Zoeken

donderdag 18 mei 2017

Wat gebeurt er als je elke vijftigplusser een basisinkomen geeft?

Maandag 22 mei a.s. wordt de eerste aflevering uitgezonden van een tweedelige special van het televisieprogramma Radar. Daarin staat de vraag centraal hoe je de hardnekkige werkloosheid onder vijftigplussers het beste kunt aanpakken, een thema dat in mijn boeken met enige regelmaat terugkeert. Interessant genoeg komen ze daarbij op de proppen met een oplossing die ik in mijn vólgende boek uitgebreid uit de doeken doe. Wat zou er namelijk gebeuren als je een basisinkomen gefaseerd invoert, te beginnen bij werkloze ouderen? Storten die zich dan allemaal op vrijwilligerswerk of stort de economie in?


In de eerste special van Radar, die gewijd was aan hypotheken en begin vorig jaar werd uitgezonden, was ik zelf te gast. Het zou dus een tikje merkwaardig zijn geweest om mij opnieuw te interviewen (zeker omdat ik inmiddels ook een vaste column heb in het tijdschrift Radar+), terwijl ik aan de andere kant van alles te vertellen heb over dit onderwerp. In 2012 was ik namelijk zelf een werkloze vijftigplusser die aanhikte tegen een pensioengat van 17 jaar en werkzaam was in een sector waar de klappen het hardst aankwamen. Inmiddels ben ik met "plakbandpensioen" en betaal ik mezelf elke maand een basisinkomen uit van 1000 euro netto.

Dat is precies het bedrag waar Antoinette Hertsenberg het over heeft in het grote interview in de nieuwe Varagids. Een van de oplossing die in de documentaireserie wordt aangedragen is namelijk een basisinkomen voor werkloze vijftigplussers. In het bewuste interview wordt gesproken over een experiment met 55 vijftigplussers, hoewel dat net zo goed een soort spraakverwarring kan zijn tussen journalist en geïnterviewde. Waarschijnlijk wordt bedoeld dat je zou kunnen denken aan een experiment met werkloze 50-plussers óf 55-plussers, al zal het dan eerder gaan om een soort regelvrije bijstand dan om een écht basisinkomen voor iedereen.


Persoonlijk ben ik heel benieuwd met welke conclusies de makers op de proppen komen. De verslaggeefster van de Varagids (zelf 48 jaar) springt alvast een gat in de lucht van blijdschap bij het vooruitzicht om op je vijftigste met pensioen te gaan en vanaf dat moment alleen nog dingen te doen die je leuk vindt. Antoinette Hertsenberg antwoordt daarop dat er maar weinig mensen zijn die met een basisinkomen op zak "thuis op de bank willen zitten". Dat is een interessante opmerking, omdat het daardoor net lijkt of je als mens alleen maar kunt kiezen tussen twee uitersten: werk (en vrijwilligerswerk) óf met de armen over elkaar achter de geraniums.

Hertsenberg baseert die conclusie op de gesprekken die ze voor het programma gevoerd heeft met werkloze vijftigplussers. Dat zijn dus mensen die wanhopig op zoek zijn naar een baan (omdat ze anders hun rekeningen niet kunnen betalen en misschien wel hun huis uit moeten) en die ook geacht worden actief op zoek te zijn naar werk. Die groep heeft het gevoel langs de kant te staan, voelt zich afgedankt, krijgt afwijzing na afwijzing, profiteert als enige niet van het economisch herstel waar in de media over wordt gesproken en wordt voortdurend achter de vodden gezeten door het UWV of de Sociale Dienst.


Wat die groep zou doen met een onvoorwaardelijk basisinkomen op zak weet je niet en kom je ook niet te weten door ze aan te spreken als ze nog in een totaal andere situatie zitten. Met een beetje overdrijving zou je kunnen zeggen dat een dergelijk onderzoek net zoveel voorspellende waarde heeft als het interviewen van langgestraften in de gevangenis over hun vakantieplannen. Die gaan natuurlijk nergens heen omdat ze nergens heen kunnen en willen daar niet eens over fantaseren omdat dat veel te pijnlijk is. Op dezelfde manier gaat een werkloze vijftiger van wie de WW-uitkering binnenkort afloopt, natuurlijk niet ontspannen en zonder enig schuldgevoel met een kop koffie en een krant in de tuin zitten.

Hertsenberg heeft gelijk dat vijftigers helemaal niet uitgeblust en opgebrand zijn (en, net als haar 58-jarige echtgenoot, nog "superactief"). Wat echter vaak vergeten wordt is dat je ook een heel actieve levensstijl kunt hebben zonder bestuursfuncties en betaald werk. Zo moet je niet uitsluiten dat vijftigers met een basisinkomen op zak misschien nog wel een paar betaalde opdrachten aannemen voor de slagroom op de taart, maar hun tijd verder prima weten te vullen met lezen, kanoën, musea bezoeken, bij vrienden langs gaan, fietsen, schilderen, tuinieren, wandelen, puzzelen en voetballen. Kijk maar eens wat er gebeurt als je een niet-werkende vijftigplusser 1000 euro netto per maand uitkeert én een abonnement waarmee hij onbeperkt naar de bioscoop kan...

dinsdag 9 mei 2017

Van bleek kantoorkneusje tot blakend buitenmens

In tegenstelling tot wat de kop suggereert, gaat dit blog in de eerste plaats over dieren en pas in tweede instantie over mensen. Sinds een paar maanden zijn we namelijk in het bezit van twee katten uit hetzelfde nest en het is heel leerzaam en interessant om hun gedrag te observeren. Niet alleen blijken deze huisdieren experts in "het nieuwe nietsdoen", ze hebben een ware transformatie ondergaan sinds ze naar buiten mochten. Dat contrast is zo opvallend, dat je je af zou moeten vragen hoe "natuurlijk" wij mensen ons leven hebben ingericht en welke impact al dat getuur op een scherm op onze geestelijke en lichamelijke conditie heeft.


In mijn nieuwe boek vertel ik hoe wij ineens aan twee poezen komen, want dat was helemaal niet de bedoeling toen ik twaalf maanden geleden met plakbandpensioen ging. Soms lijkt het wel of heel andere krachten ons leven hebben overgenomen en er ook steeds meer plek is voor onverwachte gebeurtenissen sinds ik leef van een zelfgefinancierd en zelfbenoemd basisinkomen. Daar horen nadrukkelijk ook deze twee katten bij die door een keten van toevalligheden in ons gezin terecht kwamen en aanvankelijk zo schuw en gestrest waren dat ze alleen onder de bank tevoorschijn kwamen om te eten.

Vermoedelijk zijn ze afkomstig uit een huishouden waar de borden tegen de muren vlogen vanwege een vechtscheiding, al dan niet veroorzaakt door financiële problemen. Dat zou in elk geval hun schrikachtige gedrag verklaren en hun angst voor ruisende winterjassen en rammelende luciferdoosjes. In het begin hoefde je maar naar de kapstok te wijzen of ze vlogen onder de kast om daar bibberend te kijken wat voor verschrikkelijks er nu weer te gebeuren stond. Dat duurde enkele maanden, tot ze zich hier langzaam thuis begonnen te voelen en steeds meer op hun gemak raakten. Inmiddels zijn ze al zover dat ze niet meer van schrik tegen het plafond springen als je een keer niest of je neus ophaalt.


Tot voor kort waren het echter huisdieren in de meest letterlijke zin: ze zaten soms uren in de vensterbank achter het raam, maar waren met geen stok naar buiten te krijgen. In het begin hielden we ze bewust binnen om ze aan ons en aan hun nieuwe omgeving te laten wennen, maar al snel bleek dat ze geen enkele aanvechting hadden om de tuin te verkennen. Tot de oudste en de grootste een keer naar buiten glipte en zijn zusje na tien minuten zijn voorbeeld volgde. Sindsdien zijn ze de de hele tijd buiten en komen ze alleen binnen om te eten en bij te slapen op de bank. Je kunt ook zeggen dat ze onherkenbaar zijn veranderd.

In plaats van op een dekentje te liggen op een stoel of op de vensterbank boven de verwarming, rennen ze door de tuin, springen over schuttingen en drinken water uit de sloot. In korte tijd zijn ze veel zelfverzekerder en assertiever geworden en zitten ze letterlijk beter in hun vel want hun vacht lijkt zelfs meer te glanzen. Waarschijnlijk vind je dat soort observaties terug in het eerste de beste informatieve poezenboek dat je openslaat, maar het is heel interessant en leerzaam om dat soort gedragsveranderingen met eigen ogen gade te slaan. het zou me zelfs niets verbazen als buitenkatten (want zo durf ik ze inmiddels wel te noemen) langer leven dan huiskatten, zolang ze tenminste niet doodgereden worden.


Wat voor katten geldt, geldt waarschijnlijk in dezelfde mate voor mensen. Onlangs las ik een interview in het FD met schrijver Douglas Coupland, die schetst hoe de gemiddelde werknemer op kantoor acht uur op zijn werk naar een scherm zit te staren en na thuiskomst nog eens een paar uur doorbrengt achter weer een ander scherm. De enige "organische" gebeurtenis die je dan als mens hebt gehad is volgens hem het reizen naar en van je werk en het eten van de avondmaaltijd (hoewel je dat in principe ook voor de tv kunt doen, net zoals je in de trein naar je werk ook meer met je smartphone bezig bent dan met de wereld om je heen). In die zin zijn we een soort oermensen die zonder het te beseffen onderdeel vormen van een omvangrijk en misschien wel levensgevaarlijk laboratoriumexperiment.

Ondertussen zijn we labiel, opgebrand, depressief, allergisch voor van alles en nog wat en in algemene zin tamelijk ontevreden met ons leven. De menselijke geest is zo knap en vindingrijk dat die bemande missie naar de planeet Mars er straks waarschijnlijk wel echt komt als we de laatste praktische en technische obstakels hebben overwonnen, net als de eerste echte ruimtekolonie op diezelfde onherbergzame planeet. Ik hoef echter alleen maar even naar die twee geadopteerde poezen te kijken die in de tuin aan het ravotten zijn en zelfs alweer hun eerste muis hebben gevangen, om te beseffen dat ook mensen niet zijn gemaakt om langdurig te worden opgesloten in een kantoor of een koepel of zich in de meest letterlijke zin af te schermen van de buitenwereld.

woensdag 3 mei 2017

De eerste twaalf maanden met een basisinkomen zitten erop

Afgelopen maandag was een historische dag. Precies een jaar geleden, op 1 mei 2016, begon het vijf jaar durende experiment waarbij ik mezelf elke maand 1000 euro netto uitkeer bij wijze van basisinkomen. Dat geld is weliswaar afkomstig van mijn eigen spaargeld en niet van een of andere uitkeringsinstantie, maar toch kan ik zo aan den lijve ervaren wat het met je doet als je elke maand "gratis geld" ontvangt. Er zijn méér mensen die 12 maanden van een soort basisinkomen leven of hebben geleefd (denk aan Frans Kerver en Anne van Dalen), maar ik plak er nog eens 48 maanden aan vast en heb al een Plan B klaarliggen voor de periode daarna. In mijn volgende boek doe ik verslag van mijn ervaringen in dat eerste jaar.


Grappig genoeg begon het experiment vorig jaar op precies dezelfde plek waar ik nu óók verbleef op 1 mei: in een eeuwenoude boerderij op een berghelling in Frankrijk. Net als toen zagen we in een paar dagen tijd alle vier de seizoenen voorbij komen, zodat we tijdens onze vakantie konden mountainbiken in de sneeuw én buiten lezen in het zonnetje. De week leek daardoor wel twee keer zo lang te duren en maakte een onuitwisbare indruk die geheel losstaat van mijn experiment maar er wel een stempel op drukte.

Tijdens een van mijn fietstochten zag ik in het struikgewas een ree wegvluchten voor een blaffende hond. Tenminste, dat dacht ik in eerste instantie tot ik ontdekte dat het dier zélf dat geluid produceerde en waarschijnlijk alleen maar van mijn aanwezigheid geschrokken was. Even later remde ik net op tijd om te zien hoe iets verderop twee reeën doodgemoedereerd op het bospad aan overhangende boomtakken aan het knagen waren. Het waren de enige levende wezens die ik tijdens mijn tocht tegenkwam, want er waren nergens wandelaars of fietsers te bekennen (behalve de mensen met wie ik op pad was als ik er niet in mijn eentje op uittrok).


 De schoonheid van de natuur, de leegte en de stilte (het enige geluid was dat van smeltende sneeuw die van boomtakken schoof) vielen op geen enkele manier te rijmen met het dagelijks leven thuis en de al even dagelijkse drukte. Dat contrast is zo groot en ook zo onverdraaglijk, dat ik er eigenlijk alleen maar vrede mee kan hebben doordat ik tegenwoordig na mijn vakantie niet meer aan hoef te sluiten in de file maar in plaats daarvan op de fiets kan stappen naar de film (of me gewoon nog eens lekker om kan draaien in bed omdat het miezert).

Een basisinkomen maakt je leven dus meteen al een stuk draaglijker, omdat je niet meer hoeft te doen wat je wordt opgedragen en je in principe elke dag lekker zou kunnen gaan fietsen (met als extra bonus dat het op doordeweekse dagen overal een stuk rustiger is). Je kunt ook zeggen dat de vakantie na de vakantie gewoon doorgaat, zodat je niet met een knoop in je maag aan de thuisreis begint maar er thuis gewoon nog een paar vrije dagen aan vastknoopt.


Van helemaal niksdoen (of het nieuwe nietsdoen) is echter geen sprake, want mijn nieuwe boek moet binnenkort richting uitgever en de puntjes moeten nog op de "i" worden gezet. Pas nu die eerste twaalf maanden écht voorbij zijn , kan ik namelijk vertellen hoe dat eerste jaar is bevallen, wat er allemaal in mijn leven is veranderd en wat ik de komende 48 maanden allemaal nog van plan ben. Dat verklap ik natuurlijk niet op deze plek, maar ik kan alvast wel zeggen dat een basisinkomen een hele verrijking is.

In dat kader is het wel een tikje wrang dat het experiment dat op 1 mei in Utrecht van start zou gaan met een soort regelarme bijstand is uitgesteld omdat de overheid dwarsligt en weigert de regels te versoepelen. Ook Terneuzen gooide om die reden eerder al de handdoek in de ring, terwijl dit soort bescheiden proeven slechts heel in de verte iets te maken hebben met het idee van een gegarandeerd en onvoorwaardelijk basisinkomen. Doel blijft in alle gevallen om mensen zo snel mogelijk weer aan het het werk te krijgen, terwijl ik alleen maar wil kijken of het werkt.


maandag 24 april 2017

8 bioscoopfilms in 3 weken tijd

Toen ik eind december een Cinevillepas bestelde voor 19 euro per maand, had ik geen idee hoe dat zou gaan uitpakken. Ik wist dat ik er minstens drie maanden aan vast zat, maar ik had er geen rekening mee gehouden dat ik al snel niet meer zonder zou kunnen. De eerste drie weken van april zag ik zelfs zoveel films dat ik me bijna af begin te vragen hoe ik vroeger eigenlijk mijn vrije tijd doorbracht. Als ik in dit tempo doorga, staat de teller na 365 dagen op meer dan 100 films en ben ik in één jaar vaker in de bioscoop geweest dan in alle voorgaande jaren bij elkaar opgeteld. Het grappige is dat die bioscoopverslaving niet alleen mijn kijkgedrag heeft veranderd en mijn kijk op de wereld, maar ook mijn leesgedrag 


De laatste film die ik zag (maar zeker niet de láátste) was 20-th Century Women. Eerlijk gezegd twijfelde ik er een beetje aan of ik die aan mijn lijstje zou toevoegen want op de Internet Movie Database kreeg hij van verschillende recensenten het rapportcijfer 2. Er zou geen verhaal in zitten en het zou allemaal veel te langdradig en eentonig zijn. Daar stond tegenover dat hij in de Volkskrant vier sterren kreeg en ook elders goed werd besproken. Het feit dat de film zich in 1979 afspeelt sprak me op voorhand wel aan, net als de wetenschap dat de vrouwelijke hoofdpersoon net zo oud is als ik en een zoon heeft van ongeveer dezelfde leeftijd als onze jongste.

Dus ging ik eerst op woensdag naar Their Finest (drie sterren) en op donderdag naar Get Out (ook drie sterren) voordat ik op vrijdag als derde keus een kaartje "kocht" voor 20-th Century Women en compleet van mijn stoel geblazen werd. Dat gebeurt natuurlijk vooral bij films waar je het minst van verwacht, maar wat mij betreft klopte in dit geval alles: het acteerwerk, het decor, de muziek, de psychologie. Niet alleen vind ik hem de volle 5 sterren waard, de kans is groot dat ik hem zelfs nóg een keer ga bekijken. Dat doe je namelijk ook veel makkelijker als je voor een vast bedrag per maand onbeperkt naar de film mag. Eerder zag ik Arrival al dubbel en naar A Monster Calls ging ik zelfs twee keer in dezelfde week.


Ik heb geen idee hoe dit alles zich verder gaat ontwikkelen, want straks wordt het mooi weer en dan heb je wel wat beters te doen dan jezelf een paar uur opsluiten in een donkere bioscoopzaal. Maar misschien fiets ik dan wel op mijn gemak na het avondeten naar de bioscoop in plaats van op klaarlichte dag. Get Out bijvoorbeeld zag ik zo vroeg op de dag dat ik al om kwart voor negen 's ochtends op mijn fiets stapte en tussen de scholieren en forenzen naar Rotterdam peddelde. Ik kom op deze manier niet alleen veel frequenter in de bioscoop, maar ook oneindig veel vaker in mijn geboortestad. Nu al verheug ik me erop om in de zomermaanden in mijn korte broek door de stad te sjezen en onderweg ergens een ijsje te kopen.

Waar dit allemaal toe gaat leiden, weet ik dus nog niet maar het zou zomaar kunnen dat ik straks 100 films in één jaar heb gezien (en dus ook 100 van de 365 dagen naar de film ben geweest). Dat is natuurlijk absurd, maar het is tegelijk zo'n radicale breuk met mijn vorige leven (en zelfs met vorig jaar) dat het tegelijk ook aanvoelt als één groot, opwindend avontuur. Zo bekeken is die 19 euro per maand een koopje, al ving ik ook een gesprek op aan de kassa van Kino waarin iemand ter sprake kwam die een Cinevillepas voor zijn verjaardag had gekregen en er tot op heden nul keer gebruik van had gemaakt. Het zal me dus benieuwen of de nieuwigheid er voor mij ook afgaat of dat dit een verslaving is voor de rest van mijn leven.


Het leuke is wel dat je op deze manier steeds weer iets hebt om je op te verheugen. Niet alleen bekijk ik elke dinsdag welke film ik die vrijdag ga zien, ik kijk soms ook reikhalzend uit naar titels die pas over een paar maanden in roulatie gaan. Daar komen steeds weer nieuwe bij, net zoals je voor elk hoofdprogramma wel weer een trailer voorgeschoteld krijgt van een andere film die er óók best interessant uitziet. Dat kan soms tegenvallen, maar na een paar redelijke of middelmatige films zit er altijd wel weer een knaller of een klassieker tussen. Bovendien geeft het niks als een film een tikje teleurstelt, want dan ga je gewoon de volgende dag weer naar een andere.

Eerder schreef ik al dat ik na het zien van elke film die gebaseerd is op een boek, naar de bibliotheek ga om een andere titel te lenen van dezelfde schrijver. In afwachting van Alone in Berlin (die deze donderdag in première gaat) haalde ik uit de bieb niet alleen het boek Alleen in Berlijn van Hans Fallada, maar ook Een waanzinnig begin dat hij vijf jaar later publiceerde. Ik moet ze allebei nog lezen, maar verheug me nu al op zowel beide titels als op de bijbehorende film (en op al die andere films over WO2 die deze meidagen allemaal nog moeten uitkomen).

maandag 17 april 2017

Journalist in de voltooid verleden tijd

Vorige week werd ik geïnterviewd door een journalist die mij vroeg waarom ik in mijn boeken wel vertel welk werk ik voorheen heb gedaan maar niet precies bij welke werkgever en welk tijdschrift. Daar kan ik een heleboel antwoorden op geven (die ook allemaal waar zijn), maar waar het vooral op neerkomt is dat voor het verhaal dat ik wil vertellen niet belangrijk genoeg is. Als ik achterom kijk - en dat doe je vanzelf als je oude plakboeken doorbladert en je knipselarchief opruimt - dan lijkt mijn werk steeds minder een levensvervulling en steeds meer een hinderlijke onderbreking tussen mijn studententijd en mijn huidige bestaan. In een van mijn boeken vergeleek ik mijn werk met een zandkasteel dat je ingespannen en aandachtig hebt opgebouwd en dat vervolgens met één golf wordt weggevaagd.


Mijn ervaring is dat gesprekken over mijn laatste boek (en daarmee bedoel ik Het plakbandpensioen want Leven van de lucht verschijnt pas in september) een beetje heen en weer zwalken tussen twee onderwerpen. Aan de ene kant kun je mij het hemd van het lijf vragen over de vraag hoe ik mijn pensioengat van ruim vijftien jaar hoop te overbruggen - en ook hoe andere mensen van mijn leeftijd dat proberen te doen of zouden kunnen doen - aan de andere kant kun je heel veel focus leggen op het belang van betaald werk en de vraag waarom je daar überhaupt voortijdig en vrijwillig mee zou willen stoppen. Werk kan immers ook leuk zijn, geeft energie, zorgt ervoor dat je iets bijdraagt aan de maatschappij en ga zo maar door.

Zo ben ik dus aan het uitleggen uit welke potjes ik de dagelijkse boodschappen betaal, terwijl ik me ook moet verdedigen voor het feit dat ik ik het al op mijn 55ste voor gezien hield. Heel vaak zeggen mensen een tikje verwijtend dat ik "maar" 25 jaar in loondienst gewerkt heb, terwijl ik van mening ben dat daar geen regels voor bestaan en ik achteraf gezien best nog wel wat eerder had willen stoppen. Bovendien werkte ik al als journalist in 1983, toen ik nog aan het studeren was zodat ik meer dan dertig jaar lang mensen heb geïnterviewd, platen heb gerecenseerd en reportages heb geschreven. Het was leuk werk en een afwisselend bestaan, maar ik heb het tegelijk lang genoeg gedaan.


In mijn volgende boek vertel ik dat ik mezelf erop betrap dat ik steeds vaker zeg dat ik journalist "ben geweest". Strikt genomen ben je als vaste columnist (van een krant en een tijdschrift) óók een soort journalist, maar ik ben geen razende reporter meer die vragen stelt met een memorecorder op tafel. Met een basisinkomen op zak kún je die keuze ook maken, omdat je elke maand toch al genoeg geld hebt om alle vaste lasten te betalen en in je basisbehoeften te voorzien. Mijn stelling (en mijn stellige overtuiging) is dan ook dat je pas écht kunt zeggen of je werkt voor het geld of niet op het moment dat geld geen rol meer speelt of in elk geval geen doorslaggevende rol.

Afgelopen week ben ik begonnen met het opruimen van mijn knipselarchief. Daar had ik eerder al een begin mee gemaakt, maar deze keer ben ik twee keer op en neer gereden naar de papiercontainer met in totaal minstens een meter aan dossiermappen (als je op elkaar zou stapelen). Je kunt dat beschouwen als een soort voorjaarsschoonmaak, hoewel het meer te maken had met het feit dat de eerste ruwe versie van mijn nieuwe boek af is. Pas op zo'n moment heb je weer ruimte in je hoofd voor dit soort zaken, omdat het verhaal zo goed als af is en je brein min of meer blanco. Tussen die mappen vond ik ook twee plakboeken terug met daarin mijn eerste schrijfsels uit de periode 1983 en 1987.


Hoewel het leuk was om die artikelen (uit De Groene Amsterdammer) terug te lezen, bezorgde het me ook een gevoel van intense vermoeidheid. Door die jaartallen besef je namelijk opeens weer hoe lang je het werk al doet en hoe ontzettend vaak je al met een vragenlijstje op zak naar een artiest, een schrijver, een BN'er of een buitenlandse beroemdheid bent gesjokt. In mijn geval schommelt het antwoord tussen "vaak genoeg" en "veel te vaak", zodat ik niet alleen ijverig doorga met het dumpen van mijn knipsels maar ik ook de aanduiding "journalist" in mijn Twitterprofiel heb geschrapt. In zekere zin ben ik altijd al in de eerste plaats een schrijver geweest en was dit gewoon een ontzettend leuke en interessante surrogaatbaan.

Maar - en nu komt het - het was ook een beetje een surrogaatleven, een tweedehands en tweederangs bestaan waarin veel te veel kostbare tijd werd opgeslokt door files, het voorbereiden en uittikken van interviews en het uitknippen en sorteren van knipsels. Als je jong bent, maakt dat geen lor uit want dan denk je dat je onkwetsbaar bent en onsterfelijk. Op deze leeftijd begin je echter te beseffen dat je leven eindig is en dat tijd een kostbaar goed is. Aan de ene kant bent ik de laatste tijd dus vooral tijd aan het inhalen (bijvoorbeeld door dit jaar minstens 80 keer naar de bioscoop te gaan) aan de andere kant maak ik elke keer weer, en ook elke dag opnieuw, een bewuste afweging waaraan ik mijn tijd het liefst wil besteden.

donderdag 6 april 2017

Liever een tuin zonder huis dan een huis zonder tuin

In een van mijn boeken schrijf ik dat ik liever een klein huis zou willen hebben met een grote tuin dan omgekeerd. Dat is niet zomaar een woordspelletje, maar een prima manier om in kaart te brengen wat je nou eigenlijk écht wil en écht belangrijk vindt in het leven. Zo zou ik best bereid zijn om vanaf nu nooit (als in: echt nooit meer) op vakantie te gaan als dat de enige manier was om 365 dagen per jaar een soort vakantiegevoel te hebben. In mijn volgende boek ga ik nog een klein stapje verder door de vraag op te werpen of je meer hebt aan een tuin zonder huis dan aan een huis zonder tuin. Geen theoretisch dilemma, want in mijn eigen woonplaats staat momenteel 1000 m2 tuin te koop waarop je nog geen hondenhok mag plaatsen.


In mijn volgende boek (dat gepland staat voor september) haal ik comedian Pieter Derks aan die in een interview in het blad Buitenleven aangaf - of misschien wel grapte - dat je meer hebt aan een tuin zonder huis dan aan een huis zonder tuin. Vervolgens vraag ik me hardop af wat ik zou doen als ik écht voor die keuze stond. Zou ik liever als een god in Frankrijk leven in een tent op een halve hectare grond ergens in de natuur dan in een appartement ergens op zes hoog met alleen een Frans balkon? In de wintermaanden heb je natuurlijk het meest aan die laatste optie (omdat het dan sowieso weinig uitmaakt waar je woont), maar zodra het mooi weer is wil ik op elk willekeurig moment naar buiten kunnen stappen.

Hoewel ik het alleen maar noem als theoretische optie omdat je met een basisinkomen op zak allerlei onverwachte en verrassende keuzes kunt maken, keek ik toch met een andere blik naar bovenstaande advertentie. Zo vaak gebeurt het namelijk niet dat er hier in de buurt een stuk tuin te koop staat, zeker niet op zo'n schitterende plek aan het water. Dat de makelaar spreekt van een "unieke kans" is dus niet meer dan terecht, maar de vraag is natuurlijk wat je vervolgens gaat doen met een stuk grond waarop niet gebouwd mag worden. Ga je zoeken naar listige manieren om er tóch te kunnen overnachten of rijd je op elke mooie dag op je fiets naar je eigen privé-park? En wat mag dat eigenlijk kosten per vierkante meter?


Die laatste vraag heb ik hierboven meteen maar beantwoord, hoewel ik hem voor de aardigheid ook aan vrienden en familie heb gesteld (die meestal gokten dat het perceel 50.000 euro moest kosten). In werkelijkheid betaal je omgerekend 200 euro per vierkante meter en voor dat bedrag kun je elders in ons land waarschijnlijk nog wel ergens een perceel bóuwgrond kopen. Het aankoopbedrag zal ook uit eigen zak moeten worden betaald, want geen enkele bank leent jou zomaar twee ton voor een stuk gras met een paar bomen en bloemperkjes erop. Vraag is ook of er mensen zijn die dit als een goede investering zien.

Zelf zag ik meteen wel een paar mogelijkheden. Zo ligt de tuin aan het water, dus je kunt er vast wel een bootje kwijt dat groot genoeg is om in te slapen. Verder zou je er in de zomer kunnen kamperen en is het maar de vraag hoe moeilijk de gemeente doet als je er een tiny house op zet of een camper (of een soort blokhut in de vorm van een schuurtje of misschien zelfs wel een volwassen boomhut in een van die bomen). Ideaal is het niet, maar hou bij dat alles dat eerder genoemde appartement zonder balkon in gedachten. Hier kun je niet alleen zonnebaden, tuinieren en luieren, maar ook elke dag pootjebaden in de rivier.


Wat de gedachte achter de advertentie precies is, weet ik niet want het stuk grond maakt nu nog deel uit van een tuin die hoort bij een villa die elders in dezelfde folder te koop staat voor meer dan een miljoen. Zijn er misschien mensen die graag aan het water wonen zonder een enorme tuin om te onderhouden (en dus liever kiezen voor een groot huis met een kleine tuin) of is er iets anders aan de hand? Persoonlijk zou ik dan toch liever dat huis hebben én die lap grond, al was het maar omdat je je waarschijnlijk ook wel een tuinman kunt veroorloven als je in deze prijsklasse zoekt en buitenruimte een garantie is voor rust en privacy.

Zelf heb ik geen interesse, omdat ik al een heerlijk tuin heb op een schitterende plek, maar anders was ik er zeker even langs gefietst en was ik ijverige verder gaan fantaseren. Want je kunt ook zelf in een bootje gaan wonen, terwijl je kinderen in een boomhut slapen of desnoods in een daktent op een auto. Het is allemaal wat onorthodox, en het is soms letterlijk een kwestie van kamperen en improviseren, maar het klinkt allemaal even avontuurlijk en zorgt gegarandeerd voor dat permanente vakantiegevoel waar ik inmiddels helemaal verslaafd aan ben geraakt.

woensdag 29 maart 2017

Dáárom moet elke huizenbezitter het boek Hypotheekvrij! lezen

De AFM maakt zich zorgen over de nog steeds grote groep huizenbezitters met een geheel of gedeeltelijk aflossingsvrije hypotheek. Samen met twee grote banken denkt de toezichthouder na over de vraag hoe men die groep ertoe kan aanzetten in actie te komen en extra te gaan aflossen. Een oplossing is nog niet gevonden, hoewel het waarschijnlijk enorm zou helpen als ze al die mensen een exemplaar zouden opsturen van mijn boek Hypotheekvrij! Zelf doe ik dat boek nooit aan iemand cadeau zonder de disclaimer dat ze na lezing gegarandeerd gaan aflossen (net zoals mensen na lezing van De omgekeerde werkweek meestal ook in deeltijd willen gaan werken).


Natuurlijk is de kop boven het artikel zwaar aangezet, al was het maar omdat de hoogleraar die geciteerd wordt het heeft over een "tijdbommetje". Niet elke aflossingsvrije hypotheek levert aan het einde van de looptijd problemen op, al was het maar omdat er vaak helemaal geen sprake is van een afgebakende looptijd. Zelfs had ik ooit twee van dat soort leningen en die zouden gewoon door zijn gelopen tot mijn dood als ik niet tussentijds had afgelost. De ene liep volgens de bepalingen door tot "datum aflossing", nummertje twee tot het jaar waarin ik theoretisch honderd zou zijn geworden. Van een aflossingsvrije hypotheek kom je dus nooit af, maar je hoeft ook niet per se na dertig jaar je huis te verkopen.

Belangrijk is dus om niet alleen na te denken over het hoe en wat van je aflossingsvrije hypotheek, maar ook om na te kijken wat daarover precies in je papieren staat. Ooit sprak ik een vrouw die heel blij vertelde dat ze kort daarvoor een aflossingsvrije hypotheek had afgesloten met een looptijd van 30 jaar, zonder dat ze antwoord kon geven op mijn vraag wat er ná die dertig jaar zou gebeuren. Soms verlengt de bank de hypotheek zonder problemen, maar het kan ook dat ze opnieuw naar je inkomen kijken en tot de conclusie komen dat dat tekort schiet. In dat geval zul je een deel van de schuld in één klap moeten aflossen of je huis inderdaad te koop moeten zetten.


Wie mijn in 2012 verschenen boek heeft gelezen, wéét dat allemaal en zal op tijd maatregelen proberen te nemen. Ik overdrijf niet als ik zeg dat ik wekelijks mailtjes krijg van mensen die vertellen dat ze door dat boek versneld zijn gaan aflossen of hun grote dure huis hebben ingeruild voor een kleiner en goedkoper exemplaar. Deze week nog las ik het verhaal van een man van 26 die elke maand 1200 euro extra aflost en op die manier over een jaar of zes in een hypotheekvrij appartement hoopt te wonen (hoewel zijn omgeving hem voor gek verklaart omdat hij dat geld niet uitgeeft aan vakanties en dure auto's).

Florius stuurt haar klanten met een aflossingsvrije hypotheek in sommige gevallen naar een adviseur en vergoedt de helft van de kosten, terwijl ze dus ook gewoon 9 euro 95 zouden kunnen uitgeven (plus porto) om hun klanten te verblijden met een gratis boek. Er zullen best huizenbezitters zijn die mijn boek na lezing schouderophalend bij het oud papier gooien, maar in de meeste gevallen zullen ze een goed gesprek voeren met hun partner en maatregelen nemen. Zelf ben ik in 2008 gaan aflossen en daar heb ik nog geen dag spijt van gehad (zeker niet omdat ik straks tien jaar voor mijn AOW-datum helemaal hypotheekvrij ben).


Het zou natuurlijk ironisch zijn als banken je nu gaan vertellen wat ze volgens de omslag van de eerste druk juist niet vertelden, maar de tijden zijn nu eenmaal veranderd. Tegelijk heeft nog steeds 30% van álle huizenbezitters een volledig aflossingsvrije hypotheek en dan praat je over meer dan 200 miljard. Vooral huishoudens die hun hele hypotheek aflossingsvrij hebben gefinancierd, niets hebben gespaard en geen erfenis in het verschiet hebben, kijken straks waarschijnlijk raar op hun neus en lopen het risico dat ze noodgedwongen moeten verhuizen of opeens geconfronteerd worden met torenhoge lasten omdat de HRA na dertig jaar vervalt en de bruto lasten op eigen kracht moeten worden betaald.

Hoogleraar Johan Conijn wijst erop dat mensen liever niet nadenken over de einddatum van hun hypotheek, net zoals ze ook niet nadenken over hun pensioen. Dat is heel menselijk en psychologisch goed verklaarbaar, maar grappig genoeg werkt het ook andersom. Dat ik nu, op mijn 55ste, in feite al met pensioen ben heeft alles te maken met het feit dat ik een kleine tien jaar geleden als een dolle ben gaan aflossen. Wie gaat morrelen aan de einddatum van zijn hypotheek, gaat vanzelf ook morrelen aan zijn pensioendatum en kan ik het gunstigste geval veel vroeger van zijn vrijheid gaan genieten in een volledig afgelost huis.


donderdag 23 maart 2017

Waarom zijn klimaatsceptici eigenlijk zo sceptisch?

Op sociale media viel de afgelopen dagen te lezen dat de opwarming van de aarde in een stroomversnelling is geraakt die zomaar kan betekenen dat er na de eerstvolgende bocht een angstaanjagende waterval op ons wacht. Wie dat maar een eng idee vindt, kan zich troosten met de conclusie dat de wereld vooral last heeft van "klimaathysterie" (Marianne Zwagerman) en van een "opwarmingsverhaal" (Leon de Winter). Zelf ben ik toevallig net zo'n opwarmingsverhaal aan het lezen - namelijk de roman Goud Roem Citrus van Claire Vaye Watkins -  en dat gaat je bepaald niet in je kouwe kleren zitten. Vraag is dus niet alleen wie er in deze discussie gelijk heeft, maar ook waarom klimaatsceptici eigenlijk zo graag willen geloven dat het allemaal oncontroleerbare onzin is.


Natuurlijk is Goud Roem Citrus niet meer dan het is, namelijk een roman. Het is een verzonnen verhaal, geschreven door iemand van 31 die waarschijnlijk te veel boeken heeft gelezen van Frank Herbert. Tegelijk is dat de kracht van schrijvers van dit soort dystopische boeken: dat ze hun lezers meenemen naar een helemaal niet zo verre of vergezochte toekomst. Zoveel fantasie is er niets eens voor nodig om je voor te stellen hoe het is om te leven in een wereld waarin de zon onbarmhartig schroeit, water zeldzamer is dan goud en ook rijke westerlingen zich aan hebben moeten sluiten in de onafzienbare stroom klimaatvluchtelingen.

In die zin laat dit boek zich lezen als de ochtendkrant van 2032 (die tegen die tijd natuurlijk helemaal niet meer bestaat, net zoals er ook geen vers fruit meer is en alle bomen kaalgevreten zijn en zo broos als papier). In Goud Roem Citrus heeft de opwarming van de aarde ons definitief ingehaald en is er geen ontkennen meer aan. Het is The Walking Dead maar dan zonder zombies en met een zinderende zon. Je stapt je voordeur uit en bent opeens in de woestijn van Nevada. Ik weet nog steeds niet of ik het een goed boek vind, maar ik weet wel dat ik na de eerste paar hoofdstukken veel meer genoot van mijn schaal druiven en mijn koude glas water.


Ondertussen - en dat betekent in mijn geval dus tussen het lezen door - lees ik op Twitter dat er sprake is van klimaathysterie en schrijft Leon de Winter op zijn vaste plek in de krant dat er geen sprake is van door de mens veroorzaakte opwarming van de aarde, maar slechts van een "opwarmingsverhaal". Het klimaat fluctueert nu eenmaal en dat heeft niets te maken met onze vervuilende en verkwistende levensstijl maar alles met geologische en kosmische krachten. Als we al invloed hebben door onze CO2-uitstoot, dan is dat alleen maar in positieve zin want zo stellen we de volgende ijstijd juist weer een beetje verder uit.

Nu ben ik een politicoloog met een talenpakket, dus ik kan alleen maar afgaan op wat ik over dit onderwerp lees (bijvoorbeeld dat het in New York in februari al even 21 graden was). Als journalist schreef ik in 1988 al een artikel over wat toen meestal nog het "broeikaseffect" werd genoemd en vorig jaar zomer las ik tijdens mijn vakantie De klimaatoorlogen van Harald Welzer. Tegelijk las ik naast de column van Leon de Winter en de tweets van Marianne Zwagerman óók het boek De menselijke maat van Salomon Kroonenberg, dus niemand kan mij ervan beschuldigen dat ik in een filterbubbel leef waarin GroenLinks de agenda bepaalt.


Vooropgesteld dat ik niet 100% zeker weet dat klimaatsceptici onzin verkondigen, meen ik wel een verklaring te hebben voor hun reflex. Die lijkt namelijk héél erg op die van mensen die naar excuses zoeken om vooral niets te hoeven aflossen. De laatste jaren is dat stukken minder geworden, maar toen wij in 2008 begonnen met met het aflossen van onze hypotheek heb ik alle k*tsmoezen wel de revue zien passeren. Zo kreeg je altijd een boete als je afloste, moest je natuurlijk wel "leuke dingen" kunnen blijven doen en had je er niks aan als je op je 55ste een hartaanval kreeg op de drempel van je hypotheekvrije huis dat je net een dag eerder helemaal had afgelost. Aflossen is soms afzien en daar hebben de meeste mensen helemaal geen zin in.

Zuinig leven om je eigen hypotheek af te kunnen lossen is dan misschien nog wel op te brengen, maar niemand gaat superzuinig leven om te sparen voor zijn achterkleinkinderen. Dat speelt dus ook mee in de hele klimaatdiscussie. Mensen willen overal 130 rijden, in de zomer het vliegtuig pakken naar Bali en lekker alles kopen waar ze blij van worden. Klimaatsceptici willen zonder schuldgevoel vasthouden aan hun oude verkwistende levensstijl en dus moet het allemaal wel onzin zijn. Toegeven dat opwarming misschien bestaat betekent immers: minder vliegen, minder vlees, minder vervuiling en misschien wel minder keuzevrijheid. Dat lijkt een flinke stap terug, maar is waarschijnlijk veel verstandiger dan op de oude voet doorgaan tot er geen weg terug meer is.

maandag 20 maart 2017

Wie komt er nou precies van een andere planeet?

Als straks overal te lezen valt dat "rokjesdag" een feit is, dan klopt dat niet. De eerste echte dag waarop je met blote benen de straat op kon viel dit jaar namelijk al op donderdag 16 maart. Die dag fietste ik op mijn dooie gemak over het schitterende fietspad langs de Oude Maas, terwijl de zon uitbundig scheen en het ineens volop lente was. Toen ik een paar uur later in mijn korte broek boodschappen ging doen, werd ik echter aangestaard of ik van een andere planeet afkomstig was (of in elk geval op het verkeerde vliegveld was uitgestapt). Dat is dus met alles in het leven de vraag: ben jij zelf raar of doet de rest iets verkeerd?


De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat bovenstaande foto vórig jaar is gemaakt en ook op een heel andere plek (namelijk in de Alblasserwaard). Hij dient dan ook slechts ter illustratie, want afgelopen donderdag was ik in mijn eentje aan het fietsen zodat ik hooguit een selfie had kunnen maken. Wel droeg ik precies dezelfde outfit: een korte wielerbroek met daarboven een shirt én een shirt met lange mouwen. Echt zomer is het natuurlijk pas als je ook met korte mouwen kan fietsen, maar het was warm genoeg voor blote benen.

Een dag eerder was het ook al lekker genoeg om buiten in de tuin een boek te kunnen lezen, maar van dat feit hebben alleen mensen met een omgekeerde werkweek of een plakbandpensioen kunnen profiteren (en niet te vergeten al die ZZP'ers die in de luxe positie verkeren dat ze zelf hun tijd kunnen indelen). Zelf val ik in alle drie die categorieën, zodat het weekend wat mij betreft zomaar ineens midden in de week kan vallen en er ook nooit sprake is van een slechte zomer. Vorig jaar bijvoorbeeld begon mijn zomervakantie pas toen die voor de rest van het gezin net was afgelopen en bleef het tot ver in september mooi weer.


Officieel begint het "kortebroekenseizoen" hier in huis pas op 1 april en duurt het tot eind september (dus precies een half jaar). Dat is echter slechts een richtlijn want hij wordt ook tevoorschijn gehaald als het in maart al lekker is en hij blijft in de kast als het in april niet echt wil vlotten met het weer (wat de laatste jaren ook nogal eens is gebeurd). Dit jaar heb ik hem al drie keer aangehad, al heb ik tegelijk ontdekt dat ik dat beter alleen in mijn eigen tuin kan doen. Ga je in maart boodschappen doen in een korte broek, dan staren mensen je aan alsof je "Stille Nacht" aan het neuriën bent met een kerstmuts op.

Nu trekken sporters over het algemeen veel sneller iets luchtigs aan, want toen ik het weekend van 11 maart logeerde bij een vriend in de Eifel en we een lange fietstocht maakten door het fraaie heuvellandschap, zagen we onderweg niet alleen een skater met een korte broek maar ook een vrouw op een mountainbike die niet meer droeg dan een fietsbroek en een tanktop. Door de inspanning komt je lichaam snel op temperatuur, zodat je een heel andere beleving hebt van het weer. Daar komt in mijn geval bij dat de verwarming hier in huis vaak op 15 graden staat, zodat ik het buiten al heel aangenaam vind als het daar óók 15 graden is.


Belangrijker dan de vraag wanneer het nou precies "lekker weer" is en op welke datum rokjesdag valt (waarschijnlijk pas na het ingaan van de zomertijd), is de vraag of je je iets moet aantrekken van starende of afkeurende blikken. De vraag of het "raar" is om op 15 maart in een korte broek door Dirk van de Broek te lopen kun je moeiteloos vervangen door de vraag of het "raar" was om al in 2008 versneld te gaan aflossen. Toen was dat namelijk nog een vies woord en kwam je de uitdrukking "hypotheekvrij" in de media nergens tegen. Tegelijk beschouw ik het nog steeds als het verstandigste besluit óóit.

Bij lezingen zeg ik ook wel eens dat je waarschijnlijk aardig op de goede weg bent als mensen je aankijken of ze water zien branden. Dat is geen waterdichte redenering en ook geen wetenschappelijk verantwoorde conclusie, maar in de praktijk blijkt vaak dat je je niet teveel moet aantrekken van wat andere mensen doen of vinden maar dat je beter je eigen koers kunt bepalen en blind moet varen op je gevoel. Zo heb ik ontdekt dat je best een zomervakantie kunt overslaan als je in ruil daarvoor 365 dagen per jaar vakantie hebt en dat het geen kwestie is van afzien als je de kachel zo laag mogelijk zet omdat je dan al vroeg in de lente beloond wordt met mooi zomerweer.

dinsdag 14 maart 2017

Er bestaat dus werkelijk zoiets als welverdiende rust

Afgelopen weekend logeerde ik bij een vriend in een uitloper van de Eifel, pal aan de grens met Luxemburg. Daardoor kon ik goedkoop tanken voor de terugreis, nadat we drie dagen lang van het mooie weer hadden genoten en het schitterende landschap. Na afloop besefte ik eens te meer dat een weekend twee keer zo lang duurt als je er een mini-vakantie van maakt, dat alles staat of valt met het weer en dat nietsdoen vooral leuk is nadat je eerst van alles en nog wat hebt gedaan. Zo vierde ik dit weekend namelijk het heuglijke feit dat de eerste versie van mijn nieuwe boek helemaal af is. 


Op Twitter suggereerde ik dat ik er een paar dagen tussenuit was omdat ik mezelf om die reden had getrakteerd op een weekendje weg, maar dat had meer met toeval te maken dan met timing. De afspraak dat ik langs zou gaan bij deze vriend - die in Luxemburg werkt als expat - dateert al van maanden geleden, dus het kwam alleen maar goed uit dat ik net het laatste hoofdstuk van mijn nieuwe boek had afgerond. Ook met het weer mazzelden we, want in eerste instantie zag het er zo belabberd uit dat ik zelfs van plan was mijn mountainbike niet eens mee te nemen.

In plaats van de regen die eerst voorspeld was, werden we getrakteerd op drie dagen lenteweer met de zondag al absolute uitschieter. Die benutten we meteen maar met een fietstocht van meer dan 4 uur, waarbij we onderweg neerstreken op een zonovergoten terras langs de Moesel. Ik kwam vrijdag aan om half twee en diezelfde middag hadden we meteen al een mooie tocht gemaakt door de heuvels en het omliggende Saarland.. Dat herhaalden we de volgende dag, gevolgd door een bezoek aan de stad Trier, met als afsluiting een pizza in Liersberg.


Toen ik zondagavond om half elf thuiskwam, had ik het heerlijke gevoel dat ik een midweek weg was geweest in plaats van 2,5 dag. Natuurlijk ging het weekend de volgende dag gewoon verder (zo ga ik zo dadelijk na de lunch lekker in de tuin een boek zitten lezen), maar toch is een weekendje weg een heel andere ervaring dan een weekend in je eigen biotoop. Alleen de heen- en terugreis vind ik een beetje een dealbreaker, want het blijft zonde om in totaal een hele werkdag in de auto te zitten voor ruim twee dagen ontspanning.

Wel genoot ik intens van de ruimte, de rust, het prachtige heuvellandschap en de vriendelijkheid van de plaatselijke bevolking, zeker toen ik na thuiskomst in de krant had gelezen dat het hier weer heel druk was geweest op de weg en in de welbekende attractieparken. Alleen al daarom heb je als mens in dit land (beter gezegd: in dit deel van het land) een omgekeerde werkweek nodig: omdat het op een zomerse maandag oneindig veel rustiger is op de fietspaden dan op een zonovergoten zondag. Nu kon ik maandag rustig bijkomen van de reis en op mijn gemak alsnog alle zaterdagkranten lezen.


Dat was trouwens ook wel eens rustig: de dag beginnen met een kop koffie en een boek in plaats van de gebruikelijke mediaconsumptie. Ik kreeg via Twitter natuurlijk wel het nodige mee van de rellen in Rotterdam, maar verder stond dit weekend toch vooral in het teken van dit onwaarschijnlijk mooie liefdesverhaal van Patrick Ness dat net zo goed door Neil Gaiman geschreven had kunnen zijn. Het heeft verder niet veel om het lijf, maar ik heb me voorgenomen om na elke film die op een roman is gebaseerd een ánder boek te lezen van dezelfde schrijver. Dat is heel verfrissend, want voordat ik A Monster Calls zag had ik zelfs nog nooit van Patrick Ness gehoord.

Wel weet ik inmiddels dat je helemaal niet vreselijk calvinistisch hoeft te zijn om te beseffen dat het pas echt goed rusten is na gedane arbeid, net zoals je heel anders onder de douche staat als je net vier uur op de mountainbike hebt gezeten. Het is niet voor niets zo dat vrijdag mijn favoriete bioscoopdag is: dan geniet ik van een film in de wetenschap dat ik die week één column heb geschreven, twee blogs heb gepubliceerd en drie hoofdstukken van mijn nieuwe boek heb geredigeerd. Om echt intens te kunnen genieten van het nieuwe nietsdoen moet je dus af en toe ouderwets je mouwen opstropen en meters maken.

vrijdag 10 maart 2017

Hoe zit het nou eigenlijk precies met al die "rijke" ouderen?

Vlak voor de verkiezingen kwam het CBS naar buiten met nieuwe cijfers over de financiële situatie van gepensioneerden. Op basis daarvan werd al snel geconcludeerd dat deze groep het niet alleen veel beter heeft dan de vorige generatie 65-plussers, maar ook veel meer vermogen bezit dan jongeren. Dat laatste is natuurlijk niet meer dan logisch want ze hebben veel langer kunnen sparen en dat eerste is een beetje een kromme vergelijking. Als het om zaken als welvaart en armoede gaat, vergelijken we ons doorgaans met leeftijdgenoten en niet met mensen uit andere landen of uit een andere tijd. Bovendien blijkt het nogal tegen te vallen met al die rijkdom als je de eigen woning buiten beschouwing laat.


De strekking van dit soort berichtgeving is doorgaans dat gepensioneerden niet zo moeten zeuren, omdat ze niks te klagen hebben. Zelfs als in de kop netjes vermeld wordt dat ze minder te besteden hebben, dan wordt daar meteen aan toegevoegd dat ze een flinke spaarpot bezitten. De huidige generatie gepensioneerden is de rijkste generatie 65-plussers ooit en moet dus niet zaniken als het pensioen voor de zoveelste keer niet wordt geïndexeerd of zelfs wordt verlaagd. Diezelfde 65-plusser heeft immers een spaarpotje van gemiddeld 86.500 euro, terwijl een doorsnee huishouden nog geen 17.300 euro bezit. Om dat verschil aan te scherpen, rekent de krant nog even voor dat dat ruim vijf keer zo veel is.

Zelf ben ik nog lang niet gepensioneerd (in elk geval niet officieel), maar ik kan wel verklappen dat ik oneindig veel rijker ben dan de jongere versie van mezelf. Toen ik op mijn 26ste begon met werken had ik een studieschuld opgebouwd van 20.000 gulden, inmiddels heb ik een aardig bedrag bij elkaar gespaard en ben ik zelfs bijna helemaal van mijn hypotheek af. Dat laat zien dat je niks verklaart of rechtvaardigt door het vermogen van ouderen te vergelijken met dat van jongeren. Iedere starter die vandaag op nul begint, kan na 30 jaar een hypotheekvrij huis bezitten dat vervolgens door het CBS klakkeloos bij het spaargeld wordt opgeteld.


Dat verklaart meteen waarom ik grote moeite heb met dit soort cijfers en gemiddelden, want de overwaarde van het eigen huis vormt in feite een soort papieren vermogen. Niet alleen heeft het een volstrekt andere gevoelswaarde, je kunt er in de supermarkt ook nog geen zak afbakbroodjes voor kopen. Om die reden durf ik de uitspraak wel aan dat je oneindig veel meer hebt aan 50.000 euro op de bank dan aan een hypotheekvrij huis van 250.000 euro. Volgens het CBS bezit je dan 3 ton, terwijl je in werkelijkheid slechts de beschikking hebt over een klein deel van dat kapitaal.

Onze hypotheek is vorige maand in één klap met 30.000 euro gedaald, zonder dat ik het gevoel heb dat ik nu ineens veel rijker ben geworden (laat staan dat ik morgen zomaar een auto zou kunnen kopen van dat bedrag). Een hypotheekvrij huis geeft je een gevoel van vrijheid en zorgt voor lage woonlasten, maar de waarde van overwaarde is uiterst betrekkelijk. Eigenlijk zou het CBS dus nog veel meer moeten benadrukken dat al die gepensioneerden eigenlijk "maar" 12.000 euro bezitten als je hun koophuis buiten beschouwing laat.


Het kan aan mij liggen, maar ik vind dat niet veel als je je hele leven de kans hebt gehad om te sparen, zeker niet als je bedenkt dat deze generatie 65-plussers de kans heeft gehad om optimaal te profiteren van stijgende huizenprijzen, oplopende aandelenkoersen, de zekerheid van vaste banen en hoge ontslagvergoedingen. Toen wij besloten om in 2008 versneld te gaan aflossen, spaarden we elk jaar al meer dan 12.000 bij elkaar dus ik vind het eerder schrikbarend weinig. Zonder in details te treden kan ik wel verklappen dat ik (op 55-jarige leeftijd) al over méér vermogen beschik dan een gemiddelde gepensioneerde, hoewel een deel daarvan natuurlijk bestaat uit de hierboven al besproken overwaarde.

Dat 65-plussers anno nu meer vermogen hebben dan gepensioneerden in 1995 is leuk om te weten, maar heeft tegelijk net zoveel zin als de opmerking dat een bijstandsgerechtigde die op de armoedegrens zit het stukken beter heeft dan iemand in Bangladesh. Wil je iets zinnigs zeggen met een dergelijke vergelijking of iets duidelijk proberen te maken, dan moet je in heel andere termen gaan denken. Zo pleit ik er niet voor om de AOW-leeftijd weer te verlagen naar 65 jaar, maar wijs ik mensen er altijd op dat iedereen op zijn zestigste zou kunnen stoppen met werken als we genoegen zouden nemen met het welvaartsniveau van de jaren zestig.

dinsdag 7 maart 2017

Word je automatisch gelukkig van aflossen?

Toen ik een paar maanden geleden een lezing gaf en vooraf nog snel even een bezoek bracht aan het toilet, hoorde ik door de wc-deur heen twee mannen met elkaar praten over wat ik zo dadelijk allemaal zou gaan vertellen. Een beetje lacherig merkte de één op dat het zou gaan over het feit dat "je gelukkig wordt van aflossen". De ander reageerde daar om begrijpelijke redenen nogal nuchter op, want zo simpel en rechtlijnig is dat verband natuurlijk niet. Het versneld aflossen van je hypotheek is geen wondermiddel, geen panklare oplossing voor al je problemen en zorgen. Toch moet je er rekening mee houden dat ook je humeur verandert zodra je besluit iets aan je hypotheek te gaan doen.


Grootste probleem bij het beantwoorden van de vraag of je gelukkig wordt van aflossen, is de definitie die je hanteert van "geluk". Is dat een kortstondige, euforische sensatie of heb je het juist over een constant gevoel van tevredenheid? Ben je gelukkig als elke dag voor herhaling vatbaar is (en als je in je nieuwe boek schrijft dat je op deze manier nog wel 100 jaar 55 zou willen blijven) of  moet je jezelf voortdurend blijven voeden met nieuwe indrukken en ervaringen? Iedereen die het woord geluk gebruikt, bedoelt er iets anders mee en iedereen wordt ook weer van heel andere dingen vrolijk en blij.

Toen iemand mij bij mijn laatste lezing rechtstreeks die vraag stelde, antwoordde ik dat ik mezelf inderdaad gelukkiger voelde. Ik ga geen enkele vraag uit de weg en probeer er altijd zo eerlijk en volledig mogelijk op te antwoorden. Maar tegelijk vraagt dit antwoord om een toelichting, want wat bedoel ik er precies mee? En waarom kijk ik dan vaak zo ernstig op foto's als ik nu inderdaad zo'n vreselijk leuk leven leid? Wat tel je allemaal bij elkaar op als je op je leven een rapportcijfer moet plakken en wat is daarbij je referentiekader? Vergelijk je je eigen leven met dat van andere mensen in je omgeving of met mensen aan het andere eind van de wereld?


Voor een deel is die vraag simpel te beantwoorden. Zo was ik afgelopen vrijdag heel gelukkig, omdat ik op zomaar een doordeweekse dag naar de bioscoop ben geweest én naar het eerste optreden van de hardrockband Lovell's Blade. Mensen die zich afvragen of ik nog wel toe kom aan "leuke dingen" sinds ik ben gaan aflossen, zien daarmee meteen hun vraag beantwoord. De komende tijd hoop ik elke week minstens twee keer naar de bioscoop te gaan en liefst ook één keer naar het theater of een concert. Daar kan best eens wat tussen komen, maar het is de bedoeling om zo vaak mogelijk een film te zien en een band te zien spelen.

Wat me diezelfde vrijdag extra gelukkig maakte (of misschien wel écht gelukkig) was die enorme stilstaande file op de A16 voor de Van Brienenoordbrug. Het regende een beetje, dus ik was bij thuiskomst doornat, maar toch vond ik dat honderd keer minder erg dan kurkdroog in een auto zitten tijdens een verkeersinfarct. Dat heeft niets met leedvermaak te maken (want ik voel alleen maar medelijden met al die automobilisten), maar alles met mijn voorgeschiedenis. Toen ik nog in loondienst was, heb ik zo veel kilometers gemaakt en zoveel verkeersopstoppingen meegemaakt, dat ik elk bioscoopbezoek beschouw als een soort schadeloosstelling.


Ik word dus gelukkig van elke file waar ik niet in sta, elke kilometer die ik niet meer rijd op de snelweg, elke vergadering die ik niet meer hoef bij te wonen en elke deadline die ik niet hoef te halen. Ik word ook gelukkig van elke nacht waarin ik heerlijk doorslaap en om half acht uitgerust wakker word zonder dat ik de wekker hoef te zetten. Ik ben gelukkig omdat mijn huidige leven zo'n heerlijk contrast vormt met het hectische bestaan dat eraan vooraf is gegaan. Ik prijs me gelukkig en besef ook steeds meer dat je van geluk mag spreken als je niks noemenswaardig mankeert op je 56ste. Maar geluk is ook je eerste kop koffie van de dag of een langspeelplaat met daarop het laatste concert van Joe Strummer.

Als al dat aflossen me iets heeft gebracht, dan is het keuzevrijheid. Aflossen lijkt een louter administratieve handeling, maar in werkelijkheid is het een spoedcursus autonomie. Je geeft richting aan je leven en je geeft jezelf het gevoel - of in elk geval de illusie - dat je zelf de richting bepaalt waarin het verhaal verder gaat. Met een hypotheekvrij huis verandert je leven niet opeens in één langgerekt La La Land, maar het geeft je wel de kans om keuzes te maken, knopen door te hakken en gas terug te nemen.

vrijdag 3 maart 2017

De snelweg naar stressland is dus eigenlijk een sneltrein

In Het plakbandpensioen vertel ik hoe ik tot oktober 2008 op de snelweg naar stressland zat tot ik impulsief een ruk aan het stuur gaf en een onverhard zijweggetje insloeg. Dat is een accurate vergelijking die je nog veel verder kunt doortrekken en uitdiepen, maar toch kom ik steeds weer uit bij een andere vorm van transport als ik probeer te beschrijven in welke fase in mijn leven ik me nu bevind (of, zo je wilt, op welk station). Dat besefte ik weer eens toen ik afgelopen weekend in de krant las dat werkloze 50-plussers op een zijspoor komen te staan. Niet alleen ben ik helemaal niet "werkloos" (want ik heb geen uitkering en zoek geen baan), ik voel me ook alles behalve uitgerangeerd.


Een paar boeken eerder, in het onvolprezen Helemaal Vrij!, had ik al eens een andere vergelijking gemaakt. Toen ik dat boek schreef, bevond ik me in een heel andere situatie en in een volstrekt andere gemoedstoestand. Zo was ik net mijn baan als journalist kwijtgeraakt, zodat ik me een tikje beduusd afvroeg hoe het nu verder moest. Ik was van mijn aflossingsvrije hypotheek af, maar wist niet hoe het verhaal verder zou gaan lopen en hoe het allemaal zou aflopen. Wel kon ik duidelijk omschrijven hoe ik me voelde: alsof ik uit een voortrazende sneltrein was gevallen en nu wat verstrooid op zoek moest naar de dienstregeling.

De meeste werkende mensen zullen zich wel in die vergelijking herkennen, zeker als ze elke dag letterlijk de trein pakken naar hun werk. Ik kwam op dat idee doordat ik het gevoel had op een verlaten stationnetje in een lege vlakte terecht te zijn gekomen waar nog maar zelden een trein stopte. Eindelijk had ik alle tijd om eens rustig op een bankje te gaan zitten, lekker uit te puffen en op mijn gemak om me heen te kijken. Pas op zo'n moment merk je hoe verrekte snel al die passerende intercity's eigenlijk gaan en pas dan besef je hoe alles in een waas aan je voorbij trekt als je vanuit de trein naar buiten probeert te kijken.


Later werkte ik die beeldspraak nog verder uit door mijn lezers uit te dagen met de vraag waarom ze zelf eigenlijk in die trein zitten. Is dat omdat iedereen dat doet? Zit je alleen maar in die trein omdat je ooit bent ingestapt en je je verder nooit meer iets hebt afgevraagd? Gaat die trein zo hard dat je niet eens meer de kans hebt om de bordjes te lezen van de stations die je onderweg passeert? Weet je eigenlijk wel waarheen die trein eigenlijk op weg is? En wat verwacht je op het eindstation aan te treffen? Is dat alleen maar een laatste halte of wacht daar een beloning die al dat reizen - en misschien wel de bijbehorende wagenziekte - de moeite waard maakt?

In werkelijkheid staan de meeste mensen helemaal niet bij dat soort vragen stil of pas op het moment dat het einde van de rit nadert en ze beseffen dat de reis wel heel snel is gegaan. Ook in mijn geval was er een schokkende gebeurtenis voor nodig om mij wakker te schudden, want in feite verscheurde mijn werkgever mijn treinkaartje door het tijdschrift op te doeken waar ik voor werkte. Als dat niet was gebeurd, zat ik nu waarschijnlijk nog steeds in een stiltecoupé mijn tienduizendste interview uit te tikken zonder na te denken over de rest van het traject en zonder me af te vragen wat een geschikt moment was om uit te stappen of om uit mezelf aan de noodrem te trekken.


Pas toen ik een tijdje op dat verlaten station had rondgehangen, wist ik dat ik nooit meer op die trein wilde stappen. In mijn volgende boek vertel ik dat er welgeteld nog twee wagons voor mijn neus zijn gestopt maar dat ik er bewust voor heb gekozen om de rest van de reis op een oude fiets af te leggen en daarbij ook bewust een heel andere richting in ben geslagen. Veel werkloze 50-plussers hebben het gevoel op een zijspoor te zijn aangekomen, terwijl ik juist denk dat mijn leven op een dood spoor zat toen ik nog voort denderde van deadline naar deadline. In die zin ben ik niet uitgerangeerd of afgeserveerd, maar juist uitgerust en opgeveerd.

Nu ben ik een fulltime schrijver die niet langer in vaste dienst is en zich ook niet hoeft te houden aan een dienstregeling. Sommige lezers vroegen zelfs of ik van plan was om ook weer eens een roman te schrijven of zelfs een ouderwetse thriller. Nu sluit ik niets uit omdat ik juist het gevoel heb dat nu alles weer mogelijk is, maar de kans dat ik na mijn volgende boek (september 2017) ineens met een vervolg op de proppen kom op Terugslag of Gramschap is uiterst klein. Ik heb destijds enorm veel plezier beleefd aan het schrijven van al die boeken, maar tegelijk beschouw ik dat toch ook een beetje als een gepasseerd station.

dinsdag 28 februari 2017

Zo, nu hoeven we alleen de achtertuin nog maar af te lossen

Afgelopen zondag zijn we (voor het eerst dit jaar) uit eten geweest met het hele gezin om te vieren dat onze oudste hypotheek volledig is afgelost. Vanaf nu hoeven we voor dat leningdeel nóóit meer rente of premie te betalen en dat tikt aardig aan als je het doortrekt naar de verre toekomst. Tot mijn AOW-datum bespaar ik op deze manier bijna 25.000 euro, hoewel je dat soort vergelijkingen natuurlijk alleen maar zou mogen maken als het om een aflossingsvrije lening gaat. Helemaal hypotheekvrij zijn we daarmee echter niet, want er staat nog een spaarhypotheek open van een kleine 45.000 euro met als einddatum 2020. Grappig genoeg komt dat bedrag precies overeen met de aankoopsom van een stuk weiland achter ons huis, dus in zekere zin betalen we maandelijks alleen nog geld aan de bank voor onze achtertuin.


In mijn boek Hypotheekvrij! schrijf ik dat we nog maar zelden uit eten gaan en alleen als we echt iets te vieren hebben. Zo uitzonderlijk is dat overigens niet, want uit de enquête die ING elke dag houdt onder haar klanten, blijkt dat er een grote groep is die nóóit uit eten gaat en een even grote groep die dat slechts af en toe doet. Wat dat betreft is er in de maatschappij wel het een en ander veranderd sinds het uitbreken van de kredietcrisis, want veel vanzelfsprekendheden zijn blijkbaar helemaal niet zo vanzelfsprekend meer. Omgekeerd heeft het dus ook niks meer te maken met zuinig leven als je "slechts" vier keer per jaar in een restaurant komt.

Afgelopen zondag hadden we écht wat te vieren, want onze oudste hypotheek was een dag eerder tot de laatste cent afgelost. Met ingang van deze nieuwe maand zijn we elke maand ruim 150 euro minder kwijt aan woonlasten, hoewel dat pas echt grijpbaar, merkbaar en meetbaar wordt als dat bedrag deze week niet automatisch van de rekening wordt afgeschreven. Zaterdag plofte de langverwachte brief van Aegon al in de bus waarin de zinsnede "algehele aflossing" voorkomt en vrijdag schreef ik er een column over in het RD, dus je kunt wel zeggen dat alles de afgelopen dagen in het teken stond van mijn boek uit 2012.


Dat is natuurlijk ook zo, al had ik op deze plek net zo goed kunnen schrijven dat ik vrijdag naar de film T2 Trainspotting ben geweest, zaterdag een paar afleveringen heb gezien van de serie 12 Monkeys en zondag samen met mijn vrouw naar een optreden ben geweest van Lenny Kuhr in Rozenburg. Het gaat in dit blog dus wel vaak over onderwerpen die verband houden met mijn laatste vijf boeken, maar het zou een grote vergissing zijn om te denken dat het in mijn leven alleen nog maar dáárover gaat. Alles wat ik hier schrijf is waar, maar het is tegelijk niet alles waar het in mijn leven om draait.

Wel is het grappig om in de aflosnota te lezen dat Aegon de hypotheek "op ons verzoek" heeft afgelost. De aan de woningschuld gekoppelde levensverzekering was géén KEW, dus we hadden er ook voor kunnen kiezen de hypotheek aflossingsvrij door te laten lopen en het bedrag op onze rekening te laten storten. Dat hoeft helemaal geen domme zet te zijn (want in dat geval hoefde ik tot het eerstvolgende rentevoorstel maar 100 euro per maand te betalen), terwijl ik ineens de beschikking had over ruim 28.000 euro extra spaargeld. Zo bekeken klinkt dat zelfs heel verleidelijk, ware het niet dat ik in 2008 juist ben gaan aflossen om mijn (financiële) vrijheid terug te krijgen.


Overigens hádden we dat heuglijke feit afgelopen zondag al kunnen vieren als we in 2011 niet de kans hadden gekregen om een stuk weiland te kopen achter ons huis. Die gelegenheid deed zich voor nadat we nét 15.000 euro extra hadden afgelost, dus het was even de vraag waar we dat geld precies vandaan moesten halen. Het laatste wat ik op dat moment wilde was geld lenen (of de hypotheek weer verhogen), zodat we een jaar lang superzuinig hebben geleefd en elk beschikbaar reservepotje hebben geplunderd om het contant te kunnen betalen. Vanaf dat moment hadden we (tijdelijk) nul euro op de bank en (voorgoed) ruim 500 vierkante meter extra tuin.

Grappig genoeg komt het aankoopbedrag van de tuin bijna tot op de euro overeen met het nog openstaande stukje schuld, zodat je ook zou kunnen zeggen dat we inderdaad helemaal hypotheekvrij zijn en nu alleen nog onze achtertuin hoeven af te betalen. Strikt genomen is dat natuurlijk niet waar, maar ik vind het best een grappig idee dat we ons huis in theorie al helemaal hebben afbetaald en ik elke maand alleen nog maar een vast bedrag hoef te betalen om elke dag heerlijk in een luie stoel een boek te mogen lezen in de schaduw van een knotwilg met uitzicht over de landerijen.

vrijdag 24 februari 2017

De balans tussen werk en privé kun je nog veel breder trekken

Veel mensen in loondienst hebben last van stress doordat de grens tussen werk en privé steeds verder vervaagt. Niet alleen ben je op zondagavond al met de vergadering van maandagmorgen bezig, ook op vakantie is de dagelijkse sores maar één muisklik verwijderd en kun je zomaar een whatsappje van je baas verwachten. Het kost dus niet alleen steeds meer moeite om afstand te nemen van je werk, ook afstand speelt daarbij geen enkele rol meer. Als je in deze moderne tijd in principe genoeg hebt aan een laptop en een goede internetverbinding om je werk te doen, dan biedt geen enkele palmboom nog de garantie van een ongestoorde vakantie.


Vandaar dat ik tijdens mijn lezing van vorige week nog even terugblikte op het "oude nietsdoen". Dat is een vakantiehuis kopen in Duitsland, zodat je eerst 8 uur onderweg bent om vervolgens gelukzalig in een luie stoel te ploffen met een goed boek (nadat je eerst het gras hebt gemaaid en de auto hebt uitgepakt). Wie hard werkt, heeft last van tunnelvisie en kan bij "rust" alleen maar denken aan vakantie. Om dat gevoel vast te houden kun je zelfs besluiten een vakantiehuis te kopen, al kom je er vervolgens snel achter dat je met die aankoop niet ineens de beschikking hebt over veel meer vakantiedagen en zelfs onnodig veel tijd verliest door een hele dag in de auto te zitten op weg naar die oase van rust.

Voordat de mobiele telefoon gedemocratiseerd was en iedere camping beschikte over gratis wifi, was je op vakantie daadwerkelijk "weg" omdat je niet bereikbaar was en soms zelfs omdat thuisblijvers niet eens wisten waar je precies uithing. Je had de beschikking over slechts 25 vakantiedagen, maar je had ze tenminste wel geheel tot je beschikking. Nu heeft niets nog je onverdeelde aandacht, omdat je thuis met je werk bezig bent en in gesprekken aan tafel wordt afgeleid door wat er elders in je sociale omgeving gebeurt. Dat is geen nieuwe of wereldschokkende observatie, maar het is wel een schokkende overgang.


Ik denk dus nog regelmatig aan dat huisje in Taubenheim, maar ik denk vooral aan de subliminale boodschap die het uitstraalde. Ik was in 2006 namelijk helemaal niet op zoek naar een vakantiehuis waarvoor ik een extra hypotheek moest afsluiten, maar juist naar het simpele leven dat ik met dat huis en die plek associeerde. Je kunt ook zeggen dat ik eerst een vrijstaand huisje moest kopen dat aan het einde van een doodlopende weg lag aan de bosrand om te beseffen dat ik dat thuis in feite ook al had (net zoals andere mensen pas na een slippertje beseffen hoe leuk hun eigen vrouw eigenlijk is en hoe waardevol een vaste relatie is waarin je elkaar kunt vertrouwen).

Vandaar dat het verhaal in mijn boek Hypotheekvrij! niet begint bij het uitbreken van de kredietcrisis in 2008, maar twee jaar eerder toen ik blijkbaar al de sluimerende behoefte had om te breken met oude gewoontes en het stiekeme verlangen uit het keurslijf van een carrière te breken. Wie hard werkt, leeft van vakantie naar vakantie, terwijl dat hele idee van "vakantie" ineens in een merkwaardig concept verandert als je stopt met al dat harde werken. Wie van reizen houdt, blijft dan natuurlijk lekker reizen maken maar zal dat niet meer doen om de accu op te laten, tot rust te komen of eindelijk eens tijd te hebben voor een goed boek.


Daarom is het belangrijk - of in elk geval heel inzichtelijk - om eens uit te zoomen als het gaat om de balans tussen werk en privé. Je kunt daar op microniveau naar kijken en invullen wat dat voor je dagelijkse leven betekent, maar je kunt ook je hele loopbaan onder de loep nemen en daarmee je hele leven. Is het werkelijk zo dat je veertig jaar (of langer) hard wil werken om daarna eindelijk van je rust te gaan genieten of kun je dat beter in een veel vroeger stadium doen en elke week rust inbouwen? Dat kan in de vorm van een omgekeerde werkweek (waarbij je in het ideale geval nog maar twee dagen werkt), maar ook dat is slechts een voorbeeld.

In datzelfde boek pleit ik voor een model waarbij je 25 jaar studeert, vervolgens 25 jaar werkt en spaart om vervolgens de rest van je leven (en op basis van de laatste cijfers is dat veel meer dan 25 jaar) te gaan genieten. Dat vraagt om andere financiële planning, maar ook om een heel andere kijk op wat nou eigenlijk echt belangrijk is in het leven. Daar hoort wat mij betreft een discussie bij over het concept vrije tijd en vakantie, over armoede en rijkdom, over economie en ecologie, maar ook over basisbehoeften en een basisinkomen. Hoe dan ook zou het bij de balans tussen werk en privé over veel meer zaken moeten gaan dan alleen mindfulness en mailen buiten werktijd.

dinsdag 21 februari 2017

Wat is eigenlijk precies de definitie van "pensioen"?

Vorige week donderdag hield ik een praatje in de prachtige nieuwe bibliotheek van Barendrecht dat anders was dan mijn "gewone" lezingen. Het was de derde in een reeks van gesprekken onder de noemer "huis-, tuin- en keukenfilosofie", dus wat mij betreft kon het deze keer inderdaad wat méér gaan over de filosofische en psychologische aspecten van financiële planning (en dan vooral van de manier waarop wij dat hebben aangepakt). De zaal zat niet alleen helemaal vol, maar zat ook vol vragen die ik allemaal zo goed mogelijk heb proberen te beantwoorden. Ook de vraag van die ene meneer die mopperde dat ik eigenlijk helemaal niet echt met pensioen ben.


Het was een geslaagde avond waarbij ik niet alleen bekenden tegenkwam, maar ook verschillende bekende gezichten en zelfs een aantal min of meer Bekende Nederlanders (bijvoorbeeld schrijver John Brosens en kunstenares Anne van Dalen, de eerste vrouw in Nederland met een echt basisinkomen). Ik begon met het vertellen van mijn persoonlijke verhaal, dat steeds lastiger samen te vatten is omdat er binnenkort zes delen zijn in de serie met in totaal 1500 pagina's. Zo bekeken ben ik bezig aan een soort Lord of the Rings over aflossen, loslaten en verlossing. In een praatje van drie kwartier kan ik natuurlijk niet alles aan bod laten komen, maar ik probeerde wel de hoofdlijnen te schetsen, inclusief alle consequenties waar je onherroepelijk mee te maken krijgt wanneer je de hoofdweg verlaat.

Na afloop werd ik aangesproken door een mevrouw die tijdens de avond had bedacht (of misschien thuis al tijdens het lezen) dat ik met het aflossen van mijn hypotheek een "verzekering had afgesloten waardoor mijn leven een aaneenschakeling was van fijne verrassingen in plaats van nare verrassingen". Dat is heel mooi gezegd en ook een beetje waar, al is het natuurlijk niet zo dat elk sprookje dat met aflossen begint eindigt met de conclusie dat ze daarna nog lang en gelukkig leefden in hun hypotheekvrije huisje. Zelf had deze mevrouw samen met haar man bewust een huis gekocht op één salaris, wat haar later in haar leven in staat stelde haar baan op te zeggen om fulltime te gaan zorgen voor haar gehandicapte kind.


Er werden veel vragen gesteld en ook kritische opmerkingen geplaatst. Dat is prima en dat gaf me ook de gelegenheid om nog eens te benadrukken dat ik mensen met mijn boeken alleen maar probeer te inspireren. Ik laat slechts zien wat wij gedaan hebben, dat je andere keuzes kunt maken en tegen bestaande zaken heel anders aan kunt kijken. Verder ben ik natuurlijk geen politieke partij die al zijn mooie plannetjes moet laten doorrekenen door het CPB. Wat goed is voor jou op microniveau , hoeft helemaal niet goed te zijn voor de maatschappij als geheel. Wie zuinig leeft, is zuinig op de aarde maar creëert wel een joekel van een begrotingstekort doordat hij minder belasting betaalt en ook minder opbrengt aan accijns en BTW.

Dat ik soms kritische vragen krijg is logisch en ook volkomen verklaarbaar. Door heel andere keuzes te maken zet ik namelijk automatisch vraagtekens - zonder dat bewust te doen of na te streven - bij de keuzes die andere mensen hebben gemaakt. Dat kan over je vakantiebestemming gaan, de auto die voor je deur staat of de manier waarop je je huis hebt gefinancierd, maar ook over wat je belangrijk vindt in het leven, waar je van geniet, waar je de lat legt qua welvaart, wat je bereid bent te laten en hoe lang je besluit door te werken. Mijn verhaal inspireert en motiveert, maar het kan mensen ook onzeker maken en aan het twijfelen brengen.


Een van de vragenstellers mopperde dat ik helemaal niet echt met "pensioen" was, omdat ik wekelijks een column schrijf, op 1 mei weer een nieuw boek bij mij uitgever inlever en een vrouw heb met een parttime baan. Van al die dingen maak ik geen geheim, maar tegelijk kun je je afvragen wat eigenlijk de definitie is van pensioen. Uiteraard ga ik in Het plakbandpensioen uitgebreid in op de vraag, maar lang niet alle aanwezigen hadden iets van mij gelezen of alles van mij gelezen. Met "pensioen" bedoel ik in elk geval niet dat je met je armen over elkaar achter de geraniums moet gaan zitten, want dat is saai en geestdodend, zeker als je al op je 55ste stopt met werken.

Onder pensioen versta ik de situatie (waarin ik sinds 1 mei 2016 verkeer) dat je niet langer hoeft te werken voor je geld zonder dat je daarbij een beroep hoeft te doen op toeslagen of een uitkering. Alles wat ik sindsdien doe, doe ik omdat ik het leuk vind of omdat ik er zin in heb en niet voor het geld. Dat wil niet zeggen dat ik dingen tegenwoordig helemaal grátis doe, maar wel dat ik regelmatig "nee'"  zeg tegen bepaalde klussen of opdrachten omdat ik er geen zin in heb en me dat financieel ook kan veroorloven. Ik doe dus liever iets wat plezier of voldoening oplevert, dan dat ik me met tegenzin ergens toe laat verplichten omdat het geld in het laatje brengt.