Zoeken

vrijdag 23 juni 2017

Hoe "rijk" moet je precies zijn om eerder te kunnen stoppen met werken?

Eerder deze week viel in Trouw te lezen dat alleen rijke mensen het zich kunnen veroorloven om eerder te stoppen met werken dan de wettelijke AOW-leeftijd. In het artikel viel te lezen dat vroegpensioen een "luxegoed" aan het worden is waar alleen "vermogenden" aanspraak op kunnen maken. Zo ontstaat de wrange situatie dat laagopgeleiden, die vaak veel éérder zijn begonnen met werken, langer door moeten werken terwijl ze meer risico lopen op arbeidsgerelateerde klachten en ook eerder versleten zijn. Dat wringt en dat is wrang, dus je zou eens goed moeten kijken naar de mogelijkheid om een soort flexibele AOW in te voeren of een recht op pensioen na 45 gewerkte jaren. Tegelijk is het misschien goed om eens in te zoomen op de vraag hoe je begrippen als "rijk" en "vermogend" in dit geval precies moet definiëren.


Dat laagopgeleiden (die doorgaans veel eerder zijn begonnen met werken en gemiddeld ook nog eens minder lang leven) langer moeten doorwerken dan mensen met een hogere opleiding en een hoger inkomen, is natuurlijk oneerlijk. Onlangs sprak ik een hovenier van 28 die dat werk inmiddels al tien jaar doet en nu al last heeft van zijn rug. Hoe zo iemand zonder kleerscheuren de pensioengerechtigde leeftijd zou moeten halen, is me een raadsel. Wie vandaag 28 is, weet dat hij minstens tot zijn 72ste door zal moeten werken voor hij recht heeft op AOW. In zijn geval weet je nu dus al dat hij dat niet gaat halen zonder zich te laten omscholen of af te laten keuren, want je praat bijna over een halve eeuw. Eerlijker zou zijn om hem na 45 dienstjaren (dus op zijn 63ste) te laten afvloeien met een soort VUT-regeling.

Lastig is wel hoe je dat precies zou moeten berekenen, want ik ben al in 1983 gaan freelancen als journalist, terwijl ik pas in 1987 een fulltime baan kreeg. Tellen die eerste vier jaar dan mee als gewerkte jaren (terwijl ik nog studeerde) of begint de teller pas te lopen op het moment dat ik 36 uur per week begon te werken? Los daarvan ben ik een extreem voorbeeld van iemand met een hogere opleiding die pas op zijn 27ste in loondienst is getreden (dus acht jaar later dan die hierboven genoemde hovenier) en veel eerder is gestopt met werken. Op het moment dat er een einde kwam aan mijn loopbaan als journalist, had ik nét 25 dienstjaren achter de rug en was ik nog 17 jaar verwijderd van mijn AOW-datum.


In zekere zin bevond ik mij toen op een merkwaardige tweesprong, want er zijn in deze maatschappij heel veel dingen die als "scheef" of "oneerlijk" bestempeld kunnen worden. Op mijn leeftijd kun je een slimme 45-plusser zijn met een HBO-diploma of een universitaire graad die nooit meer aan de bak komt (en dan maar uit pure wanhoop post gaat bezorgen en alles aanpakt wat op zijn pad komt) of je bent een geluksvogel die met vroegpensioen gaat omdat hij "rijk" is. Zoals bekend val ik min of meer in die tweede categorie, hoewel ik me categorisch verzet tegen de term "rijk". Als ik rijk ben (of vermogend, of beter gesitueerd zoals De Volkskrant dat vandaag noemt) dan hadden al mijn oud-collega's, studiegenoten, vrienden en familieleden dat inmiddels óók moeten zijn.

Op Facebook merkte iemand terecht op dat je juist moet spreken van de omgekeerde situatie: je bent rijk omdát je eerder kunt stoppen met werken. Zelf heb ik al eens in een van mijn boeken geschreven dat het veel meer met vindingrijkheid te maken heeft dan met rijkdom, want als anderhalfverdieners (weekbladjournalist en parttime basisschoollerares) hadden wij helemaal geen exorbitant gezinsinkomen. Tot wij in 2008 het roer radicaal omgooiden hielden we elke maand helemaal niet zoveel geld over, terwijl we vanaf dat moment elk jaar tussen de 15.000 en 20.000 euro wisten af te lossen. Zo daalden onze vaste lasten gestaag, terwijl we zelf langzaam gewend raakten aan een veel lagere levensstandaard.


Je kunt als krant dus schrijven dat ik met vroegpensioen ben omdat ik "vermogend" ben, maar net zo goed dat ik blijkbaar het vermogen bezit om een bevredigend leven te leiden met een veel lager inkomen. Door te suggereren dat je "rijk" moet zijn om eerder te stoppen met werken, zet je mensen dus massaal op het verkeerde been en wek je de indruk dat het slechts voor een enkeling is weggelegd. Mijn voorbeeld laat juist zien dat er veel meer mogelijk is dan je denkt, zonder dat je een vermogen bezit of dat in je schoot geworpen krijgt. Tegelijk ben je als 50-plusser natuurlijk behoorlijk de pisang als je je goedbetaalde baan verliest, terwijl je nog een aflossingsvrije hypotheek met je mee torst van 4 ton.

In die zin bevinden we ons in een schizofrene samenleving, waarbij je als hooggeschoolde oudere werkloze niet meer aan de bak komt terwijl de oudere werknemer die de dans ontspringt flink kan sparen en zelf kan bepalen wanneer hij met vroegpensioen gaat. Nog niet zo lang geleden werkte er bijna niemand meer boven de 55, terwijl we nu compleet verbijsterd reageren als een Hollywoodacteur er op zijn zestigste uit eigen beweging een punt achter zet. Het lijkt wel of we, nu we steeds langer moeten doorwerken, automatisch denken dat langer doorwerken onontkoombaar is of zelfs weldadig. In werkelijkheid is het omgekeerde het geval, hoef je helemaal niet rijk te zijn om je eigen VUT in elkaar te sleutelen en heeft Daniel Day-Lewis wat mij betreft groot gelijk.

vrijdag 16 juni 2017

Wat is eigenlijk precies de definitie van "werk" en van "pensioen"?

Toen in 2014 het boek Het nieuwe nietsdoen verscheen, kreeg ik regelmatig als reactie dat ik zelf veel te veel deed voor iemand die "nietsdoen" propageerde. Datzelfde ritueel herhaalde zich bij De omgekeerde werkweek en Het plakbandpensioen. Want hoe kun je nu zeggen dat je met pensioen bent als je wekelijks een column schrijft in de krant en stiekem alweer plannen aan het maken bent voor boek nummer 16? Misschien moeten we dus maar eens kijken naar een sluitende, of misschien wel passende definitie van "pensioen". Ondertussen ga ik elke week met opzet een paar keer overdág naar de bioscoop om te laten zien dat dat in elk geval een van de opties is met een zelfgekozen VUT.


In de reacties op dit blog zijn door sommige mensen heel interessante dingen opgemerkt over de definitie van "werk" en "pensioen". Voor de meeste mensen is het simpel: het heet werk als je ervoor betaald krijgt en anders is het een hobby of noem het vrijwilligerswerk. Wellicht kan een econoom daarmee uit de voeten (of een statistisch bureau dat stelt dat je niet werkloos bent als je tenminste één uur per week betaalde arbeid verricht), maar ik vind het een nogal povere en eendimensionale benadering. Qua tijd en inspanning (en arbeidsvreugde) maakt het voor mij niet uit of ik een betaalde column schrijf voor een krant of een gastblog voor een website waar ik niks voor krijg. Trek je dat in het belachelijke door, dan ben je met een 40-urige werkweek geen seconde aan het werk als je alles gratis weggeeft of voor niks publiceert.

Die definitie werkt dus niet, vandaar dat ik voor mezelf andere maatstaven ben gaan hanteren. Werk is wat mij betreft geen "werk" als je het voor je plezier doet, als je er lol aan beleeft en als je precies hetzelfde zou doen als je er geen cent voor kreeg. Ik ben nooit boeken gaan schrijven voor het geld (en gelukkig maar want de eerste vijf jaar leverden me precies 1000 gulden op) en beleefde net zoveel plezier aan mijn eerste ongepubliceerde manuscript als aan een bescheiden bestseller als Het nieuwe nietsdoen. Zo krijg je vanzelf de komische situatie dat ik nooit het gevoel heb dat ik werk als ik een boek schrijf, terwijl ik het tegelijk een potsierlijk idee zou vinden als iemand als Kluun zou zeggen dat hij de hele dag niets doet. Tegelijk snap ik niks van andere schrijvers die het in interviews hebben over een "worsteling" of die schrijven vergelijken met "ploeteren".


Fiscaal gezien ben ik een ZZP'er met een KvK-nummer, maar ik beschouw mezelf als een zelfstandige zonder verplichtingen. In september verschijnt Leven van de lucht, maar ik bepaal helemaal zelf wanneer ik weer aan een volgend boek begin (en ook waar dat nu weer eens over zal gaan). De grap van een zelfgefinancierd basisinkomen is namelijk dat je die keuze niet alleen zelf kunt maken, maar ook elke dag opnieuw. Vanmorgen schreef ik dit blog, maar straks ga ik lekker het gras maaien en daarna een boek lezen van Tom Lanoye. In eerdere boeken beschreef ik dus soms een situatie die ik nog aan het creëren was en waar ik naartoe aan het werken was (net zoals ik vijf jaar na Hypotheekvrij! nog steeds niet helemaal van mijn woningschuld af ben maar wel op een haar na).

Zo kon het ook gebeuren dat vorig voorjaar Het plakbandpensioen verscheen, terwijl ik strikt genomen pas op 1 mei van dat jaar daadwerkelijk met plakbandpensioen ging. Strikt genomen is ook dat slechts een kwestie van definitie, want met ingang van die datum geef ik mezelf elke maand een basisinkomen om te zien wat er gebeurt, en welke keuzes je maakt, wanneer geld niet langer de doorslaggevende factor is. Hoe je tegen het begrip "pensioen" aankijkt, hangt dus af van je eigen verwachtingspatroon maar ook van de vraag hoe je "werk" definieert en denkt over "nietsdoen" (want dat laatste is sowieso iets heel anders dan met je armen over elkaar achter de geraniums zitten).


Hoe lastig deze kwestie is (maar ook hoe leuk en inspirerend en uitdagend) laat het voorbeeld zien van een collega-auteur uit Barendrecht die op zijn 55ste zijn baan opzegde om boeken te gaan schrijven. Hij financierde dat plakbandpensioen zelf zonder er veel ruchtbaarheid aan te geven en schrijft nog steeds stug door. Wat ik náást mijn werk deed, doet hij ná zijn werk. Dus is hij nou gestopt met werken als leraar om schrijver te worden en heeft hij simpelweg een carrièreswitch gemaakt? Of is hij met vroegpensioen en gebruikt hij zijn oude dag om te doen wat hij écht wil? Beter gezegd: werkt hij nou ijverig door na zijn AOW-datum (want die is inmiddels achter de rug) of werkt hij allang niet meer?

Wat het antwoord ook is, het mag duidelijk zijn dat het niet zomaar een simpel antwoord is. Dat laat ook het hierboven afgedrukte voorbeeld zien. Voor mij is dat een perfect voorbeeld van een "plakbandpensioen", ook al heeft de man in kwestie van dat woord waarschijnlijk nog nooit gehoord. Hij bekostigt het door zijn afbetaalde huis in Amsterdam te verhuren en zelf goedkoop te wonen in Friesland. Daarnaast teren ze in op hun spaargeld en verdienen ze wat bij als postbesteller en financial coach. In de pensioenspecial van het FD worden ze opgevoerd als gepensioneerden (en wat mij betreft volkomen terecht), maar je kunt net zo goed zeggen dat ze nog steeds werken omdat ze elke dag de post rondbrengen. Het enige juiste antwoord luidt dan ook: je bent met pensioen als je dat zelf zo noemt en ook zelf zo ervaart.

dinsdag 13 juni 2017

Hoe kijken vrouwen eigenlijk aan tegen het kostwinnermodel?

Toen in 2015 het boek De omgekeerde werkweek verscheen, struikelden sommige vrouwelijke lezers over bepaalde passages die betrekking hadden op bestaande, of juiste ideale, M/V-verhoudingen. Emancipatie is al heel lang synoniem aan arbeidsparticipatie, dus dan is het even wennen als je leest dat mannen en vrouwen misschien beter allebei even weinig zouden kunnen gaan werken. Ook in mijn volgende boek kan ik niet om dat onderwerp heen, want met een basisinkomen van 1000 euro netto per persoon zijn vrouwen en mannen in principe allebei even verantwoordelijk voor de hoogte van het gezinsinkomen. Maar zitten vrouwen daar eigenlijk wel op te wachten?


In mijn volgende boek schrijf ik dat ik soms "nee" zeg tegen betaalde opdrachten, omdat ik er geen zin in heb of me er niet meer toe kan zetten. Op het moment dat je leeft van een soort basisinkomen - in welke vorm dan ook - maak je namelijk heel ander afwegingen en heb je de vrijheid om bepaalde keuzes maken. Zo kan het gebeuren dat je opdrachten laat schieten die een paar honderd euro kunnen opleveren met als voornaamste argument dat je je kostbare vrije tijd daar niet voor wil opofferen. Toen ik dat onlangs in gezelschap hardop zei, merkte een vrouw op dat mijn echtgenote misschien liever zou willen dat ik "ja" zei tegen alles wat op mijn pad kwam.

Dat soort opmerkingen hoor ik vaker en die zijn ook terecht. Zelf profiteer ik in de huidige situatie van veel meer keuzevrijheid en vrije tijd, terwijl mijn vrouw het totale gezinsinkomen de afgelopen jaren alleen maar heeft zien dalen. Als ik ijverig zou gaan freelancen, zou ik meer kunnen verdienen, maar daar heb ik simpelweg geen zin meer in omdat het voor mijn gevoel geen zin meer heeft. Anders gezegd: ik ga niet harder werken zodat mijn vrouw meer te besteden heeft, net zoals het niet in me op zou komen om aan haar te vragen of ze misschien dertig dagen extra wil gaan invallen op haar school zodat ik een nieuwe racefiets kan kopen.


Met een basisinkomen van 1000 euro netto per maand (een systeem dat nog nergens ter wereld bestaat, maar wel veel wordt besproken) ligt dat nog veel duidelijker, want vanaf dat moment zijn beide partners precies evenzeer verantwoordelijk voor de hoogte van het gezinsinkomen. Heb je genoeg aan 2000 euro netto en neem je genoegen met dat basisbedrag of ga je nog iets bijverdienen om er bijvoorbeeld 2500 euro van te maken of 3000? In mijn filosofie moeten beide partners elk afzonderlijk die afweging maken en is het niet langer vanzelfsprekend dat de man degene is die nog iets gaan bijverdienen.

Bij die afweging spelen heel veel factoren een rol, niet alleen de vraag wie zich liever bekommert om het huishouden en de opvoeding, maar ook wie graag werkt of met zijn talent en/of opleiding mákkelijker aan extra geld kan komen. Het is denkbaar dat de één in anderhalve dag net zoveel weet te verdienen als de ander in een hele week. Los daarvan moeten beide partners de afweging maken tussen inkomen en vrije tijd, terwijl het nu soms nog wel eens zo lijkt dat sommige vrouwen graag meer te besteden zouden willen hebben, maar er de voorkeur aan geven - of het als vanzelfsprekend beschouwen - dat de man daarvoor werkt.


Los van de discussie hoe je "werk" zou moeten definiëren, is dit een heel interessant onderwerp omdat het uithoeken van de emancipatie aftast die nu nog een beetje verborgen blijven. Het gebeurt al steeds vaker dat de vrouw hoofdkostwinner is, maar bij veel vrouwen van onze generatie zit dat oude, traditionele beeld nog steeds in hun hoofd verankerd. Zo ben ik nu een paar keer per week aan het koken, doe ik boodschappen, hang ik de was op en ruim ik de vaatwasser in en uit, zonder dat mijn vrouw ook maar één keer het gras heeft gemaaid of de vuilnisbak naar het begin van de straat heeft gereden. Waarmee ik alleen maar gezegd wil hebben dat het niet raar is - en in ieder geval bespreekbaar zou moeten zijn - om de rollen om te draaien als de man vijfentwintig jaar fulltime heeft gewerkt en de vrouw al die tijd maar twee dagen per week.

Nog niet zo lang geleden bevond ik mij opeens letterlijk in een soort omgekeerde wereld toen ik op een verjaardag ineens bedacht dat alle aanwezige mannen al met een soort vroegpensioen waren terwijl alle vrouwen nog (fulltime) werkten. Dat ontlokte me een schaterlach waarbij ik opmerkte dat dit blijkbaar was waar vrouwen al die tijd zo hard voor gestreden hadden: eerst kiesrecht, dan lekker de hele week werken. Het was een provocerende, niet ernstige en grappig bedoelde opmerking, maar het zorgde her en der wel voor wat zure gezichten. Met een basisinkomen bestrijd je dus niet alleen armoede en ongelijkheid, maar betreed je ook het mijnenveld van vrouwenrechten, emancipatie en seksegelijkheid.

maandag 5 juni 2017

Hoe belangrijk is een betaalde baan nou eigenlijk écht

Afgelopen weekend (en dat weekend is eigenlijk morgen pas echt afgelopen) stonden er in de diverse zaterdagkranten verschillende artikelen over het belang van betaald werk. Je kon interviews lezen met gepensioneerden die maar al te graag doorwerkten na hun AOW-datum en met gefrustreerde 55-plussers die wanhopig op zoek zijn naar een baan, maar ook met een Amerikaanse hoogleraar die voorspelt dat er straks echt geen werk meer is voor iedereen zodat we onvermijdelijk moeten gaan denken aan een soort basisinkomen. Ondertussen biechtte Peter R. de Vries op dat zijn huwelijk is stukgelopen door zijn werkdrift en las ik op een interessant blog over mezelf dat mijn kijk op betaald werk wellicht bepaald wordt door het feit dat ik op mijn leeftijd toch nergens meer wordt aangenomen.


Laten we eerst dus maar eens met dat laatste beginnen, al was het maar omdat het lastig (zo niet onmogelijk) is om dat tegen te spreken. In de tweedelige special van het programma Radar hebben we allemaal kunnen zien hoe lastig het is om als 55-plusser weer aan de slag te komen, dus dan kun je maar beter van de nood een deugd maken en van je gedwongen nietsdoen een vrijwillig vroegpensioen maken. Dus ben ik nu een 55-plusser met een soort zelfgefinancierde VUT of een moegestreden werkloze journalist die de moed heeft opgegeven en dan van ellende maar een beetje gaat zitten prutsen in zijn moestuin?

In mijn nieuwe boek ga ik in op die vraag, omdat het belangrijk is om vast te stellen of je met een basisinkomen op zak nog wel op zoek gaat naar een betaalde baan. Wat mijn bevindingen zijn, laat ik nog even in het midden maar ik kan alvast wel verklappen dat ik een serieuze kandidaat was voor een baan als hoofdredacteur bij een uitgeverij op fietsafstand. Het vooruitzicht dat ik dan van maandag tot en met vrijdag van 8 tot 6 op kantoor had moeten zitten, deed mij echter na het eerste gesprek al gillend op de vlucht slaan. Dat laatste kon ik me, door mijn zelf gefinancierde basisinkomen, ook veroorloven want met een hoge hypotheek maak je in een dergelijke situatie waarschijnlijk heel andere keuzes.


Tegelijk kan ik niet "bewijzen" dat ik echt niet op zoek ben naar werk, net zoals ik niet hardop kan zeggen dat ik Het Diner van Herman Koch maar een matig boek vond zonder de schijn te wekken dat ik jaloers ben op zijn succesformule. Interessant is daarom vooral het artikel uit het Volkskrant Magazine over zes gepensioneerden die uit vrije wil doorwerken na hun AOW-datum terwijl ze ook zouden kunnen gaan genieten. Waarom doen ze dat? In meer dan de helft van de gevallen blijkt het toch op de een of andere manier om het geld te gaan, dus die vallen af. Dan heb je mensen die "gek worden" als ze de hele dag thuiszitten of die het "puur doen omdat ze het leuk vinden" (al gaat het daarbij om een oppasmoeder en dat is toch iets anders dan een echte baan.

Uit die verschillende verhalen kun je afleiden dat iedereen een eigen verhaal heeft en dat er altijd van alles op de achtergrond meespeelt. Opvallend is wel dat de financiële beloning in bijna alle gevallen een rol speelt, soms uit noodzaak, soms om "leuke dingen" van te betalen. Omgekeerd kun je je dus afvragen welke keuzes de geïnterviewden zouden maken als ze datzelfde werk ook onbetaald zouden moeten doen (al kun je het antwoord wel bedenken). Ondanks alle vrome praatjes over het nut van betaald werk draait het bijna altijd toch om de bijbehorende financiële beloning. En los daarvan: zelfs als je je werk "leuk" vindt, dan betekent het nog niet dat je er per se 40 uur per week mee bezig wil zijn of precies tot je 68ste.


Vaak schieten dat soort artikelen ook tekort (of herhalen ze alleen maar wat je toch al weet) omdat journalisten niet doorvragen of niet de juiste vragen stellen. Zo las ik in NRC Weekend een interview met een 56-jarige ex-militair die al sinds 2013 tevergeefs naar werk op zoek is, terwijl hij tot zijn pensioen recht heeft op 70% van zijn laatstverdiende loon. Dat vind ik niet gek of verkeerd, maar ik zou wel eens een uitgebreid interview willen lezen met diezelfde man waarin uiteen wordt gerafeld waarom hij dan nog zo graag wil werken. Heeft hij een werkende partner? Is hij misschien alleen? Tel je zonder baan niet mee in de maatschappij? Kan hij niet stilzitten? Voelt hij zich schuldig als hij niets doet? Bepaalt betaald werk je identiteit?

Dat soort vragen worden steeds belangrijker als James Livingston gelijk krijgt met zijn voorspellingen over de toekomst van de arbeidsmarkt. Hij schreef het boek No More Work (dat ik morgen meteen ga bestellen bij de lokale boekhandel) en verwacht dat er straks echt geen werk meer is voor iedereen. Dat is om heel veel redenen interessant, al was het maar omdat we dan misschien niet meer om een basisinkomen heen kunnen. Ik ben er inmiddels alweer zo'n 4,5 jaar mee bezig, maar straks moeten we allemaal uit zien te vinden wie we nou precies zijn zonder werk, waar we onze dagen mee gaan vullen en wat we dan met ons leven moeten beginnen.

woensdag 31 mei 2017

Mijn basisinkomen is in zekere zin een vorm van asociale zekerheid

Afgelopen maandag heb ik met belangstelling gekeken naar de tweede uitzending van Radar Extra over werkloze 55-plussers. Daarin werd gepleit voor een experiment met een basisinkomen onder deze groep om te zien welk effect een dergelijk systeem in de praktijk heeft. Grappig genoeg gaat mijn nieuwe boek over exact hetzelfde onderwerp, want sinds 1 mei 2016 geef ik mezelf elke maand 1000 euro netto. Dat geld is afkomstig uit een speciaal voor dat doel aangelegd spaarpotje, dus ik feite betaal ik mijn eigen basisinkomen. Toch kan ik nu, na dertien maanden, precies vertellen wat het met je leven doet wanneer je op de eerste dag van de maand op de deurmat een denkbeeldige envelop vindt met daarin tien briefjes van 100 euro die je geheel vrij kunt besteden.


Er zijn in ons land maar een paar mensen die iets zinnigs kunnen zeggen over het basisinkomen en die noem ik in mijn boek ook allemaal. Zo heb je de jonge historicus Rutger Bregman die een lans breekt voor een dergelijk systeem in het boek Gratis geld voor iedereen, maar die het onderwerp alleen kent uit studieboeken. Daar staat dan ZZP'er Frans Kerver tegenover die een jaar lang leefde van een basisinkomen dat door crowdfunding bijeen is gebracht en die aan den lijve heeft ervaren hoeveel rust een vaste maandelijkse toelage brengt in je leven en in je hoofd.

In mijn nieuwe boek, dat Leven van de lucht zal gaan heten en dat in september verschijnt, doe ik verslag van de eerste twaalf maanden van mijn eigen experiment met een basisinkomen. Het verhaal begint op de Dag van de Arbeid in de maand dat ik 55 zou worden en "eindigt" een jaar later met de vaststelling dat er de in die twaalf maanden meer veranderd is in mijn leven dan in de voorgaande twaalf jaar. Een basisinkomen zet dus van alles in beweging en verandert zelfs nog meer dan voorstanders beseffen of vermoeden.


De verwachting is dat mensen zich, met een basisinkomen op zak in alle vrijheid gaan ontplooien, eigen bedrijfjes opzetten en talenten aanboren waar ze nu niet aan toekomen of waarvan ze niet eens beseffen dat ze die bezitten. Met een onvoorwaardelijk basisinkomen op zak hoef je maar een beetje bij te verdienen voor een menswaardig bestaan en kun je veel tijd besteden aan je moestuin of aan mantelzorg en vrijwilligerswerk. Maar wat gebeurt er als je agenda ineens niet meer volstaat met (betaalde) opdrachten en deadlines maar is volgeplakt met bioscoop- en theaterkaartjes? Wat is dan je maatschappelijke nut en je bijdrage aan de samenleving?

In mijn nieuwe boek vergelijk ik mijn laatste belastingaangifte in loondienst met die van vorig jaar en de uitkomst is op zijn minst opvallend te noemen. Het precieze rekensommetje vind je in mijn boek, maar ik kan nu alvast wel verklappen dat het niet veel nut heeft om de betaalbaarheid van een basisinkomen te baseren op de bestaande belastinginkomsten omdat het volstrekt onduidelijk is hoeveel mensen straks nog opbrengen wanneer ze maandelijks 1000 euro op hun tekening gestort krijgen zonder daarvoor iets te hoeven doen (en zonder daarvan iets af te hoeven dragen want dat bedrag is al netto).


Een onvoorwaardelijk basisinkomen is een nieuwe, verfrissende vorm van sociale zekerheid die veel meer zekerheid biedt aan de ontvangers en die hun menselijke waardigheid intact laat. Mijn eigen basisinkomen werkt op dezelfde manier, maar is in zekere zin een vorm van asociale zekerheid omdat alleen mijn eigen huishouden ervan profiteert. Dat is niet verkeerd of oneerlijk (want iedereen kan tijdig beginnen met aflossen en sparen), maar het is tegelijk geen oplossing waar het collectief iets aan heeft. Ik gedraag me precies zo "zelfredzaam" als de overheid graag ziet, maar ik kost diezelfde overheid indirect ook geld omdat ik ik minder belasting betaal en minder geld uitgeef.

Nu ik op het punt sta de veertiende maand in te gaan van mijn eigen experiment, besef ik dat een proef van een jaar te kort is. Om écht iets zinnigs te kunnen zeggen over voor- en nadelen van een basisinkomen zul je mensen minstens vijf jaar "gratis geld" moeten geven met uitzicht op langer. Kunstenares Anne van Dalen kan daarover meepraten. Met haar gecrowdfunde basisinkomen op zak ontpopte ze zich het afgelopen jaar als kunstenares en regelde ze zelf haar eerste expositie. Om daarmee verder te kunnen gaan, (en om te zien wat dat haar verder nog allemaal gaat brengen) vraagt ze nu 100 mensen een jaar lang om een bijdrage van een tientje per maand. Kleine moeite, dus ik betaal graag mee aan haar basisinkomen van mijn eigen basisinkomen.

vrijdag 26 mei 2017

Die 55-plussers toch altijd met hun voordeeltjes!

Het begint me op te vallen dat mensen van mijn generatie (ik ben van 1961 en vandaag toevallig ook nog eens jarig) in de media steeds vaker worden aangeduid als "babyboomers". Je feitelijke geboortejaar doet daarbij steeds minder ter zake, want het draait vooral om het gevoel dat je onevenredig hebt geprofiteerd van de naoorlogse welvaart en daardoor oneerlijk veel voordeeltjes geniet of vermogen bezit. Het woord babyboomer is langzamerhand dus losgekoppeld van demografie en verworden tot een scheldwoord dat te pas en te onpas op tafel wordt gegooid als een troefkaart waar niets tegenin te brengen valt. Voer het woord maar eens in bij Google afbeeldingen en je ziet alleen maar plaatjes als deze:


Persoonlijk denk ik dat er aan dat standaardbeeld wel wat af te dingen valt, al was het alleen maar het feit dat échte babyboomers geboren zijn tussen 1946 en 1955. De term slaat op de na-oorlogse geboortegolf die zijn oorsprong vond in een combinatie van opluchting en optimisme. Het was deels ook een inhaalslag, omdat veel mensen tijdens de oorlog liever niet aan gezinsuitbreiding deden of bewust wachtten op de bevrijding. Dat effect was weggeëbt in de jaren zestig, vandaar dat de vijftigers van nu niet veel met babyboomers te maken hebben, tenzij ze een veel oudere broer of zus hebben.

Bovendien zijn dit soort plaatjes misleidend, want op wie of wat ben je nu eigenlijk precies boos of jaloers? De oudste babyboomers zijn of worden dit jaar alweer 71 en kunnen vaak genoeg niet eens meer diep genoeg bukken om zonder thuishulp nog hardloopschoenen aan te trekken. Vanavond krijg ik toevallig twee vrouwen van die leeftijd op bezoek die al zoveel mankeren dat ze niet eens meer kunnen fietsen en allebei al hun man verloren hebben. De één woont dan inderdaad in een veel te groot en duur hypotheekvrij huis, maar de ander is altijd blijven huren zodat ze precies even oud zijn maar er op financieel gebied volstrekt anders voorstaan.


Dat mag je dus bij al dat gepraat over generaties nooit vergeten: een 55-plusser is lang niet altijd een babyboomer en de ene 55-plusser is de andere niet. Toch zijn er kranten - en werken er bij die kranten specifieke verslaggevers - die geen enkele gelegenheid onbenut laten om aan te tonen dat jongeren het véél slechter hebben dan 55-plussers. Soms is dat inderdaad zo. Zo verdiende je vroeger als journalist een fatsoenlijk salaris en was de kans op een vaste baan behoorlijk groot, terwijl je het nu moet doen met een onzeker freelance bestaan tegen dumptarieven. Aan de andere kant kwam ik na mijn studie op de arbeidsmarkt terecht middenin een economische crisis die zo zwaar was dat mijn leeftijdgenoten werden aangeduid als "de verloren generatie".

Diezelfde leeftijdgenoten zijn nu, als bij toverslag, ineens de grote geluksvogels volgens de Volkskrant (en dan volgens Peter de Waard in het bijzonder). Ik heb me eerder over zijn standpunten verbaasd, want De Waard is zelf nog nét een echte babyboomer, terwijl hij onvermoeibaar partij kiest voor jongeren. Nogmaals, dat is soms terecht, maar nu komt hij met het bericht dat "de 55-plusser de woningmarkt overneemt van de starter". Dat klinkt dramatisch, bijna als een vijandelijke overname of een overval. Wat hij bedoelt is dat 55-plussers meer huizen kopen en vaker verhuizen dan starters. Dat is wat mij betreft simpelweg een cijfermatige constatering, maar hij maakt er met enig kunst en vliegwerk weer een maatschappelijke kloof van.


Het grote "onrecht" is namelijk dat 55-plussers bij aankoop van een nieuw huis hun oude rechten niet verliezen, terwijl starters sinds 2013 voor straf alles moeten aflossen. Al die vijftigers mogen dus lekker alles aflossingsvrij blijven lenen, terwijl die jongeren over dertig jaar opgescheept zitten met een hypotheekvrij huis en superlage lasten. Is dat oneerlijk of niet? Of is dit een wel heel kromme en gemankeerde manier om te onderstrepen hoe bevoorrecht vijftigplussers zijn? Starters zijn dan misschien in het nadeel (of eigenlijk: "nadeel") omdat hun maandlasten hoger zijn, maar ze worden wel tegen zichzelf beschermd en worden aan het einde van de rit beloond met een maximum aan keuzevrijheid en gemoedsrust.

Vergeet ook niet dat al die jongeren en starters vanzelf ook een keer oud worden, en misschien wel stokoud. Vraag is dus wat je liever wil zijn: een 25-jarige starter uit 2017 die straks op zijn 55ste hypotheekvrij kan zijn (terwijl hij tegen die tijd nog minstens zestien jaar moet wachten op zijn AOW maar vanwege de lage lasten zeker geen vijf dagen per week meer hoeft te werken), of een 55-jarige uit 2017 die op zijn 35ste nog serieus dacht dat hij op deze leeftijd ongeveer wel met de VUT zou mogen en die zich een aflossingsvrije hypotheek van 3 ton heeft aan laten praten die nu als een molensteen om zijn nek hangt?
 

donderdag 18 mei 2017

Wat gebeurt er als je elke vijftigplusser een basisinkomen geeft?

Maandag 22 mei a.s. wordt de eerste aflevering uitgezonden van een tweedelige special van het televisieprogramma Radar. Daarin staat de vraag centraal hoe je de hardnekkige werkloosheid onder vijftigplussers het beste kunt aanpakken, een thema dat in mijn boeken met enige regelmaat terugkeert. Interessant genoeg komen ze daarbij op de proppen met een oplossing die ik in mijn vólgende boek uitgebreid uit de doeken doe. Wat zou er namelijk gebeuren als je een basisinkomen gefaseerd invoert, te beginnen bij werkloze ouderen? Storten die zich dan allemaal op vrijwilligerswerk of stort de economie in?


In de eerste special van Radar, die gewijd was aan hypotheken en begin vorig jaar werd uitgezonden, was ik zelf te gast. Het zou dus een tikje merkwaardig zijn geweest om mij opnieuw te interviewen (zeker omdat ik inmiddels ook een vaste column heb in het tijdschrift Radar+), terwijl ik aan de andere kant van alles te vertellen heb over dit onderwerp. In 2012 was ik namelijk zelf een werkloze vijftigplusser die aanhikte tegen een pensioengat van 17 jaar en werkzaam was in een sector waar de klappen het hardst aankwamen. Inmiddels ben ik met "plakbandpensioen" en betaal ik mezelf elke maand een basisinkomen uit van 1000 euro netto.

Dat is precies het bedrag waar Antoinette Hertsenberg het over heeft in het grote interview in de nieuwe Varagids. Een van de oplossing die in de documentaireserie wordt aangedragen is namelijk een basisinkomen voor werkloze vijftigplussers. In het bewuste interview wordt gesproken over een experiment met 55 vijftigplussers, hoewel dat net zo goed een soort spraakverwarring kan zijn tussen journalist en geïnterviewde. Waarschijnlijk wordt bedoeld dat je zou kunnen denken aan een experiment met werkloze 50-plussers óf 55-plussers, al zal het dan eerder gaan om een soort regelvrije bijstand dan om een écht basisinkomen voor iedereen.


Persoonlijk ben ik heel benieuwd met welke conclusies de makers op de proppen komen. De verslaggeefster van de Varagids (zelf 48 jaar) springt alvast een gat in de lucht van blijdschap bij het vooruitzicht om op je vijftigste met pensioen te gaan en vanaf dat moment alleen nog dingen te doen die je leuk vindt. Antoinette Hertsenberg antwoordt daarop dat er maar weinig mensen zijn die met een basisinkomen op zak "thuis op de bank willen zitten". Dat is een interessante opmerking, omdat het daardoor net lijkt of je als mens alleen maar kunt kiezen tussen twee uitersten: werk (en vrijwilligerswerk) óf met de armen over elkaar achter de geraniums.

Hertsenberg baseert die conclusie op de gesprekken die ze voor het programma gevoerd heeft met werkloze vijftigplussers. Dat zijn dus mensen die wanhopig op zoek zijn naar een baan (omdat ze anders hun rekeningen niet kunnen betalen en misschien wel hun huis uit moeten) en die ook geacht worden actief op zoek te zijn naar werk. Die groep heeft het gevoel langs de kant te staan, voelt zich afgedankt, krijgt afwijzing na afwijzing, profiteert als enige niet van het economisch herstel waar in de media over wordt gesproken en wordt voortdurend achter de vodden gezeten door het UWV of de Sociale Dienst.


Wat die groep zou doen met een onvoorwaardelijk basisinkomen op zak weet je niet en kom je ook niet te weten door ze aan te spreken als ze nog in een totaal andere situatie zitten. Met een beetje overdrijving zou je kunnen zeggen dat een dergelijk onderzoek net zoveel voorspellende waarde heeft als het interviewen van langgestraften in de gevangenis over hun vakantieplannen. Die gaan natuurlijk nergens heen omdat ze nergens heen kunnen en willen daar niet eens over fantaseren omdat dat veel te pijnlijk is. Op dezelfde manier gaat een werkloze vijftiger van wie de WW-uitkering binnenkort afloopt, natuurlijk niet ontspannen en zonder enig schuldgevoel met een kop koffie en een krant in de tuin zitten.

Hertsenberg heeft gelijk dat vijftigers helemaal niet uitgeblust en opgebrand zijn (en, net als haar 58-jarige echtgenoot, nog "superactief"). Wat echter vaak vergeten wordt is dat je ook een heel actieve levensstijl kunt hebben zonder bestuursfuncties en betaald werk. Zo moet je niet uitsluiten dat vijftigers met een basisinkomen op zak misschien nog wel een paar betaalde opdrachten aannemen voor de slagroom op de taart, maar hun tijd verder prima weten te vullen met lezen, kanoën, musea bezoeken, bij vrienden langs gaan, fietsen, schilderen, tuinieren, wandelen, puzzelen en voetballen. Kijk maar eens wat er gebeurt als je een niet-werkende vijftigplusser 1000 euro netto per maand uitkeert én een abonnement waarmee hij onbeperkt naar de bioscoop kan...

dinsdag 9 mei 2017

Van bleek kantoorkneusje tot blakend buitenmens

In tegenstelling tot wat de kop suggereert, gaat dit blog in de eerste plaats over dieren en pas in tweede instantie over mensen. Sinds een paar maanden zijn we namelijk in het bezit van twee katten uit hetzelfde nest en het is heel leerzaam en interessant om hun gedrag te observeren. Niet alleen blijken deze huisdieren experts in "het nieuwe nietsdoen", ze hebben een ware transformatie ondergaan sinds ze naar buiten mochten. Dat contrast is zo opvallend, dat je je af zou moeten vragen hoe "natuurlijk" wij mensen ons leven hebben ingericht en welke impact al dat getuur op een scherm op onze geestelijke en lichamelijke conditie heeft.


In mijn nieuwe boek vertel ik hoe wij ineens aan twee poezen komen, want dat was helemaal niet de bedoeling toen ik twaalf maanden geleden met plakbandpensioen ging. Soms lijkt het wel of heel andere krachten ons leven hebben overgenomen en er ook steeds meer plek is voor onverwachte gebeurtenissen sinds ik leef van een zelfgefinancierd en zelfbenoemd basisinkomen. Daar horen nadrukkelijk ook deze twee katten bij die door een keten van toevalligheden in ons gezin terecht kwamen en aanvankelijk zo schuw en gestrest waren dat ze alleen onder de bank tevoorschijn kwamen om te eten.

Vermoedelijk zijn ze afkomstig uit een huishouden waar de borden tegen de muren vlogen vanwege een vechtscheiding, al dan niet veroorzaakt door financiële problemen. Dat zou in elk geval hun schrikachtige gedrag verklaren en hun angst voor ruisende winterjassen en rammelende luciferdoosjes. In het begin hoefde je maar naar de kapstok te wijzen of ze vlogen onder de kast om daar bibberend te kijken wat voor verschrikkelijks er nu weer te gebeuren stond. Dat duurde enkele maanden, tot ze zich hier langzaam thuis begonnen te voelen en steeds meer op hun gemak raakten. Inmiddels zijn ze al zover dat ze niet meer van schrik tegen het plafond springen als je een keer niest of je neus ophaalt.


Tot voor kort waren het echter huisdieren in de meest letterlijke zin: ze zaten soms uren in de vensterbank achter het raam, maar waren met geen stok naar buiten te krijgen. In het begin hielden we ze bewust binnen om ze aan ons en aan hun nieuwe omgeving te laten wennen, maar al snel bleek dat ze geen enkele aanvechting hadden om de tuin te verkennen. Tot de oudste en de grootste een keer naar buiten glipte en zijn zusje na tien minuten zijn voorbeeld volgde. Sindsdien zijn ze de de hele tijd buiten en komen ze alleen binnen om te eten en bij te slapen op de bank. Je kunt ook zeggen dat ze onherkenbaar zijn veranderd.

In plaats van op een dekentje te liggen op een stoel of op de vensterbank boven de verwarming, rennen ze door de tuin, springen over schuttingen en drinken water uit de sloot. In korte tijd zijn ze veel zelfverzekerder en assertiever geworden en zitten ze letterlijk beter in hun vel want hun vacht lijkt zelfs meer te glanzen. Waarschijnlijk vind je dat soort observaties terug in het eerste de beste informatieve poezenboek dat je openslaat, maar het is heel interessant en leerzaam om dat soort gedragsveranderingen met eigen ogen gade te slaan. het zou me zelfs niets verbazen als buitenkatten (want zo durf ik ze inmiddels wel te noemen) langer leven dan huiskatten, zolang ze tenminste niet doodgereden worden.


Wat voor katten geldt, geldt waarschijnlijk in dezelfde mate voor mensen. Onlangs las ik een interview in het FD met schrijver Douglas Coupland, die schetst hoe de gemiddelde werknemer op kantoor acht uur op zijn werk naar een scherm zit te staren en na thuiskomst nog eens een paar uur doorbrengt achter weer een ander scherm. De enige "organische" gebeurtenis die je dan als mens hebt gehad is volgens hem het reizen naar en van je werk en het eten van de avondmaaltijd (hoewel je dat in principe ook voor de tv kunt doen, net zoals je in de trein naar je werk ook meer met je smartphone bezig bent dan met de wereld om je heen). In die zin zijn we een soort oermensen die zonder het te beseffen onderdeel vormen van een omvangrijk en misschien wel levensgevaarlijk laboratoriumexperiment.

Ondertussen zijn we labiel, opgebrand, depressief, allergisch voor van alles en nog wat en in algemene zin tamelijk ontevreden met ons leven. De menselijke geest is zo knap en vindingrijk dat die bemande missie naar de planeet Mars er straks waarschijnlijk wel echt komt als we de laatste praktische en technische obstakels hebben overwonnen, net als de eerste echte ruimtekolonie op diezelfde onherbergzame planeet. Ik hoef echter alleen maar even naar die twee geadopteerde poezen te kijken die in de tuin aan het ravotten zijn en zelfs alweer hun eerste muis hebben gevangen, om te beseffen dat ook mensen niet zijn gemaakt om langdurig te worden opgesloten in een kantoor of een koepel of zich in de meest letterlijke zin af te schermen van de buitenwereld.

woensdag 3 mei 2017

De eerste twaalf maanden met een basisinkomen zitten erop

Afgelopen maandag was een historische dag. Precies een jaar geleden, op 1 mei 2016, begon het vijf jaar durende experiment waarbij ik mezelf elke maand 1000 euro netto uitkeer bij wijze van basisinkomen. Dat geld is weliswaar afkomstig van mijn eigen spaargeld en niet van een of andere uitkeringsinstantie, maar toch kan ik zo aan den lijve ervaren wat het met je doet als je elke maand "gratis geld" ontvangt. Er zijn méér mensen die 12 maanden van een soort basisinkomen leven of hebben geleefd (denk aan Frans Kerver en Anne van Dalen), maar ik plak er nog eens 48 maanden aan vast en heb al een Plan B klaarliggen voor de periode daarna. In mijn volgende boek doe ik verslag van mijn ervaringen in dat eerste jaar.


Grappig genoeg begon het experiment vorig jaar op precies dezelfde plek waar ik nu óók verbleef op 1 mei: in een eeuwenoude boerderij op een berghelling in Frankrijk. Net als toen zagen we in een paar dagen tijd alle vier de seizoenen voorbij komen, zodat we tijdens onze vakantie konden mountainbiken in de sneeuw én buiten lezen in het zonnetje. De week leek daardoor wel twee keer zo lang te duren en maakte een onuitwisbare indruk die geheel losstaat van mijn experiment maar er wel een stempel op drukte.

Tijdens een van mijn fietstochten zag ik in het struikgewas een ree wegvluchten voor een blaffende hond. Tenminste, dat dacht ik in eerste instantie tot ik ontdekte dat het dier zélf dat geluid produceerde en waarschijnlijk alleen maar van mijn aanwezigheid geschrokken was. Even later remde ik net op tijd om te zien hoe iets verderop twee reeën doodgemoedereerd op het bospad aan overhangende boomtakken aan het knagen waren. Het waren de enige levende wezens die ik tijdens mijn tocht tegenkwam, want er waren nergens wandelaars of fietsers te bekennen (behalve de mensen met wie ik op pad was als ik er niet in mijn eentje op uittrok).


 De schoonheid van de natuur, de leegte en de stilte (het enige geluid was dat van smeltende sneeuw die van boomtakken schoof) vielen op geen enkele manier te rijmen met het dagelijks leven thuis en de al even dagelijkse drukte. Dat contrast is zo groot en ook zo onverdraaglijk, dat ik er eigenlijk alleen maar vrede mee kan hebben doordat ik tegenwoordig na mijn vakantie niet meer aan hoef te sluiten in de file maar in plaats daarvan op de fiets kan stappen naar de film (of me gewoon nog eens lekker om kan draaien in bed omdat het miezert).

Een basisinkomen maakt je leven dus meteen al een stuk draaglijker, omdat je niet meer hoeft te doen wat je wordt opgedragen en je in principe elke dag lekker zou kunnen gaan fietsen (met als extra bonus dat het op doordeweekse dagen overal een stuk rustiger is). Je kunt ook zeggen dat de vakantie na de vakantie gewoon doorgaat, zodat je niet met een knoop in je maag aan de thuisreis begint maar er thuis gewoon nog een paar vrije dagen aan vastknoopt.


Van helemaal niksdoen (of het nieuwe nietsdoen) is echter geen sprake, want mijn nieuwe boek moet binnenkort richting uitgever en de puntjes moeten nog op de "i" worden gezet. Pas nu die eerste twaalf maanden écht voorbij zijn , kan ik namelijk vertellen hoe dat eerste jaar is bevallen, wat er allemaal in mijn leven is veranderd en wat ik de komende 48 maanden allemaal nog van plan ben. Dat verklap ik natuurlijk niet op deze plek, maar ik kan alvast wel zeggen dat een basisinkomen een hele verrijking is.

In dat kader is het wel een tikje wrang dat het experiment dat op 1 mei in Utrecht van start zou gaan met een soort regelarme bijstand is uitgesteld omdat de overheid dwarsligt en weigert de regels te versoepelen. Ook Terneuzen gooide om die reden eerder al de handdoek in de ring, terwijl dit soort bescheiden proeven slechts heel in de verte iets te maken hebben met het idee van een gegarandeerd en onvoorwaardelijk basisinkomen. Doel blijft in alle gevallen om mensen zo snel mogelijk weer aan het het werk te krijgen, terwijl ik alleen maar wil kijken of het werkt.


maandag 24 april 2017

8 bioscoopfilms in 3 weken tijd

Toen ik eind december een Cinevillepas bestelde voor 19 euro per maand, had ik geen idee hoe dat zou gaan uitpakken. Ik wist dat ik er minstens drie maanden aan vast zat, maar ik had er geen rekening mee gehouden dat ik al snel niet meer zonder zou kunnen. De eerste drie weken van april zag ik zelfs zoveel films dat ik me bijna af begin te vragen hoe ik vroeger eigenlijk mijn vrije tijd doorbracht. Als ik in dit tempo doorga, staat de teller na 365 dagen op meer dan 100 films en ben ik in één jaar vaker in de bioscoop geweest dan in alle voorgaande jaren bij elkaar opgeteld. Het grappige is dat die bioscoopverslaving niet alleen mijn kijkgedrag heeft veranderd en mijn kijk op de wereld, maar ook mijn leesgedrag 


De laatste film die ik zag (maar zeker niet de láátste) was 20-th Century Women. Eerlijk gezegd twijfelde ik er een beetje aan of ik die aan mijn lijstje zou toevoegen want op de Internet Movie Database kreeg hij van verschillende recensenten het rapportcijfer 2. Er zou geen verhaal in zitten en het zou allemaal veel te langdradig en eentonig zijn. Daar stond tegenover dat hij in de Volkskrant vier sterren kreeg en ook elders goed werd besproken. Het feit dat de film zich in 1979 afspeelt sprak me op voorhand wel aan, net als de wetenschap dat de vrouwelijke hoofdpersoon net zo oud is als ik en een zoon heeft van ongeveer dezelfde leeftijd als onze jongste.

Dus ging ik eerst op woensdag naar Their Finest (drie sterren) en op donderdag naar Get Out (ook drie sterren) voordat ik op vrijdag als derde keus een kaartje "kocht" voor 20-th Century Women en compleet van mijn stoel geblazen werd. Dat gebeurt natuurlijk vooral bij films waar je het minst van verwacht, maar wat mij betreft klopte in dit geval alles: het acteerwerk, het decor, de muziek, de psychologie. Niet alleen vind ik hem de volle 5 sterren waard, de kans is groot dat ik hem zelfs nóg een keer ga bekijken. Dat doe je namelijk ook veel makkelijker als je voor een vast bedrag per maand onbeperkt naar de film mag. Eerder zag ik Arrival al dubbel en naar A Monster Calls ging ik zelfs twee keer in dezelfde week.


Ik heb geen idee hoe dit alles zich verder gaat ontwikkelen, want straks wordt het mooi weer en dan heb je wel wat beters te doen dan jezelf een paar uur opsluiten in een donkere bioscoopzaal. Maar misschien fiets ik dan wel op mijn gemak na het avondeten naar de bioscoop in plaats van op klaarlichte dag. Get Out bijvoorbeeld zag ik zo vroeg op de dag dat ik al om kwart voor negen 's ochtends op mijn fiets stapte en tussen de scholieren en forenzen naar Rotterdam peddelde. Ik kom op deze manier niet alleen veel frequenter in de bioscoop, maar ook oneindig veel vaker in mijn geboortestad. Nu al verheug ik me erop om in de zomermaanden in mijn korte broek door de stad te sjezen en onderweg ergens een ijsje te kopen.

Waar dit allemaal toe gaat leiden, weet ik dus nog niet maar het zou zomaar kunnen dat ik straks 100 films in één jaar heb gezien (en dus ook 100 van de 365 dagen naar de film ben geweest). Dat is natuurlijk absurd, maar het is tegelijk zo'n radicale breuk met mijn vorige leven (en zelfs met vorig jaar) dat het tegelijk ook aanvoelt als één groot, opwindend avontuur. Zo bekeken is die 19 euro per maand een koopje, al ving ik ook een gesprek op aan de kassa van Kino waarin iemand ter sprake kwam die een Cinevillepas voor zijn verjaardag had gekregen en er tot op heden nul keer gebruik van had gemaakt. Het zal me dus benieuwen of de nieuwigheid er voor mij ook afgaat of dat dit een verslaving is voor de rest van mijn leven.


Het leuke is wel dat je op deze manier steeds weer iets hebt om je op te verheugen. Niet alleen bekijk ik elke dinsdag welke film ik die vrijdag ga zien, ik kijk soms ook reikhalzend uit naar titels die pas over een paar maanden in roulatie gaan. Daar komen steeds weer nieuwe bij, net zoals je voor elk hoofdprogramma wel weer een trailer voorgeschoteld krijgt van een andere film die er óók best interessant uitziet. Dat kan soms tegenvallen, maar na een paar redelijke of middelmatige films zit er altijd wel weer een knaller of een klassieker tussen. Bovendien geeft het niks als een film een tikje teleurstelt, want dan ga je gewoon de volgende dag weer naar een andere.

Eerder schreef ik al dat ik na het zien van elke film die gebaseerd is op een boek, naar de bibliotheek ga om een andere titel te lenen van dezelfde schrijver. In afwachting van Alone in Berlin (die deze donderdag in première gaat) haalde ik uit de bieb niet alleen het boek Alleen in Berlijn van Hans Fallada, maar ook Een waanzinnig begin dat hij vijf jaar later publiceerde. Ik moet ze allebei nog lezen, maar verheug me nu al op zowel beide titels als op de bijbehorende film (en op al die andere films over WO2 die deze meidagen allemaal nog moeten uitkomen).

maandag 17 april 2017

Journalist in de voltooid verleden tijd

Vorige week werd ik geïnterviewd door een journalist die mij vroeg waarom ik in mijn boeken wel vertel welk werk ik voorheen heb gedaan maar niet precies bij welke werkgever en welk tijdschrift. Daar kan ik een heleboel antwoorden op geven (die ook allemaal waar zijn), maar waar het vooral op neerkomt is dat voor het verhaal dat ik wil vertellen niet belangrijk genoeg is. Als ik achterom kijk - en dat doe je vanzelf als je oude plakboeken doorbladert en je knipselarchief opruimt - dan lijkt mijn werk steeds minder een levensvervulling en steeds meer een hinderlijke onderbreking tussen mijn studententijd en mijn huidige bestaan. In een van mijn boeken vergeleek ik mijn werk met een zandkasteel dat je ingespannen en aandachtig hebt opgebouwd en dat vervolgens met één golf wordt weggevaagd.


Mijn ervaring is dat gesprekken over mijn laatste boek (en daarmee bedoel ik Het plakbandpensioen want Leven van de lucht verschijnt pas in september) een beetje heen en weer zwalken tussen twee onderwerpen. Aan de ene kant kun je mij het hemd van het lijf vragen over de vraag hoe ik mijn pensioengat van ruim vijftien jaar hoop te overbruggen - en ook hoe andere mensen van mijn leeftijd dat proberen te doen of zouden kunnen doen - aan de andere kant kun je heel veel focus leggen op het belang van betaald werk en de vraag waarom je daar überhaupt voortijdig en vrijwillig mee zou willen stoppen. Werk kan immers ook leuk zijn, geeft energie, zorgt ervoor dat je iets bijdraagt aan de maatschappij en ga zo maar door.

Zo ben ik dus aan het uitleggen uit welke potjes ik de dagelijkse boodschappen betaal, terwijl ik me ook moet verdedigen voor het feit dat ik ik het al op mijn 55ste voor gezien hield. Heel vaak zeggen mensen een tikje verwijtend dat ik "maar" 25 jaar in loondienst gewerkt heb, terwijl ik van mening ben dat daar geen regels voor bestaan en ik achteraf gezien best nog wel wat eerder had willen stoppen. Bovendien werkte ik al als journalist in 1983, toen ik nog aan het studeren was zodat ik meer dan dertig jaar lang mensen heb geïnterviewd, platen heb gerecenseerd en reportages heb geschreven. Het was leuk werk en een afwisselend bestaan, maar ik heb het tegelijk lang genoeg gedaan.


In mijn volgende boek vertel ik dat ik mezelf erop betrap dat ik steeds vaker zeg dat ik journalist "ben geweest". Strikt genomen ben je als vaste columnist (van een krant en een tijdschrift) óók een soort journalist, maar ik ben geen razende reporter meer die vragen stelt met een memorecorder op tafel. Met een basisinkomen op zak kún je die keuze ook maken, omdat je elke maand toch al genoeg geld hebt om alle vaste lasten te betalen en in je basisbehoeften te voorzien. Mijn stelling (en mijn stellige overtuiging) is dan ook dat je pas écht kunt zeggen of je werkt voor het geld of niet op het moment dat geld geen rol meer speelt of in elk geval geen doorslaggevende rol.

Afgelopen week ben ik begonnen met het opruimen van mijn knipselarchief. Daar had ik eerder al een begin mee gemaakt, maar deze keer ben ik twee keer op en neer gereden naar de papiercontainer met in totaal minstens een meter aan dossiermappen (als je op elkaar zou stapelen). Je kunt dat beschouwen als een soort voorjaarsschoonmaak, hoewel het meer te maken had met het feit dat de eerste ruwe versie van mijn nieuwe boek af is. Pas op zo'n moment heb je weer ruimte in je hoofd voor dit soort zaken, omdat het verhaal zo goed als af is en je brein min of meer blanco. Tussen die mappen vond ik ook twee plakboeken terug met daarin mijn eerste schrijfsels uit de periode 1983 en 1987.


Hoewel het leuk was om die artikelen (uit De Groene Amsterdammer) terug te lezen, bezorgde het me ook een gevoel van intense vermoeidheid. Door die jaartallen besef je namelijk opeens weer hoe lang je het werk al doet en hoe ontzettend vaak je al met een vragenlijstje op zak naar een artiest, een schrijver, een BN'er of een buitenlandse beroemdheid bent gesjokt. In mijn geval schommelt het antwoord tussen "vaak genoeg" en "veel te vaak", zodat ik niet alleen ijverig doorga met het dumpen van mijn knipsels maar ik ook de aanduiding "journalist" in mijn Twitterprofiel heb geschrapt. In zekere zin ben ik altijd al in de eerste plaats een schrijver geweest en was dit gewoon een ontzettend leuke en interessante surrogaatbaan.

Maar - en nu komt het - het was ook een beetje een surrogaatleven, een tweedehands en tweederangs bestaan waarin veel te veel kostbare tijd werd opgeslokt door files, het voorbereiden en uittikken van interviews en het uitknippen en sorteren van knipsels. Als je jong bent, maakt dat geen lor uit want dan denk je dat je onkwetsbaar bent en onsterfelijk. Op deze leeftijd begin je echter te beseffen dat je leven eindig is en dat tijd een kostbaar goed is. Aan de ene kant bent ik de laatste tijd dus vooral tijd aan het inhalen (bijvoorbeeld door dit jaar minstens 80 keer naar de bioscoop te gaan) aan de andere kant maak ik elke keer weer, en ook elke dag opnieuw, een bewuste afweging waaraan ik mijn tijd het liefst wil besteden.

donderdag 6 april 2017

Liever een tuin zonder huis dan een huis zonder tuin

In een van mijn boeken schrijf ik dat ik liever een klein huis zou willen hebben met een grote tuin dan omgekeerd. Dat is niet zomaar een woordspelletje, maar een prima manier om in kaart te brengen wat je nou eigenlijk écht wil en écht belangrijk vindt in het leven. Zo zou ik best bereid zijn om vanaf nu nooit (als in: echt nooit meer) op vakantie te gaan als dat de enige manier was om 365 dagen per jaar een soort vakantiegevoel te hebben. In mijn volgende boek ga ik nog een klein stapje verder door de vraag op te werpen of je meer hebt aan een tuin zonder huis dan aan een huis zonder tuin. Geen theoretisch dilemma, want in mijn eigen woonplaats staat momenteel 1000 m2 tuin te koop waarop je nog geen hondenhok mag plaatsen.


In mijn volgende boek (dat gepland staat voor september) haal ik comedian Pieter Derks aan die in een interview in het blad Buitenleven aangaf - of misschien wel grapte - dat je meer hebt aan een tuin zonder huis dan aan een huis zonder tuin. Vervolgens vraag ik me hardop af wat ik zou doen als ik écht voor die keuze stond. Zou ik liever als een god in Frankrijk leven in een tent op een halve hectare grond ergens in de natuur dan in een appartement ergens op zes hoog met alleen een Frans balkon? In de wintermaanden heb je natuurlijk het meest aan die laatste optie (omdat het dan sowieso weinig uitmaakt waar je woont), maar zodra het mooi weer is wil ik op elk willekeurig moment naar buiten kunnen stappen.

Hoewel ik het alleen maar noem als theoretische optie omdat je met een basisinkomen op zak allerlei onverwachte en verrassende keuzes kunt maken, keek ik toch met een andere blik naar bovenstaande advertentie. Zo vaak gebeurt het namelijk niet dat er hier in de buurt een stuk tuin te koop staat, zeker niet op zo'n schitterende plek aan het water. Dat de makelaar spreekt van een "unieke kans" is dus niet meer dan terecht, maar de vraag is natuurlijk wat je vervolgens gaat doen met een stuk grond waarop niet gebouwd mag worden. Ga je zoeken naar listige manieren om er tóch te kunnen overnachten of rijd je op elke mooie dag op je fiets naar je eigen privé-park? En wat mag dat eigenlijk kosten per vierkante meter?


Die laatste vraag heb ik hierboven meteen maar beantwoord, hoewel ik hem voor de aardigheid ook aan vrienden en familie heb gesteld (die meestal gokten dat het perceel 50.000 euro moest kosten). In werkelijkheid betaal je omgerekend 200 euro per vierkante meter en voor dat bedrag kun je elders in ons land waarschijnlijk nog wel ergens een perceel bóuwgrond kopen. Het aankoopbedrag zal ook uit eigen zak moeten worden betaald, want geen enkele bank leent jou zomaar twee ton voor een stuk gras met een paar bomen en bloemperkjes erop. Vraag is ook of er mensen zijn die dit als een goede investering zien.

Zelf zag ik meteen wel een paar mogelijkheden. Zo ligt de tuin aan het water, dus je kunt er vast wel een bootje kwijt dat groot genoeg is om in te slapen. Verder zou je er in de zomer kunnen kamperen en is het maar de vraag hoe moeilijk de gemeente doet als je er een tiny house op zet of een camper (of een soort blokhut in de vorm van een schuurtje of misschien zelfs wel een volwassen boomhut in een van die bomen). Ideaal is het niet, maar hou bij dat alles dat eerder genoemde appartement zonder balkon in gedachten. Hier kun je niet alleen zonnebaden, tuinieren en luieren, maar ook elke dag pootjebaden in de rivier.


Wat de gedachte achter de advertentie precies is, weet ik niet want het stuk grond maakt nu nog deel uit van een tuin die hoort bij een villa die elders in dezelfde folder te koop staat voor meer dan een miljoen. Zijn er misschien mensen die graag aan het water wonen zonder een enorme tuin om te onderhouden (en dus liever kiezen voor een groot huis met een kleine tuin) of is er iets anders aan de hand? Persoonlijk zou ik dan toch liever dat huis hebben én die lap grond, al was het maar omdat je je waarschijnlijk ook wel een tuinman kunt veroorloven als je in deze prijsklasse zoekt en buitenruimte een garantie is voor rust en privacy.

Zelf heb ik geen interesse, omdat ik al een heerlijk tuin heb op een schitterende plek, maar anders was ik er zeker even langs gefietst en was ik ijverige verder gaan fantaseren. Want je kunt ook zelf in een bootje gaan wonen, terwijl je kinderen in een boomhut slapen of desnoods in een daktent op een auto. Het is allemaal wat onorthodox, en het is soms letterlijk een kwestie van kamperen en improviseren, maar het klinkt allemaal even avontuurlijk en zorgt gegarandeerd voor dat permanente vakantiegevoel waar ik inmiddels helemaal verslaafd aan ben geraakt.

woensdag 29 maart 2017

Dáárom moet elke huizenbezitter het boek Hypotheekvrij! lezen

De AFM maakt zich zorgen over de nog steeds grote groep huizenbezitters met een geheel of gedeeltelijk aflossingsvrije hypotheek. Samen met twee grote banken denkt de toezichthouder na over de vraag hoe men die groep ertoe kan aanzetten in actie te komen en extra te gaan aflossen. Een oplossing is nog niet gevonden, hoewel het waarschijnlijk enorm zou helpen als ze al die mensen een exemplaar zouden opsturen van mijn boek Hypotheekvrij! Zelf doe ik dat boek nooit aan iemand cadeau zonder de disclaimer dat ze na lezing gegarandeerd gaan aflossen (net zoals mensen na lezing van De omgekeerde werkweek meestal ook in deeltijd willen gaan werken).


Natuurlijk is de kop boven het artikel zwaar aangezet, al was het maar omdat de hoogleraar die geciteerd wordt het heeft over een "tijdbommetje". Niet elke aflossingsvrije hypotheek levert aan het einde van de looptijd problemen op, al was het maar omdat er vaak helemaal geen sprake is van een afgebakende looptijd. Zelfs had ik ooit twee van dat soort leningen en die zouden gewoon door zijn gelopen tot mijn dood als ik niet tussentijds had afgelost. De ene liep volgens de bepalingen door tot "datum aflossing", nummertje twee tot het jaar waarin ik theoretisch honderd zou zijn geworden. Van een aflossingsvrije hypotheek kom je dus nooit af, maar je hoeft ook niet per se na dertig jaar je huis te verkopen.

Belangrijk is dus om niet alleen na te denken over het hoe en wat van je aflossingsvrije hypotheek, maar ook om na te kijken wat daarover precies in je papieren staat. Ooit sprak ik een vrouw die heel blij vertelde dat ze kort daarvoor een aflossingsvrije hypotheek had afgesloten met een looptijd van 30 jaar, zonder dat ze antwoord kon geven op mijn vraag wat er ná die dertig jaar zou gebeuren. Soms verlengt de bank de hypotheek zonder problemen, maar het kan ook dat ze opnieuw naar je inkomen kijken en tot de conclusie komen dat dat tekort schiet. In dat geval zul je een deel van de schuld in één klap moeten aflossen of je huis inderdaad te koop moeten zetten.


Wie mijn in 2012 verschenen boek heeft gelezen, wéét dat allemaal en zal op tijd maatregelen proberen te nemen. Ik overdrijf niet als ik zeg dat ik wekelijks mailtjes krijg van mensen die vertellen dat ze door dat boek versneld zijn gaan aflossen of hun grote dure huis hebben ingeruild voor een kleiner en goedkoper exemplaar. Deze week nog las ik het verhaal van een man van 26 die elke maand 1200 euro extra aflost en op die manier over een jaar of zes in een hypotheekvrij appartement hoopt te wonen (hoewel zijn omgeving hem voor gek verklaart omdat hij dat geld niet uitgeeft aan vakanties en dure auto's).

Florius stuurt haar klanten met een aflossingsvrije hypotheek in sommige gevallen naar een adviseur en vergoedt de helft van de kosten, terwijl ze dus ook gewoon 9 euro 95 zouden kunnen uitgeven (plus porto) om hun klanten te verblijden met een gratis boek. Er zullen best huizenbezitters zijn die mijn boek na lezing schouderophalend bij het oud papier gooien, maar in de meeste gevallen zullen ze een goed gesprek voeren met hun partner en maatregelen nemen. Zelf ben ik in 2008 gaan aflossen en daar heb ik nog geen dag spijt van gehad (zeker niet omdat ik straks tien jaar voor mijn AOW-datum helemaal hypotheekvrij ben).


Het zou natuurlijk ironisch zijn als banken je nu gaan vertellen wat ze volgens de omslag van de eerste druk juist niet vertelden, maar de tijden zijn nu eenmaal veranderd. Tegelijk heeft nog steeds 30% van álle huizenbezitters een volledig aflossingsvrije hypotheek en dan praat je over meer dan 200 miljard. Vooral huishoudens die hun hele hypotheek aflossingsvrij hebben gefinancierd, niets hebben gespaard en geen erfenis in het verschiet hebben, kijken straks waarschijnlijk raar op hun neus en lopen het risico dat ze noodgedwongen moeten verhuizen of opeens geconfronteerd worden met torenhoge lasten omdat de HRA na dertig jaar vervalt en de bruto lasten op eigen kracht moeten worden betaald.

Hoogleraar Johan Conijn wijst erop dat mensen liever niet nadenken over de einddatum van hun hypotheek, net zoals ze ook niet nadenken over hun pensioen. Dat is heel menselijk en psychologisch goed verklaarbaar, maar grappig genoeg werkt het ook andersom. Dat ik nu, op mijn 55ste, in feite al met pensioen ben heeft alles te maken met het feit dat ik een kleine tien jaar geleden als een dolle ben gaan aflossen. Wie gaat morrelen aan de einddatum van zijn hypotheek, gaat vanzelf ook morrelen aan zijn pensioendatum en kan ik het gunstigste geval veel vroeger van zijn vrijheid gaan genieten in een volledig afgelost huis.


donderdag 23 maart 2017

Waarom zijn klimaatsceptici eigenlijk zo sceptisch?

Op sociale media viel de afgelopen dagen te lezen dat de opwarming van de aarde in een stroomversnelling is geraakt die zomaar kan betekenen dat er na de eerstvolgende bocht een angstaanjagende waterval op ons wacht. Wie dat maar een eng idee vindt, kan zich troosten met de conclusie dat de wereld vooral last heeft van "klimaathysterie" (Marianne Zwagerman) en van een "opwarmingsverhaal" (Leon de Winter). Zelf ben ik toevallig net zo'n opwarmingsverhaal aan het lezen - namelijk de roman Goud Roem Citrus van Claire Vaye Watkins -  en dat gaat je bepaald niet in je kouwe kleren zitten. Vraag is dus niet alleen wie er in deze discussie gelijk heeft, maar ook waarom klimaatsceptici eigenlijk zo graag willen geloven dat het allemaal oncontroleerbare onzin is.


Natuurlijk is Goud Roem Citrus niet meer dan het is, namelijk een roman. Het is een verzonnen verhaal, geschreven door iemand van 31 die waarschijnlijk te veel boeken heeft gelezen van Frank Herbert. Tegelijk is dat de kracht van schrijvers van dit soort dystopische boeken: dat ze hun lezers meenemen naar een helemaal niet zo verre of vergezochte toekomst. Zoveel fantasie is er niets eens voor nodig om je voor te stellen hoe het is om te leven in een wereld waarin de zon onbarmhartig schroeit, water zeldzamer is dan goud en ook rijke westerlingen zich aan hebben moeten sluiten in de onafzienbare stroom klimaatvluchtelingen.

In die zin laat dit boek zich lezen als de ochtendkrant van 2032 (die tegen die tijd natuurlijk helemaal niet meer bestaat, net zoals er ook geen vers fruit meer is en alle bomen kaalgevreten zijn en zo broos als papier). In Goud Roem Citrus heeft de opwarming van de aarde ons definitief ingehaald en is er geen ontkennen meer aan. Het is The Walking Dead maar dan zonder zombies en met een zinderende zon. Je stapt je voordeur uit en bent opeens in de woestijn van Nevada. Ik weet nog steeds niet of ik het een goed boek vind, maar ik weet wel dat ik na de eerste paar hoofdstukken veel meer genoot van mijn schaal druiven en mijn koude glas water.


Ondertussen - en dat betekent in mijn geval dus tussen het lezen door - lees ik op Twitter dat er sprake is van klimaathysterie en schrijft Leon de Winter op zijn vaste plek in de krant dat er geen sprake is van door de mens veroorzaakte opwarming van de aarde, maar slechts van een "opwarmingsverhaal". Het klimaat fluctueert nu eenmaal en dat heeft niets te maken met onze vervuilende en verkwistende levensstijl maar alles met geologische en kosmische krachten. Als we al invloed hebben door onze CO2-uitstoot, dan is dat alleen maar in positieve zin want zo stellen we de volgende ijstijd juist weer een beetje verder uit.

Nu ben ik een politicoloog met een talenpakket, dus ik kan alleen maar afgaan op wat ik over dit onderwerp lees (bijvoorbeeld dat het in New York in februari al even 21 graden was). Als journalist schreef ik in 1988 al een artikel over wat toen meestal nog het "broeikaseffect" werd genoemd en vorig jaar zomer las ik tijdens mijn vakantie De klimaatoorlogen van Harald Welzer. Tegelijk las ik naast de column van Leon de Winter en de tweets van Marianne Zwagerman óók het boek De menselijke maat van Salomon Kroonenberg, dus niemand kan mij ervan beschuldigen dat ik in een filterbubbel leef waarin GroenLinks de agenda bepaalt.


Vooropgesteld dat ik niet 100% zeker weet dat klimaatsceptici onzin verkondigen, meen ik wel een verklaring te hebben voor hun reflex. Die lijkt namelijk héél erg op die van mensen die naar excuses zoeken om vooral niets te hoeven aflossen. De laatste jaren is dat stukken minder geworden, maar toen wij in 2008 begonnen met met het aflossen van onze hypotheek heb ik alle k*tsmoezen wel de revue zien passeren. Zo kreeg je altijd een boete als je afloste, moest je natuurlijk wel "leuke dingen" kunnen blijven doen en had je er niks aan als je op je 55ste een hartaanval kreeg op de drempel van je hypotheekvrije huis dat je net een dag eerder helemaal had afgelost. Aflossen is soms afzien en daar hebben de meeste mensen helemaal geen zin in.

Zuinig leven om je eigen hypotheek af te kunnen lossen is dan misschien nog wel op te brengen, maar niemand gaat superzuinig leven om te sparen voor zijn achterkleinkinderen. Dat speelt dus ook mee in de hele klimaatdiscussie. Mensen willen overal 130 rijden, in de zomer het vliegtuig pakken naar Bali en lekker alles kopen waar ze blij van worden. Klimaatsceptici willen zonder schuldgevoel vasthouden aan hun oude verkwistende levensstijl en dus moet het allemaal wel onzin zijn. Toegeven dat opwarming misschien bestaat betekent immers: minder vliegen, minder vlees, minder vervuiling en misschien wel minder keuzevrijheid. Dat lijkt een flinke stap terug, maar is waarschijnlijk veel verstandiger dan op de oude voet doorgaan tot er geen weg terug meer is.

maandag 20 maart 2017

Wie komt er nou precies van een andere planeet?

Als straks overal te lezen valt dat "rokjesdag" een feit is, dan klopt dat niet. De eerste echte dag waarop je met blote benen de straat op kon viel dit jaar namelijk al op donderdag 16 maart. Die dag fietste ik op mijn dooie gemak over het schitterende fietspad langs de Oude Maas, terwijl de zon uitbundig scheen en het ineens volop lente was. Toen ik een paar uur later in mijn korte broek boodschappen ging doen, werd ik echter aangestaard of ik van een andere planeet afkomstig was (of in elk geval op het verkeerde vliegveld was uitgestapt). Dat is dus met alles in het leven de vraag: ben jij zelf raar of doet de rest iets verkeerd?


De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat bovenstaande foto vórig jaar is gemaakt en ook op een heel andere plek (namelijk in de Alblasserwaard). Hij dient dan ook slechts ter illustratie, want afgelopen donderdag was ik in mijn eentje aan het fietsen zodat ik hooguit een selfie had kunnen maken. Wel droeg ik precies dezelfde outfit: een korte wielerbroek met daarboven een shirt én een shirt met lange mouwen. Echt zomer is het natuurlijk pas als je ook met korte mouwen kan fietsen, maar het was warm genoeg voor blote benen.

Een dag eerder was het ook al lekker genoeg om buiten in de tuin een boek te kunnen lezen, maar van dat feit hebben alleen mensen met een omgekeerde werkweek of een plakbandpensioen kunnen profiteren (en niet te vergeten al die ZZP'ers die in de luxe positie verkeren dat ze zelf hun tijd kunnen indelen). Zelf val ik in alle drie die categorieën, zodat het weekend wat mij betreft zomaar ineens midden in de week kan vallen en er ook nooit sprake is van een slechte zomer. Vorig jaar bijvoorbeeld begon mijn zomervakantie pas toen die voor de rest van het gezin net was afgelopen en bleef het tot ver in september mooi weer.


Officieel begint het "kortebroekenseizoen" hier in huis pas op 1 april en duurt het tot eind september (dus precies een half jaar). Dat is echter slechts een richtlijn want hij wordt ook tevoorschijn gehaald als het in maart al lekker is en hij blijft in de kast als het in april niet echt wil vlotten met het weer (wat de laatste jaren ook nogal eens is gebeurd). Dit jaar heb ik hem al drie keer aangehad, al heb ik tegelijk ontdekt dat ik dat beter alleen in mijn eigen tuin kan doen. Ga je in maart boodschappen doen in een korte broek, dan staren mensen je aan alsof je "Stille Nacht" aan het neuriën bent met een kerstmuts op.

Nu trekken sporters over het algemeen veel sneller iets luchtigs aan, want toen ik het weekend van 11 maart logeerde bij een vriend in de Eifel en we een lange fietstocht maakten door het fraaie heuvellandschap, zagen we onderweg niet alleen een skater met een korte broek maar ook een vrouw op een mountainbike die niet meer droeg dan een fietsbroek en een tanktop. Door de inspanning komt je lichaam snel op temperatuur, zodat je een heel andere beleving hebt van het weer. Daar komt in mijn geval bij dat de verwarming hier in huis vaak op 15 graden staat, zodat ik het buiten al heel aangenaam vind als het daar óók 15 graden is.


Belangrijker dan de vraag wanneer het nou precies "lekker weer" is en op welke datum rokjesdag valt (waarschijnlijk pas na het ingaan van de zomertijd), is de vraag of je je iets moet aantrekken van starende of afkeurende blikken. De vraag of het "raar" is om op 15 maart in een korte broek door Dirk van de Broek te lopen kun je moeiteloos vervangen door de vraag of het "raar" was om al in 2008 versneld te gaan aflossen. Toen was dat namelijk nog een vies woord en kwam je de uitdrukking "hypotheekvrij" in de media nergens tegen. Tegelijk beschouw ik het nog steeds als het verstandigste besluit óóit.

Bij lezingen zeg ik ook wel eens dat je waarschijnlijk aardig op de goede weg bent als mensen je aankijken of ze water zien branden. Dat is geen waterdichte redenering en ook geen wetenschappelijk verantwoorde conclusie, maar in de praktijk blijkt vaak dat je je niet teveel moet aantrekken van wat andere mensen doen of vinden maar dat je beter je eigen koers kunt bepalen en blind moet varen op je gevoel. Zo heb ik ontdekt dat je best een zomervakantie kunt overslaan als je in ruil daarvoor 365 dagen per jaar vakantie hebt en dat het geen kwestie is van afzien als je de kachel zo laag mogelijk zet omdat je dan al vroeg in de lente beloond wordt met mooi zomerweer.

dinsdag 14 maart 2017

Er bestaat dus werkelijk zoiets als welverdiende rust

Afgelopen weekend logeerde ik bij een vriend in een uitloper van de Eifel, pal aan de grens met Luxemburg. Daardoor kon ik goedkoop tanken voor de terugreis, nadat we drie dagen lang van het mooie weer hadden genoten en het schitterende landschap. Na afloop besefte ik eens te meer dat een weekend twee keer zo lang duurt als je er een mini-vakantie van maakt, dat alles staat of valt met het weer en dat nietsdoen vooral leuk is nadat je eerst van alles en nog wat hebt gedaan. Zo vierde ik dit weekend namelijk het heuglijke feit dat de eerste versie van mijn nieuwe boek helemaal af is. 


Op Twitter suggereerde ik dat ik er een paar dagen tussenuit was omdat ik mezelf om die reden had getrakteerd op een weekendje weg, maar dat had meer met toeval te maken dan met timing. De afspraak dat ik langs zou gaan bij deze vriend - die in Luxemburg werkt als expat - dateert al van maanden geleden, dus het kwam alleen maar goed uit dat ik net het laatste hoofdstuk van mijn nieuwe boek had afgerond. Ook met het weer mazzelden we, want in eerste instantie zag het er zo belabberd uit dat ik zelfs van plan was mijn mountainbike niet eens mee te nemen.

In plaats van de regen die eerst voorspeld was, werden we getrakteerd op drie dagen lenteweer met de zondag al absolute uitschieter. Die benutten we meteen maar met een fietstocht van meer dan 4 uur, waarbij we onderweg neerstreken op een zonovergoten terras langs de Moesel. Ik kwam vrijdag aan om half twee en diezelfde middag hadden we meteen al een mooie tocht gemaakt door de heuvels en het omliggende Saarland.. Dat herhaalden we de volgende dag, gevolgd door een bezoek aan de stad Trier, met als afsluiting een pizza in Liersberg.


Toen ik zondagavond om half elf thuiskwam, had ik het heerlijke gevoel dat ik een midweek weg was geweest in plaats van 2,5 dag. Natuurlijk ging het weekend de volgende dag gewoon verder (zo ga ik zo dadelijk na de lunch lekker in de tuin een boek zitten lezen), maar toch is een weekendje weg een heel andere ervaring dan een weekend in je eigen biotoop. Alleen de heen- en terugreis vind ik een beetje een dealbreaker, want het blijft zonde om in totaal een hele werkdag in de auto te zitten voor ruim twee dagen ontspanning.

Wel genoot ik intens van de ruimte, de rust, het prachtige heuvellandschap en de vriendelijkheid van de plaatselijke bevolking, zeker toen ik na thuiskomst in de krant had gelezen dat het hier weer heel druk was geweest op de weg en in de welbekende attractieparken. Alleen al daarom heb je als mens in dit land (beter gezegd: in dit deel van het land) een omgekeerde werkweek nodig: omdat het op een zomerse maandag oneindig veel rustiger is op de fietspaden dan op een zonovergoten zondag. Nu kon ik maandag rustig bijkomen van de reis en op mijn gemak alsnog alle zaterdagkranten lezen.


Dat was trouwens ook wel eens rustig: de dag beginnen met een kop koffie en een boek in plaats van de gebruikelijke mediaconsumptie. Ik kreeg via Twitter natuurlijk wel het nodige mee van de rellen in Rotterdam, maar verder stond dit weekend toch vooral in het teken van dit onwaarschijnlijk mooie liefdesverhaal van Patrick Ness dat net zo goed door Neil Gaiman geschreven had kunnen zijn. Het heeft verder niet veel om het lijf, maar ik heb me voorgenomen om na elke film die op een roman is gebaseerd een ánder boek te lezen van dezelfde schrijver. Dat is heel verfrissend, want voordat ik A Monster Calls zag had ik zelfs nog nooit van Patrick Ness gehoord.

Wel weet ik inmiddels dat je helemaal niet vreselijk calvinistisch hoeft te zijn om te beseffen dat het pas echt goed rusten is na gedane arbeid, net zoals je heel anders onder de douche staat als je net vier uur op de mountainbike hebt gezeten. Het is niet voor niets zo dat vrijdag mijn favoriete bioscoopdag is: dan geniet ik van een film in de wetenschap dat ik die week één column heb geschreven, twee blogs heb gepubliceerd en drie hoofdstukken van mijn nieuwe boek heb geredigeerd. Om echt intens te kunnen genieten van het nieuwe nietsdoen moet je dus af en toe ouderwets je mouwen opstropen en meters maken.