heel tobberig doen over huizen die ondanks het herstel op de woningmarkt nog steeds onder water staan. Mijn advies is altijd om niet naar de (theoretische) waarde van je huis te kijken, zolang je niet van plan bent te verhuizen en de maandelijkse betalingen geen probleem vormen. Het gaat niet om woningwaarde, maar om woongenot en woonplezier.


Het is dus waar dat je "geld in stenen zit" en het klopt ook dat je huis een bepaalde waarde vertegenwoordigt waar je niet zomaar bij kunt zonder de boel te verkopen of een opeethypotheek af te sluiten. Tegelijk moet je niet vergeten dat een afgelost huis een vast maandelijks rendement oplevert, simpelweg omdat je maandlasten wegvallen. Wie in een hypotheekvrij huis woont van 3 ton naast een buurman die 700 euro per maand aan huur kwijt is, maakt elke maand winst en hoeft elke maand 700 euro minder te verdienen. Je kunt ook zeggen dat je elk jaar 5% rendement maakt wanneer je een hypotheek aflost met een rente die je ooit voor twintig jaar had vastgelegd op 5%.

Ik heb een hypotheekvrij huis wel eens vergeleken met een onvoorwaardelijk basisinkomen van 700 euro per maand (waarbij je die 700 euro kunt vervangen door het bedrag dat jij nu kwijt bent aan woonlasten). Je kunt er ook anders kijken en elke maand weer genieten van het feit dat voortaan iemand anders jouw woonlasten voor zijn rekening neemt. Nog simpeler is het om helemaal niet meer aan geld te denken en gewoon lekker te gaan genieten. Ik heb een huis vol boeken en cd's zonder dat ik ooit de moeite neem om uit te rekenen hoeveel het er precies zijn of hoeveel ze me in totaal nou eigenlijk hebben gekost.

woensdag 30 november 2016

Iedereen wil stiekem met deeltijdpensioen, maar bijna niemand durft het

Afgelopen weekend werd ik er door verschillende lezers op geattendeerd dat er in NRC een artikel stond over "rentenieren voor beginners". Daarin werd uitgelegd hoe je, nu de VUT officieel is afgeschaft en alle prepensioenregelingen zijn gesneuveld, tóch eerder kunt stoppen met werken. Vandaag doet De Volkskrant dat nog eens dunnetjes over met een verhaal over "deeltijd niksen". Niet alleen beginnen mensen langzaam te beseffen wat het betekent om écht tot je 67ste door te moeten werken, het wordt ook steeds duidelijker dat er talloze ontsnappingsmogelijkheden zijn. 


Met mijn laatste boek lijkt het dus precies dezelfde kant op te gaan als met Hypotheekvrij! In 2008 moest ik aan iedereen uitleggen waarom wij aan het aflossen waren (en ook waarom we dat als een bezetene deden), nu kom ik vaak in discussies terecht over nut en noodzaak van betaald werk. Werk is leuk en bevredigend, het geeft energie en structuur aan het leven en soms wordt het zelfs gezien als een Bijbelse plicht. Dat bestrijd ik allemaal niet, maar tegelijk staat nergens geschreven dat je per se verplicht veertig uur per week moet werken of veertig jaar van je leven op een kantoor of en bouwplaats moet doorbrengen.

Om die reden is een deeltijdpensioen een uitstekend compromis: het voorkomt dat je in een zwart gat valt en je geen raad weet met je tijd en het is beter betaalbaarder dan van de ene dag op de andere je lease-auto inleveren en je baas voor de laatste keer een hand geven. Om die reden schrijf ik in De omgekeerde werkweek ook dat je in  het ideale geval vijf dagen per week werkt op je dertigste, vier dagen op je veertigste, drie op je vijftigste en twee op je zestigste. Met een deeltijdbaan houd je het veel langer vol en blijf je - als ik De Volkskrant van vandaag moet geloven - ook langer fysiek en geestelijk gezond.


Eerder stoppen is dus goed voor je (ik heb tegenwoordig geen spatje stress meer en nul kans op een burn-out), maar je moet het wel zelf organiseren en voor het grootste deel ook zelf betalen. Je kunt daarvoor spaargeld aanspreken, maar ook een deel van je pensioenaanspraken. Volgens NRC kun je met een ton op de bank drie jaar eerder stoppen met werken, volgens Het plakbandpensioen kun je jezelf daarmee 8 jaar lang een basisinkomen uitkeren van 1000 euro netto per maand. Zo moet iedereen dus zijn eigen rekensommetjes maken om te zien of het mogelijk is eerder te stoppen of langzaam af te bouwen.

Zo schrijft datzelfde NRC bijvoorbeeld dat je "honderden euro's per maand" kunt besparen door je hypotheek versneld aflossen, al kunnen ze het niet laten om daarbij als nadeel te vermelden dat je geld dan wel in stenen zit. In werkelijkheid is het rekensommetje nog veel mooier: wie nu 25% van zijn netto-inkomen kwijt is aan rente en aflossingen, kan meteen 25% aan fte inleveren (en vaak zelfs nog iets meer als je in een andere belastingschijf terechtkomt) zodra het huis helemaal is afgelost. Nog mooier wordt dat rekensommetje als je nu 35% van je inkomen kwijt bent aan je huis of meer. Vandaar ook mijn favoriete gezegde: eerst aflossen, dan afbouwen.


De Volkskrant combineert in de krant van vandaag meteen maar een paar van mijn boektitels (want laten we Het nieuwe nietsdoen vooral niet vergeten) en komt met vergelijkbare tips. Zo kun je vanaf je zestigste alvast een stukje aanvullend pensioen opnemen, zodat je minder dagen kunt gaan werken. Ook kun je ijverig gaan sparen en hopen dat de Tweede Kamer een beetje vaart maakt met die flexibele AOW-datum waar ik in mijn laatste boek ook voor pleit. De krant vergeet echter de belangrijkste tip (een hypotheekvrij huis) en noemt alleen even kort de mogelijkheid "minder uitgeven" zonder dat verder uit te diepen of uit te rekenen.

Toen ik Het plakbandpensioen schreef, wist ik al dat deze kentering eraan zat te komen. We hebben namelijk niet te maken met een verhoging van de pensioenleeftijd met twee jaar (of drie jaar als het straks echt 68 wordt), maar met zeven tot twaalf jaar. Nog niet zo heel lang geleden (namelijk in 2004) werkte slechts een kwart van de beroepsbevolking boven de 55. De rest zat thuis met een of andere regeling en wás dus al met pensioen. Langer doorwerken betekent in de praktijk dus véél langer doorwerken en voor heel veel mensen en beroepsgroepen gaat dat simpelweg niet werken.

dinsdag 29 november 2016

Als je constant loopt te rennen gaat je leven lekker snel voorbij

Binnenkort geef ik een lezing voor een gezelschap van medisch specialisten, notarissen, accountants, rechters, advocaten en uitgevers. Op verzoek zal ik het wankele evenwicht belichten dat loopt tussen het najagen van je ambities en - aan de andere kant - rustig nadenken en relaxed achterover leunen. Tijdens mijn verhaal zal ik zeker even verwijzen naar onderstaande artikelen die los van elkaar verschenen in verschillende kranten maar die allemaal in één richting wijzen. Wie constant loopt te rennen en voortdurend aan het multitasken is, loopt eigenlijk met zijn (of, vaker nog: haar) hoofd in de mist en mist van alles.


Bovenstaand citaat is afkomstig uit een interview met Chantal Janzen uit het Volkskrant Magazine van een paar weken terug. Ik las de woorden met een schok van herkenning, want in mijn eigen geheugen zitten ook van dat soort gaten. Soms lees ik een interview terug dat ik met iemand heb gedaan voor een tijdschrift, terwijl ik me daar helemaal niets meer van kan herinneren. Ik weet niet dat ik die persoon heb gesproken, weet niet meer waar het plaats heeft gevonden en ben net zo verrast over de vragen en antwoorden als een willekeurige lezer. Het is net alsof je recente foto's van jezelf ziet op een tropisch eiland, terwijl je zou zweren dat je al twintig jaar niet meer in een vliegtuig bent gestapt.

Natuurlijk kun je als mens niet alles onthouden en daarom is je brein voortdurend aan het schiften. Je éérste interview blijft je waarschijnlijk ook beter bij dan het duizendste, net zoals de eerste schrijver die je in het echt ontmoet meer indruk maakt dan de zoveelste bekende auteur die een paar dagen in het Ambassade hotel in Amsterdam logeert om daar de hele dag journalisten te woord te staan. Toch heeft mijn vergeetachtigheid volgens mij alles te maken met de hoge werkdruk, want in het begin van mijn loopbaan schreef ik twee artikelen per week terwijl dat aan het einde was opgelopen tot twee per dag. Het is zelfs wel eens gebeurd dat ik op één dag twee schrijvers achter elkaar heb gesproken en al moeite had om hun boeken uit elkaar te houden.


Het interview met Chantal Janzen kwam op de grote stapel terecht, zonder dat ik wist wat ik er verder mee zou doen en of het ooit van pas zou komen. Toch moest ik er meteen aan denken toen ik afgelopen zaterdag in het Algemeen Dagblad het verhaal las van een fulltime werkende vrouw die het roer radicaal had omgegooid en fulltime huisvrouw en moeder was geworden. In het interview maakt ze dezelfde, soms afschrikwekkende"rekensommetjes" als ik in mijn boeken doe. Zo stelt ze vast dat ze haar kinderen netto (dus na aftrek van werktijd en reistijd) maar twee uur per dag zag toen ze nog hard aan het werk was.

Het fulltime moederschap levert haar veel op: ze is minder gehaast (en daardoor minder moe en minder snel geïrriteerd) en heeft opeens veel meer oog voor haar omgeving. Wie de hele dag werkt, met oogkleppen op naar de volgende afspraak jakkert en de hele tijd naar het scherm van zijn smartphone staart, ontgaat van alles. Het is ronduit schokkend als ze constateert dat ze nu pas weer, voor het eerst in jaren, bewust opmerkt dat de bomen in de lente uitlopen. Je moet dus soms letterlijk stilstaan om bij de belangrijke dingen in het leven stil te staan. Wie in de hoogste versnelling door jakkert, lijkt nog het meest op de treinreiziger die het landschap waarneemt als een groene waas.


Dezelfde dag stond in de bijlage Vrouw van De Telegraaf dit citaat, dat zo naadloos aansluit op het voorgaande dat het alweer bijna voorspelbaar wordt. Als deelnemer aan het tv-programma Mijn tent is top probeerde deze 40-jarige vrouw samen met haar man uit alle macht een restaurant draaiende te houden. Het leidde niet alleen tot een faillissement, maar ook tot het besef dat ze zichzelf in die periode voorbij is gerend. Ze leefde volgens eigen zeggen "in een roes", was 24 uur per dag aan het werk of met haar werk bezig en kon niet genieten. In die periode is haar leven niet alleen voorbij gegaan, maar ook geheel aan haar voorbijgegaan.

Dat zal ik mijn gehoor over een week dus voorhouden: dat je kunt besluiten om hard te werken vanuit een soort roeping, om iets bij te dragen aan de maatschappij, om zin en structuur te geven aan het leven, om te woekeren met je talenten, om je gezin te onderhouden of omdat je het beschouwt als een morele plicht. Tegelijk zul je ervoor moeten waken dat je 'niet in volle vaart naar je eindbestemming reist (lees: racet) in een geblindeerde treincoupé en bij de laatste halte uitstapt op een leeg perron in een totaal onbekend landschap.

donderdag 24 november 2016

Wat gebeurt er met je leven als je eenmaal hypotheekvrij bent?

Toen wij in het najaar van 2008 begonnen met het versneld aflossen van onze (aflossingsvrije) hypotheek, stuitten we in elk gezelschap op vooroordelen en vragende gezichten. Hoewel de kredietcrisis al was uitgebroken, waren de huizenprijzen nog niet aan het dalen dus van onder water staan had nog niemand gehoord. Bovendien was de aflossingsvrije hypotheek nog razend populair, omdat hij zo lekker goedkoop was en niemand zich afvroeg wat er op de einddatum precies met die hypotheek gebeurde. Inmiddels is "hypotheekvrij" een ingeburgerd begrip en geldt versneld aflossen als een gouden tip. Zo'n snelle omslag is niet alleen interessant om mee te maken, maar roept als vanzelf de vraag op welke andere denkbeelden uit mijn boeken straks gemeengoed gaan worden.


Als iemand mij het hierboven afgebeelde artikel uit het Algemeen Dagblad in 2008 in mijn handen zou hebben gestopt, zou ik het waarschijnlijk vol ongeloof hebben gelezen. Het is nu nauwelijks meer voor te stellen, maar in die tijd werd er in de media met geen woord gerept over "aflossen". Ik volgde aandachtig alles wat werd gepubliceerd over huizenprijzen en hypotheken, maar daar zat welgeteld één knipsel tussen over dat onderwerp. Ik kende niemand die extra aan het aflossen was (hoewel ik inmiddels weet dat die mensen er wel degelijk waren) en kwam ook alleen maar op het idee om iets aan mijn hypotheekschuld te doen door de vooruitziende blik van Eric Mecking.

Inmiddels zijn we acht jaar verder en is het sentiment 180 graden gedraaid. Ik hoef op verjaardagen niet meer uit te leggen waarom we in 2008 fanatiek zijn gaan aflossen, hooguit hoe het mogelijk is dat we jaarlijks tussen de 15.000 en 20.000 euro bij elkaar wisten te sparen om onze hypotheekschuld omlaag te brengen. Dat leg ik altijd met veel plezier uit, al zie ik mensen vaak in elkaar krimpen als ik vertel dat ik in een tien jaar oude Alto rijd en we meestal maar één weekje op zomervakantie gaan naar Duitsland (in datzelfde boodschappenautootje).


De vraag waarom we zijn gaan aflossen, staat overigens geheel los van de vraag waarom we dat in zo'n krankzinnig tempo zijn gaan doen. Eigenlijk zijn dat dus twee geheel verschillende vragen, want wie op zijn 25ste een annuïteitenhypotheek afsluit, kan op zijn 55ste al helemaal van zijn schuld af zijn zonder tussendoor ook maar één extra storting te doen. In mijn geval had het er alles mee te maken dat ik zeker wist dat ik mijn pensioen niet zou halen in loondienst. Ik deed mijn eerste storting vlak voor een grote reorganisatie (die ik ternauwernood overleefde) en was dus niet zomaar aan het aflossen of mijn leven ervan afhing.

Inmiddels is het 2016, heb ik mijn aflossingsvrije hypotheek al lang en breed afgelost en lees ik in de krant dit soort bijna achteloze zinnetjes. Blijkbaar is het niet meer nodig om uit te leggen waarom mensen extra zouden moeten aflossen en óók niet waarom ze dat zo snel mogelijk zouden moeten doen. In deze wereld is niemand meer zeker van zijn baan of zijn pensioenuitkering en dat laatste geldt zeker als je ZZP'er bent. Wie zijn volledige hypotheek heeft afgelost, kan na zijn pensioendatum een heel eind komen met alleen AOW, zeker als je toch al gewend bent aan een iets bescheidener uitgavenpatroon. Dat is namelijk de grote truc: als je jarenlang leeft van de helft van het gezinsinkomen, heb je daarna - zeker zolang je gezond blijft - ook genoeg aan de helft.


Ook hoogleraar Henriëtte Prast beschouwt een hypotheekvrij huis als het beste, meest waardevaste pensioen dus daar heb ik verder niets meer aan toe te voegen. Wel rijst zo vanzelf de vraag welke denkbeelden uit mijn boeken nog meer gemeengoed gaan worden. Was dat "aflossen" een toevalstreffer of heb ik mensen ook op andere fronten wakker geschud? Dat weet je natuurlijk nooit, maar ik vermoed dat het de komende jaren nog héél vaak zal gaan over deeltijdpensioenen (al dan niet in de vorm van een omgekeerde werkweek) of over de mogelijkheid om op wat voor manier dan ook toch eerder te stoppen met werken dan de officiële AOW-leeftijd.

Volgens mij is het één onlosmakelijk verbonden met het ander. Wie gaat morrelen aan de einddatum van zijn hypotheek, gaat vanzelf ook kritisch kijken naar zijn pensioendatum. Dat is onvermijdelijk, net zoals je je gaat afvragen wat die andere helft van het gezinsinkomen eigenlijk toevoegt als je een paar jaar hebt geleefd van de helft. Wie het samen makkelijk redt met 2500 netto (of met 2000 netto of met nog veel minder), hoeft geen cent méér te verdienen dan dat bedrag om een goed leven te leiden. Bovendien kun je, zodra je klaar bent met aflossen, gewoon keihard doorgaan met sparen voor je eigen vroegpensioen.

maandag 21 november 2016

Herman Koch is dus feitelijk óók met plakbandpensioen

Afgelopen zaterdag stond er een interview met Herman Koch in het Volkskrant Magazine dat ik met veel plezier heb gelezen, ondanks het feit dat ik eerlijk moet bekennen nog nooit een boek van hem te hebben gelezen. Hoewel hij 8 jaar ouder is dan ik en minstens 20 keer zo rijk, blijkt hij er exact - maar dan ook echt tot op de komma nauwkeurig - dezelfde dagindeling op na te houden. Je hoeft dus helemaal niet in 43 talen vertaald te worden en in vijftig landen te zijn uitgegeven om te leven als een miljonair en je tijd zelf in te delen.


Mijn vrouw had afgelopen zomervakantie Het Diner meegenomen uit de bieb en was daar zo enthousiast over dat ik me heb voorgenomen ook eens iets van hem te lezen. Het was ook mijn vrouw die het interview als eerste las (ze begint op zaterdagochtend namelijk altijd in dat magazine) en meedeelde dat ik het beslist moest lezen. Om haar standpunt kracht bij te zetten had ze zelfs al een paar passages met potlood onderstreept. Één daarvan ging over zijn bewondering voor de Amerikaanse schrijver Stephen King, die ik volledig deel en die in zijn geval ook nog eens wederzijds is.

Zelf schoot ik pas overeind toen het interview bijna afgelopen was en de journalist informeerde hoe een gemiddelde werkdag van een "succesauteur" er uitziet. Het antwoord dat Herman Koch gaf heb ik van A tot Z onderstreept, omdat het voor honderd procent overeenkomt met mijn eigen dagindeling. Sterker, ik heb datzelfde rijtje al eens opgesomd in een radio-interview: 's ochtends een paar uur tikken achter de laptop (en dat kan net zo goed een column zijn als een blog of een stuk van een nieuw boek) en vervolgens boeken lezen, films kijken, fietsen, koken of naar de bios. Het enige verschil is dat hij gaat hardlopen in plaats van fietsen en vaker uit eten gaat.


Voor alle duidelijkheid: ik probeer mezelf daarmee niet op één lijn te zetten met Herman Koch, want hij is bekender, grappiger, succesvoller en rijker. Het opvallende is juist dat je helemaal niet rijk en succesvol hoeft te zijn om precies hetzelfde vrije leven te leiden. Er wordt niet expliciet naar gevraagd, maar in zijn geval moet het om "miljoenen" gaan, terwijl ik mezelf een basisinkomen uitkeer van 1000 euro per maand, waarmee we als gezin uitkomen op ongeveer 2500 euro netto in totaal. Dat is in ons geval ruim voldoende, maar het is tegelijk veel minder dan twee twintigers die net van school komen sámen verdienen met allebei een fulltime baan.

Rara, hoe kan dat? Ik denk dat mensen zich teveel blindstaren op de buitenkant, te vaak streven naar het perfecte plaatje en ook te vaak een ingewikkelde oplossing zoeken voor een simpel probleem of te snel denken dat iets "niet voor hen is weggelegd". Om een voorbeeld te noemen (uit een van mijn boeken): toen ik nog in loondienst was en elke dag in de file stond, vertelde een collega vaak jaloers over schrijver Ian Flemig die elke ochtend werkte aan een nieuw verhaal over James Bond en 's middags de zee indook om te snorkelen. Niet alleen leek ons dat ideaal, het leek vooral een onbereikbaar ideaal zolang je geen bestsellers schreef.


Daarom is het goed om te benadrukken dat er meer overeenkomsten zijn tussen Herman Koch en mij (en tussen Ian Fleming en mij) dan verschillen. Als het zomer is tik ik 's ochtends op mijn gemak een paar honderd woorden om vervolgens lekker een duik te nemen in de afgedamde rivier die door ons dorp stroomt. Weliswaar zwemmen hier geen tropische vissen en is het een stuk koeler, maar verder is het verschil slechts gradueel en misschien zelfs te verwaarlozen. Daarmee bedoel ik dat het verschil tussen mijn nieuwe en mijn oude leven oneindig veel groter is dan dat tussen de schrijver van James Bond en mij.

Datzelfde geldt voor het verschil tussen Herman Koch en mij. Hij rijdt in een Landrover die hem waarschijnlijk meer dan een ton heeft gekost, terwijl ik me verplaats in een tien jaar oude Suzuki Alto van 2900 euro. We komen allebei overal op tijd aan, zitten allebei droog, staan allebei net zo lang in de file, alleen ziet het plaatje er op het eerste gezicht veel minder gelikt uit. Het wordt zelfs nog grappiger als je bedenkt dat ik van de aanschafprijs van die Landrover al snel een jaar of tien kan leven zoals ik nu doe. Die man die je op een doordeweekse dag ziet fietsen op weg naar Cinerama op een minstens veertig jaar oude damesfiets kan dus best eens een miljonair zijn zonder een miljoen op de bank.

woensdag 16 november 2016

Worden we nu wel of niet gemiddeld steeds ouder?

De vraag of de gemiddelde levensverwachting stijgt, dreigt een soort welles/nietes-discussie te worden nu 50Plus hardop de officiële statistieken van het CBS in twijfel trekt. Dat was wellicht niet zo handig, niet alleen omdat hun bron niet heel betrouwbaar is maar ook omdat op deze manier de verkeerde discussie wordt gevoerd. Belangrijk is om onderscheid te maken tussen het rekensommetje dat de overheid maakt om de AOW betaalbaar te houden en de rekensommetjes die je als burger zelf zou moeten maken.


De overheid hanteert de vuistregel dat mensen na hun pensionering gemiddeld nog 17 jaar van hun welverdiende rust mogen genieten op kosten van de samenleving. Dus kijken ze naar de gemiddelde resterende levensverwachting (en daarbij nemen ze dan weer het gemiddelde van mannen en vrouwen) en trekken daar vervolgens 17 jaar van af om de gewenste pensioenleeftijd vast te stellen. Dat systeem werkt in het nadeel van mannen - die nog altijd gemiddeld een paar jaar korter leven - maar heeft als grootste nadeel dat de gemiddelde burger niets heeft aan gemiddelden. Vergeet niet dat een ongeoefende zwemmer makkelijk kan verdrinken in water dat gemiddeld 1 meter diep is.

De overheid kijkt dus louter naar de betáálbaarheid van het stelsel en heeft mijn schoonmoeder tandenknarsend AOW uitbetaald tot het moment dat ze vlak voor haar 98ste verjaardag haar laatste adem uitblies. Haar voorbeeld laat meteen een paar belangrijke dingen zien. Zo kun je vaststellen dat ze bovengemiddeld oud is geworden, net zoals er dus ook mensen zijn die ver op dat gemiddelde achterblijven en in het ergste geval de dag na hun pensionering dood neervallen. Verder zegt de leeftijd die je bereikt weinig over de kwaliteit van leven, want niemand droomt ervan om zijn laatste jaren te slijten in een verpleeghuis met een incontinentieluier aan.


Zelf zet ik in mijn boeken ook vraagtekens bij de "stijgende levensverwachting" zonder dat die bewering wordt ondersteund door cijfers. Je kunt dat dus makkelijk afdoen als "ook maar een mening" en dat vind ik prima. Het is echter zo dat de huidige levensverwachting is gebaseerd op die groep werknemers die vaak nog gebruik heeft kunnen maken van gunstige VUT-regelingen en veel minder last had van stijgende werkdruk en chronische stress. Zelf verwacht ik dat de stijging van de levensverwachting gaat afvlakken of zelfs dalen zodra mensen met zware beroepen en stressvolle banen op hun tandvlees door moeten werken tot hun 70ste. Die groep komt dus wellicht van een koude kermis thuis als ze zich blindstaart op de belofte van een "langer leven".

In de week van de werkstress mogen we wel vaststellen dat het er voor veel werknemers intussen niet leuker op wordt. Toen we onlangs nog even terug waren in het verpleeghuis van mijn overleden schoonmoeder voor een herdenkingsdienst, hoorden we dat de geestelijk verzorger dreigt te worden wegbezuinigd omdat ze geen rendement oplevert. Ze biedt een luisterend oor, geeft mensen steun, legt even haar hand op je arm als ze ziet dat je eenzaam bent en geeft je de kans om je verhaal te doen, maar haar bijdrage is nergens terug te vinden in de jaarcijfers en dus kan ze net zo goed van de loonlijst worden afgevoerd. Als dat haar al niet cynisch maakt, zorgt het er wel voor dat ze voortijdig opbrandt.


En weten we al precies wat de obesitasepidemie gaat doen met de gemiddelde levensverwachting? We slikken klakkeloos het sprookje dat "robots onze banen gaan inpikken" (wat misschien wel zo is, maar wat we eerst nog maar moeten zien) en besteden tegelijk weinig aandacht aan de vraag of we gemiddeld écht wel langer leven als we gemiddeld ook steeds zwaarder worden omdat we steeds ongezonder gaan leven. Ik zag vorige week toevallig een stukje van het programma Hoe word ik 100 en schrok me een ongeluk van de hoeveelheid medicijnen die (veel) te zware mensen elke dag moeten slikken terwijl ze vaak nog pas halverwege de veertig zijn.

Zelf weet ik zeker dat het bevorderlijk is voor mijn eigen levensverwachting en mijn stressniveau als ik in mijn ochtendjas rustig aan de keukentafel zit te werken in plaats van in de ochtendspits te staan. Los daarvan kan het geen kwaad om ook eens dit rekensommetje te maken: per 1 mei ben ik officieel met plakbandpensioen maar ik ben al vier jaar niet meer in loondienst. Gerekend vanaf een AOW-leeftijd van 68 ben ik nu in zekere zin dus al "72". Als ik die nieuwe pensioenleeftijd inderdaad haal (en niemand heeft die garantie of geeft me die garantie) dan betekent het dat ik die 17 jaar waar ik anders pas ná die datum recht op zou hebben er straks allang op heb zitten.

maandag 14 november 2016

Wat gebeurt er als je jezelf steeds maar voorbij rent?

Met onze drukke schema's, strakke deadlines, overvolle agenda's en onmogelijke wensenlijstjes weten we dat we grote kans hebben op een kwade dag geveld te worden door een burn-out. Maar er bestaat nog een ander, veel sluipender gevaar. Wie constant loopt te rennen en te vliegen en met oogkleppen voor op het einddoel af sjeest, staat op de finishlijn uiteindelijk met lege handen. Dat besefte ik afgelopen vrijdag weer eens toen ik een foto maakte van deze boom in een park waar ik nooit eerder was geweest en op een plek waar ik nooit eerder stil had gestaan.


Je hoort vaak dat stellen die al wat langer bij elkaar zijn, een beetje langs elkaar heen leven. Je woont nog wel onder één dak en wisselt wat beleefdheden uit of maakt praktische afspraken, maar van echt contact is geen sprake meer. Op papier heb je nog een verbintenis en misschien heb je samen ooit een samenlevingscontract ondertekend, maar er is geen verbinding meer, geen echte relatie. Op precies dezelfde manier gaan veel mensen ook met het leven om: alsof het een vanzelfsprekendheid is, iets waar nooit een einde aan komt en wat je straffeloos voor lief kunt nemen.

Om dat ten volle te beseffen moet je waarschijnlijk iets ouder zijn, want toen ik een jaar of vijfentwintig was waande ik mezelf onkwetsbaar en onsterfelijk - als ik überhaupt al over dat soort kwesties nadacht. Op die leeftijd ligt alles nog open, heb je zeeën van tijd en lig je niet wakker van het besef dat er ooit een einde aan komt of dat een ziekte roet in het eten kan gooien. Nu ben ik 55 en lijkt het soms wel of er elke week iemand uit je omgeving wordt getroffen door rampspoed. Mijn vrouw heeft de telefoon nog niet neergelegd na een gesprek met iemand die onlangs een lichte tia heeft gehad of ze hoort van een andere kennis dat die getroffen is door borstkanker.



Maar zelfs als je geluk hebt met je gezondheid en alles verder ook een beetje meezit, moet je ervoor waken om niet als een blind paard door te sjezen richting eindstreep. Doe je dat wel, dan zul je op de finishlijn het gevoel hebben dat het hele leven een beetje langs je heen is gegaan, alsof je al die tijd alleen maar functioneerde op adrenaline en nergens echt aandacht aan hebt geschonken. Al die dingen schoten door mijn hoofd toen ik afgelopen vrijdag op wereldreis ging door mijn eigen woonplaats. Normaal gesproken kijk ik hoe ver ik op die dag vanuit mijn woonplaats kan komen op een gewone fiets (niet zelden 140 kilometer), nu wilde ik eens kijken hoeveel er in mijn eigen  gemeente eigenlijk te zien is.

Uiteindelijk is dat namelijk pure armoe: elke dag in de file staan op weg naar kantoor, zonder ooit de moeite te nemen of de tijd te hebben om op je gemak door je eigen omgeving te dwalen of te fietsen. Zo had ik mijn vrouw wel eens horen vertellen over de Donckse Velden zonder dat ik er ooit was geweest of wist waar dat was. Die vergissing heb ik afgelopen vrijdag ruimschoots goedgemaakt, want ik heb op mijn gemak elk park en recreatiebos in Ridderkerk doorkruist en onderweg zoveel mooie foto's gemaakt dat het voor buitenstaanders lastig is te geloven dat je gewoon tussen Rotterdam en Dordrecht woont. Onderstaande foto had ik bijvoorbeeld ook kunnen maken toen ik in de herfstvakantie in Garderen was.


Misschien is dat uiteindelijk wel het geheim: dat je niets voor lief moet nemen en dat je naar je huis, je partner en je naaste omgeving moet kijken alsof je het voor het eerst ziet. Wie zo leeft (en dat is nog lastiger dan "in het nu" proberen te leven, hoewel het er zijdelings ook wel iets mee te maken heeft) geniet intens en kijkt vanzelf naar de wereld met een frisse blik. Bij een goed leven hoort dankbaarheid en tevredenheid, maar ook verbazing en verwondering. Uiteindelijk hebben die wekelijkse fietstochtjes daar alles mee te maken, want elke keer weer ben ik op zoek naar mooie schelpen op een zandstrand. Om die reden rijd ik ook op een oude fiets, want zo ben je vanzelf meer aan het reizen dan aan het racen.

Niet alleen is het elke keer weer een verrassing wat ik onderweg tegenkom, ik besluit ook pas op het laatste moment welke richting ik op zal gaan. Dat heeft te maken met de windrichting (op de terugweg wil je niet de wind pal tegen hebben), maar ook met vrijheid. Nog niet zo lang geleden stond ik elke vrijdag in de file en zat ik de hele dag op kantoor, nu kan ik bij elke splitsing besluiten welke kant ik op ga, doe ik alles in mijn eigen tempo en neem ik pauze wanneer ik maar wil. Zo maak je van elke vrijdag niet alleen een vrije dag, maar vier je ook elke week de vrijheid.