Zoeken

donderdag 31 maart 2022

Tweede leven voor een tweedehands racefiets

Jaren geleden, tijdens het schrijven van Het Nieuwe Nietsdoen, kocht ik via Marktplaats voor ongeveer 150 euro een tweedehands racefiets van het merk Herman Braun bij een fietsenzaak in het zuiden van het land. Nadat ik hem een tijdje gebruikt had als reservefiets, verdween hij met een lekke achterband in de schuur tot mijn jongste zoon opperde dat hij wel zin had om weer eens op de fiets te stappen. En dus kreeg deze handgemaakte stalen fiets uit 1992 een complete make-over bij de makers zelf.

Trouwe lezers weten dat ik zelf al sinds 1984 op een Herman Braun rijd. Eigenlijk dacht ik toen meer aan een mooi Italiaans model van het merk Chesini, tot iemand me attendeerde op deze framebouwer uit mijn eigen woonplaats. Zo lang deed hij dat werk overigens nog niet, want toen hij niet lang daarna een geheel op maat gemaakte racefiets afleverde, stond daarin het framenummer 38. Die eerste racefiets (niet mijn allereerste want dat was een WBR en daarna een Gitane) heb ik nog steeds in bezit en als ik zou willen rijd ik er zo op weg.

Daarnaast heb ik ook nog een zwarte tweedehands Davy Braun (genoemd naar zijn inmiddels volwassen zoon Dave die tegenwoordig in het bedrijf werkt en vakkundig de frames in elkaar last) en een twee jaar oude Braun die er nog als nieuw uitziet. Die laatste was een cadeautje voor mezelf om te markeren en te bezegelen dat we eindelijk hypotheekvrij waren. Om die reden besloot ik hem ook pas in gebruik te nemen op 1 maart 2020, hoewel ik er door de pandemie pas echt vaak en ver op ben gaan rijden in de zomer van 2021.

Ondertussen stond die groene Herman Braun te verpieteren in de schuur, als een verweesd exemplaar zonder eigenaar. Via de inscriptie had ik weten te achterhalen dat hij ooit op maat was gemaakt voor financieel adviseur Theo van den Boer uit Eindhoven. Dat vond ik wel een grappig - en frappant - detail, omdat ik in mijn boeken juist schrijf dat ik op eigen houtje aan het aflossen was en niets meer aannam van financieel adviseurs (behalve dan hun afgedankte rijwiel). Eigenlijk stond hij op de nominatie om wederom van eigenaar te veranderen via Marktplaats tot mijn jongste zoon opperde dat hij hem wel wilde gaan gebruiken.

En dus reed ik met deze fiets op de achterbank naar Braun Cycling in Spijkenisse om hem daar een grondige onderhoudsbeurt te laten geven. Zelf dacht ik aan nieuwe binnen- en buitenbanden, maar uit de restvoorraad in het magazijn doken de laatste voor dit model geschikte shifters op, plus een set nieuwe tandwielen. Uiteindelijk werd bijna alles vervangen, behalve het frame zelf: nieuwe remblokken en -houders, stuurlint, tandwielen, ketting, binnenbanden, buitenbanden. Omdat er op de originele fiets  een wit zadel zat, werd er ook nog een splinternieuw hagelwit exemplaar van Italiaanse makelij tevoorschijn getoverd.


En zo kreeg deze precies dertig jaar oude fiets, die afgemonteerd werd in de tijd dat de muziekwereld in de ban was van grunge en ik nog moest debuteren als schrijver, een totale make-over van de makers zelf. Je kunt ook zeggen dat Braun Cycling voor deze gelegenheid even Braun Recycling heette, want het eindresultaat is een drie decennia oude racefiets die van een afstandje oogt als nieuw en weer járen meekan. Zelfs als mijn jongste zoon er na een paar rondjes weer genoeg van heeft, dan nog heeft deze tweedehands racefiets door zijn toedoen een tweede leven gekregen.

Voor het bedrag dat deze operatie uiteindelijk heeft gekost (want reparatie dekt de lading niet) had ik ook een splinternieuwe racefiets met schijfremmen kunnen kopen bij Decathlon van het merk Tiban, maar dan praat je over een totaal ander segment en een heel ander soort kwaliteit, en houd je ook geen enkele rekening met zaken als hergebruik en duurzaamheid. Los daarvan heb je op deze manier een unieke, vintage fiets waar er letterlijk maar één van is, met een geschiedenis en een bijbehorend verhaal dat nog lang niet ten einde is.

donderdag 10 maart 2022

Eigenlijk zijn we nu pas echt helemaal hypotheekvrij

Op zondag 1 maart 2020 zaten we met het hele gezin plus aanhang aan een gereserveerd tafeltje in een pizzeria om te vieren dat we, na twaalf jaar fanatiek aflossen, eindelijk de eindstreep hadden gehaald. Wat we toen nog niet konden vermoeden, was dat corona een dikke streep door de rekening zou zetten en een heel andere invulling zou geven aan hoe we ons hypotheekvrije leven in gedachten al hadden ingevuld. Je kunt ook zeggen dat de pandemie ons leven tijdelijk op pauze heeft gezet tot op 1 maart 2022 eindelijk de vlag uit kon. 


In Coronaproof! uit 2021, een boek dat eigenlijk helemaal niet gepland was maar dat zich laat lezen als een interessant addendum, vertel ik in geuren en kleuren hoe we die laatste week van februari 2020 hebben doorgebracht. Het eerste woord dat je daarbij te binnen schiet, is dat van 'zalige onwetendheid'. Je kunt ook zeggen dat ik zo gefixeerd was op de eindstreep, dat ik alle signalen van wat op handen was negeerde. Aflossen doe je soms met oogkleppen op, met als gevolg dat de op handen zijnde pandemie pas mijn volledige aandacht kreeg op 2 maart.

Die laatste week hebben we twee concerten bezocht, één bioscoopfilm en één ver familielid. Verder hebben we veel gewandeld en met vrienden afgesproken. Tussendoor sloegen we aan het shoppen alsof Black Friday ineens middenin de voorjaarsvakantie viel. Nadat ik jarenlang had rondgelopen in een iets te grote oude winterjas, kocht ik meteen maar twee nieuwe exemplaren in de uitverkoop. Daarnaast deed ik mezelf twee paar nieuwe cowboylaarzen cadeau, zodat ik de eerste uitgespaarde maandbetaling meteen alweer had uitgegeven.

Vaak heb ik teruggedacht aan dat laatste concert in Theater Walhalla, vooral omdat we geen tel beseften dat dit voorlopig inderdaad het allerlaatste concert zou zijn. Op mijn bureau lag een flinke stapel entreekaartjes, inclusief een mooie plek op de vierde rij voor een optreden van Frazey Ford dat precies op mijn verjaardag viel. In werkelijkheid bleken we een trouwerij in de zomer te hebben gepland op de dag dat er een windhoos opstak, want het openbare leven kwam geheel stil te liggen, net als de promotie en verkoop van mijn boek. 

Ik las in de krant dat veel mensen de pandemie hebben opgevat als een soort persoonlijke belediging, juist omdat hij ieders leven compleet overhoop haalde. Dat is onzin natuurlijk, want het universum trekt zich niets aan van de uiterst onbelangrijke, piepkleine radertjes die we zijn. Toch kan ik er nog steeds niet helemaal over uit dat we in 2008 zijn gaan aflossen toen de kredietcrisis in volle hevigheid losbarstte om daar precies 12,5 jaar later mee klaar te zijn toen de eerstvolgende crisis zich aandiende. Wat er op wereldschaal gebeurt staat geheel los van mij, maar mijn timing is zo navrant dat ik in een roman niet mee weg zou komen.

Het eerste concert dat op de lange baan werd geschoven, was dat van Dayna Kurtz, waarna een lange reeks volgde van uitgestelde tournees en gecancelde optredens. Tussen de lockdowns door bezocht ik nog wel eens een concert, maar het was mondjesmaat en zelden helemaal ontspannen. Tot de laatste februariweek van 2022 zich aandiende, waarin we die van twee jaar geleden nog eens dunnetjes over deden. Meteen op vrijdag 25 februari zagen we de Franse jazztrompettist Erik Truffaz in Rotterdam optreden, gevolgd door nog eens drie concerten, één film en één restaurantbezoek. 

Halverwege die week bedacht ik opeens dat dit niet alleen een herhaling van zetten was, maar ook een uitgelezen kans om in gedachten die hele pandemie te deleten. Je kunt de geschiedenis natuurlijk niet uitwissen, maar je kunt in je hoofd wel een knip zetten in de bijbehorende film of proberen de data te overschrijven. Ook nu hebben we de nodige concerten in het verschiet en als we Lynne Hanson straks op precies dezelfde locatie zien optreden als in 2020 gepland, zal het net zijn of corona niks meer was dan een boze droom.

Dat is een heel bewuste keuze, want je zou net zo goed kunnen stellen dat uitgerekend op dit moment de oorlog in Oekraïne roet in het eten gooit. Om dat te voorkomen gedraag ik me willens en wetens als een struisvogel die zijn kop zo diep in het zand heeft gestoken dat alleen zijn achterpoten nog te zien zijn. Je kunt en mag daar van vinden wat je wilt (en misschien wijd ik daar binnenkort nog wel eens een heel blog aan), maar voorlopig ben ik van plan om de komende maanden te gaan te gaan leven - en vooral: te gaan béleven - zoals ik op 1 maart 2020 van plan was. 

woensdag 2 maart 2022

Hoe de pandemie mijn muzieksmaak voorgoed heeft veranderd

In mijn laatste boek beschrijf ik hoe de pandemie mijn muzieksmaak heeft veranderd. Niet alleen was er tijdens lockdowns weinig anders te doen dan intensief naar muziek luisteren, de omstandigheden vroegen ook om een heel andere soundtrack. Het effect dat ik beschrijf, is niet gestopt op de publicatiedatum, maar eerder in een soort stroomversnelling terechtgekomen. Na een positieve test en een paar dagen met koorts onder de wol, smaakte alles alleen nog maar zout en wilde ik ook nog maar één ding horen.

Aan het einde van het desbetreffende hoofdstuk laat ik de lezer achter met de vaststelling dat ik nu pas goed naar Rod Stewart heb leren luisteren en via hem The Faces heb ontdekt. Ook ben ik er na maart 2020 pas achter gekomen dat de loopbaan van Mark Knopfler niet is gestopt toen de Dire Straits uiteenvielen. Sterker nog: een paar van zijn allermooiste nummers staan misschien wel op de solo-cd's die hij daarna maakte. Dat was allemaal nieuw voor me, maar het was tegelijk ook weinig wereldschokkend. Het is immers maar een klein stapje van de Stones naar de Faces, zeker als je bedenkt dat Ron Wood precies hetzelfde in omgekeerde richting heeft gedaan.

De echte grote omschakeling vond dan ook pas na het verschijnen van mijn boek plaats, dus in zekere zin buiten het blikveld van de lezer. Maar ook nu ging het geheel ongemerkt, telkens met volkomen logische maar tegelijk piepkleine muizenstapjes. Zo completeerde ik mijn collectie van bluesgitarist Muddy Waters, inclusief een album waarop ook repertoire stond van ene Memphis Slim. Pas toen besefte ik dat ik pianoblues al die tijd ten onrechte links had laten liggen en stuitte ik op artiesten als Sammy Price, Otis Spann en Champion Jack Dupree.

Vaak vergelijk ik het besluit om versneld te gaan aflossen met het instinctief nemen van een onverhard zijpaadje. Kenmerk van die bochtige, onoverzichtelijke weg is niet alleen dat hij je voert langs onverwachte vergezichten, de weg zelf is ook zo smal dar je nergens kunt keren. Op het moment dat ik begon te luisteren naar al deze artiesten - en via hen weer terecht kwam bij instrumentale boogiewoogie en stride - was er feitelijk óók geen weg meer terug. Sterker: alle richtingaanwijzers langs de weg leidden naar dezelfde eindbestemming.

Want hoe gaat dat? Op dit punt van de reis is het nog maar een klein stapje naar muzikanten als Fats Waller, Count Basie, Duke Ellington en Oscar Peterson, dus voor je het weet vervaagt de scheidslijn tussen blues en jazz. Je kunt ook zeggen dat je na een lange reis ineens in voormalig Oost-Duitsland bent aangekomen, zonder dat je onderweg nog de restanten hebt opgemerkt van het IJzeren Gordijn. Zelf heb ik het gevoel dat ik de afgelopen halve eeuw zo'n beetje alle uithoeken van de popmuziek heb verkend en nu de deur heb geopend naar de volgende schatkamer.

In zekere zin heb ik mezelf door een smalle opening in de rotsen geperst en nu bevind ik me in een enorm onderaards gewelf met allemaal fonkelende edelstenen. In die zin was de pandemie dus ook een soort perswee die me ergens heeft gebracht waar ik nooit verwacht had te zullen uitkomen. Tegelijk is jazz - net als klassieke muziek - niet zelden het eindstation voor fanatieke muziekliefhebbers. Het is onontgonnen gebied en tegelijk ook de bron waaruit veel moderne muziek is voortgekomen. Frappant in dit verband is dat de vorige pandemie (die van de Spaanse Griep in 1918) heeft geleid tot de 'roaring twenties' waarin big band en jazz een dominante rol speelden.

Na een kortstondige flirt met jazz in het voorjaar van 2021 was ik al snel weer terug bij de vertrouwde seventies rock, southern rock en de Stones. Maar helemaal verdween het genre niet uit mijn systeem, want ik bezocht in de zomer een paar jazzconcerten en zag in augustus in de bioscoop de concertfilm Jazz on a Summer's Day. Toen raakte ik - op de valreep zou je bijna kunnen zeggen - eind januari van dit jaar besmet met corona en belandde ik in bed met hoofdpijn en koorts. De dagen ervoor had ik veel naar Neil Young geluisterd, maar nu had ik alleen nog puf voor Netflix.

Eenmaal weer op de been, bleek alles wat ik op mijn brood smeerde alleen maar zout te smaken, zodat ik dagen achtereen lunchte met brood met stroop. Ook muziek trok me ineens niet meer, zodat ik voor het eerst van mijn leven besluiteloos met mijn handen op mijn rug voor de cd-kast stond. Uiteindelijk zette ik een live-album op van Oscar Peterson en toen viel het kwartje in mijn hoofd en ging de deur weer wagenwijd open. Afgelopen weekend heb ik drie jazz-concerten bezocht, ik heb een flink aantal cd's van Dexter Gordon, Ben Webster en Coleman Hawkins aangeschaft en een dezer dagen verwacht ik zelfs een paar jazzboeken in de brievenbus. Voor mij zijn de roaring twenties dus allang begonnen, maar dan wel met de stille hoop dat ze op andere terreinen niet al te roerig en rumoerig zullen gaan verlopen.